Beernink, Hendrik Karel Jan (1910-1979)

 
English | Nederlands

BEERNINK, Hendrik Karel Jan (1910-1979)

Beernink, Hendrik Karel Jan, christelijk-historisch politicus (Maarssen 2-2-1910 - 's-Gravenhage 22-8-1979). Zoon van Hendrikus Beernink, hoofd van een lagere school, en Carolina Johanna Wilhelmina Schudi. Gehuwd op 28-9-1939 met Bartha Peeze. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Beernink, Hendrik Karel Jan

Beernink doorliep het gymnasium te Dordrecht, naar welke stad het gezin in 1917 verhuisd was. In 1928 begon hij aan de rechtenstudie te Utrecht. Na de voltooiing daarvan in 1932 trad hij in dienst van de gemeente Papendrecht. In 1935 werd hij commies op de Almelose gemeentesecretarie en in 1939 hoofdcommies met standplaats Rijswijk. Aan deze laatste gemeente verpandde hij zijn hart; in 1945 werd hij er gemeentesecretaris; hij bleef dat tot aan zijn ministerschap in 1967.

Hoewel de bestuurlijke richting hem meer lag, begaf Beernink zich al vroeg ook in de politiek. Voor een man van christelijk-historischen huize was de keuze voor de Christelijk-Historische Unie (CHU) vanzelfsprekend. Vóór de oorlog maakte Beernink deel uit van het dagelijks bestuur van de federatie van CH-jongerengroepen. In 1945 werd hij secretaris van de partij en een jaar later kwam hij als kandidaat van de jongeren in de Tweede Kamer, waar hij vooral binnenlandse zaken deed; de verhouding tussen Rijk en gemeenten had zijn speciale belangstelling. In de CHU werd hij weldra tweede man achter H.W. Tilanus, die hij in 1958 opvolgde als partijvoorzitter. In 1963 werd hij tevens fractievoorzitter, maar begin 1966 prefereerde hij niet langer de combinatie van beide functies en legde hij het partijvoorzitterschap neer. Door zijn werk leerde Beernink talrijke mensen goed kennen en was hij een van de zeldzame voorbeelden in Nederland van een 'party-boss', die juist door een netwerk van persoonlijke relaties in het politieke spel een onmisbare speler werd. Twijfel aan het nut, de plaats en de beginselen van de CHU heeft Beernink nooit gekend. Zich ophoudend aan de rechterzijde en bepaald geen visionair persoon stelde hij zich in dienst van 'God, Nederland en Oranje'. Op den duur werd hij weliswaar een CHU'er van de oude stempel die vervreemdde van actuele opvattingen, maar door zijn vasthoudendheid aan de beginselen bleef zijn bijzondere band met grote delen van de CH-kiezers tot het laatst bewaard.

Beernink verstond de kunst vele activiteiten te combineren. Tot aan zijn ministerschap was hij behalve gemeentesecretaris, parlementslid en partijfunctionaris ook nog lid van het dagelijks bestuur van het Industrieschap Plaspoelpolder en sedert 1957 lid van de Kiesraad. Maar al kon hij nors doen, hij maakte toch nooit een opgejaagde, eerder een ontspannen indruk. Een stipte dagindeling, een zekere immuniteit voor kritiek en een gezonde dosis relativiteitszin zorgden hiervoor. Zijn pose van de in de gemeenteadministratie groot geworden bestuurder, die hem in de publieke omgang iets hoekigs gaf, deed hem overkomen als een nuchtere, ietwat simpele persoon. Wars van gewichtigdoenerij, was hij een harde werker, die recht op zijn doel afging en er weinig behoefte aan had anderen te overtuigen of zich te laten overreden. Wel een man van wie men wist wat men aan hem had; zijn standpunten waren voorspelbaar.

In 1967 trad Beernink toe tot het confessioneel-liberale kabinet-De Jong (1967-1971), waar hij - uiteraard - binnenlandse zaken kreeg te beheren. Politiek was de kabinetssamenstelling geheel naar zijn wens. Afkeer van samenwerking met de socialisten had hij nooit onder stoelen of banken gestoken. Ook had hij zich steeds verklaard tegen een vijfpartijenkabinet waarvan ook de Partij van de Arbeid (PvdA) deel zou uitmaken, omdat de positie van de CHU, de kleinste van de drie grote confessionele partijen, daarin te zwak zou zijn en zo'n kabinet bovendien voldoende homogeniteit zou ontberen. Om een combinatie van deze redenen had hij het einde van de samenwerking tussen confessionelen en socialisten in 1958, toen het laatste kabinet-Drees ten val kwam, niet betreurd. Bij de formatie van het kabinet-De Quay in 1959 was hij aanvoerder geweest van de groep die, in tegenstelling tot Tilanus, genoegen wilde nemen met één zetel voor de CHU en uiteindelijk een tweede zetel in de wacht wist te slepen. Bij de formatie van 1963 had hij zich met hand en tand verzet tegen het weer opnemen van de PvdA in de regering. Hij had de CHU buiten het kabinet-Cals (1965 - 1966) - waaraan de PvdA wel deelnam - gehouden en met de motie-Schmelzer, die het voortbestaan van dit kabinet beëindigde, had hij con amore ingestemd. Bij de formatie van het kabinet-Cals had ook meegespeeld dat met hem geen overeenstemming was te bereiken over het omroepvraagstuk; Beernink, die in die tijd bestuurslid was van een van de niet aan een zuil gebonden, commercieel georiënteerde organisaties die aanspraak maakten op een plaats in het omroepbestel (tv Nederland), toonde zich minder beducht dan Anti-Revolutionaire Partij (ARP), Katholieke Volkspartij (KVP) en PvdA voor het openbreken van dat bestel. Hij was hiermee trouwens geheel in overeenstemming met de christelijk-historische voorkeur voor grote openheid ter wille van de herkerstening van de (in oorsprong) protestantse natie.

Door zijn stoïcijnse instelling viel het Beernink als minister niet zwaar vaste koers te houden in de turbulente tijd aan het einde van de jaren zestig, een koers die niet was afgestemd op verandering en vernieuwing, en derhalve weinig leek te passen bij de tijdgeest. Als man van orde en gezag trad hij onvervaard menige verstoring van de openbare orde tegemoet (de gezagscrisis in Amsterdam, beslecht met het ontslag van burgemeester G. van Hall; roerige toestanden rondom het bezoek van president Soeharto van Indonesië, o.a. de aanslag van Zuid-Molukkers op de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur). Beernink was er evenwel de persoon niet naar om leiding te geven aan het proces van democratisering. Daarvoor was hij te veel beheerder, met traditionele opvattingen en gespeend van creatief talent. Hij stond lauw tegenover de staatsrechtelijke vernieuwingen waar ter linkerzijde en door de staatscommissie Cals-Donner om gevraagd werd. Veel verder dan enkele wijzigingen in de Kieswet, zoals de afschaffing van de opkomstplicht, ging hij niet. Overigens verzette hij zich niet tegen doorwerking in de wetgeving van de zich veranderende ethische standpunten ten aanzien van de zedelijkheid en het vraagstuk van leven en dood (afschaffing filmkeuring, gelijkstelling begraven en cremeren). Grote deining veroorzaakte Beernink tijdens zijn ministerschap toen hij betrapt werd op sigarettensmokkel, een deining die evenwel meer zegt over de als vooruitstrevend geëtiketteerde, maar in bepaalde opzichten nog bekrompen tijdgeest dan over Beernink zelf. Hij liet het trouwens allemaal met gemak langs zijn koude kleren afglijden.

Na zijn ministerschap leek Beernink politiek uitgerangeerd. De CHU beloonde hem met het erelidmaatschap. Maar staande aan de rand van de partij, bleek Beernink zijn invloed nog wel degelijk te kunnen laten gelden. Ervan overtuigd dat de plaats van de CHU zich rechts van het midden bevond, verhinderde hij dat de partij haar conservatief imago ontrouw werd. Zo wist hij bij de kandidaatstelling voor de verkiezingen van 1972 te bereiken dat de radicale jongeren geen kans kregen, onder de dreiging anders met een eigen lijst te zullen uitkomen. Mede door zijn toedoen haakte de CHU bij de formatie van 1972-1973, die leidde tot het kabinet-Den Uyl, voortijdig af. Hierdoor werden de drie confessionele partijen politiek uit elkaar gedreven (ARP en KVP deden wel mee aan het kabinet-Den Uyl). Vertraging in het wordingsproces van het Christen-Democratisch Appèl (CDA) was het gevolg, welk proces Beernink als leider van de Centrumgespreksgroep in de CHU verder vertraagde.

Beernink is nooit warm gelopen voor de fusie van ARP CHU en KVP. Hij achtte die, alleen al gezien de kerkelijke gescheidenheid, niet levensvatbaar. Antipapistische trekjes waren hem niet vreemd en de vrees voor overvleugeling door katholieken evengoed als door antirevolutionairen zat er bij hem diep in. Een federatieve samenwerking van de drie was voor hem, die de traditioneel meer beschouwende sfeer van de CHU niet kon missen, het maximaal wenselijke en haalbare. Direct na de Tweede Wereldoorlog, toen de tijd rijp leek voor een geheel nieuwe partijenformatie, was hij, tegenstander van een fusie met de ARP nadrukkelijk actief geweest bij de heroprichting van de CHU, die aan de 'doorbraakgeest' ten onder dreigde te gaan. Toen in de jaren zeventig het CDA onafwendbaar werd en ARP en KVP er een radicaal-christelijke programpartij van wilden maken, trok hij aan de rem. Hij drong er bij de CHU op aan om in verband met de principieel christelijke grondslag van het CDA niet alleen het evangelie als vertrekpunt te vermelden, zoals ARP en KVP wensten, maar uitdrukkelijk de gehele bijbel; Beernink slaagde er dan ook in dat in een voetnoot bij het program van uitgangspunten vastgelegd te krijgen. 'Zij zullen al murmurerend en morrend op het CDA stemmen, omdat er behalve enkele splinterpartijen niets anders overgebleven is. Zij zullen elk elan en enthousiasme missen. Hun potlood zal beven als zij hun stem uitbrengen', zo portretteerde Beernink vooral zichzelf, toen hij tegenover Vrij Nederland kort voor de Tweede-Kamer verkiezingen van 1977, waarbij de drie partijen voor het eerst met een gezamenlijke lijst uitkwamen, de gevoelens van de christelijke-historische stemmers schetste. Maar toen het CDA er eenmaal was, gedroeg hij zich loyaal.

In 1972 werd Beernink weer lid van de Kiesraad om in 1976 zijn voorzitter te worden, in welke functie hij tevens voorzitter van het Centraal Stembureau was. Zijn laatste levensjaren hadden iets tragisch. Met de komst van het CDA en de dood van zijn vrouw in 1974 verloor hij zijn politieke en persoonlijke steun en toeverlaat; dat maakte hem eenzaam en onthand.

Beernink was een verdienstelijk schaker. Voor de Rijswijkse schaakvereniging VIOS speelde hij lange jaren in de hoofdklasse.

A: Collectie-Beernink in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Publikaties over landelijke en gemeentepolitiek uit periodieken in plakboeken van bovengenoemde collectie. Voorts publiceerde hij: Geschiedenis en beginsel van de Christelijk-Historische Unie ('s-Gravenhage, 1953) en Geschiedenis, organisatie en beginsel van de Christelijk-Historische Unie ('s-Gravenhage, 1960).

L: Behalve necrologieën in Het Binnenhof, 23-8-1979; Trouw, 24-8-1979, De Tijd. 31-8-1979; NRC Handelsblad, 23-8-1979; Nederlandse gedachten, 1-9-1979; Vrij Nederland, 11-9-1979; Christelijk Historisch Tijdschrift 24 (1979) 61 -63: Bibeb, in Vrij Nederland, 19-3-1966; F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); C.W.I. Wttewaall van Stoetwegen, De freule vertelt (Baarn, [1973]); Rudie van Meurs, in Vrij Nederland, 5-2-1977; Fragmenten uit de geschiedenis van Binnenlandse Zaken [Eindred. D. Houwaart] ('s-Gravenhage, 1979) 106-114; P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 ('s-Gravenhage, 1982); P.J. Oud, Honderd jaren. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840-1940. Bew. en... aangevuld door J. Bosmans. 9e dr. (Assen, 1987) passim.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Eric Koch; Collectie ANEFO; Beernink in april 1965]

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013