Bijvanck, Geertrudus Cornelis Willem (1848-1925)

 
English | Nederlands

BIJVANCK, Geertrudus Cornelis Willem (1848-1925)

Bijvanck, Geertrudus Cornelis Willem (bekend onder de naam W.G.C. Byvanck), bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek en litterator (Amsterdam 10-11-1848 - 's-Gravenhage 6-12-1925). Zoon van Gerard Marinus Bijvanck, geëmployeerde bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, en Henrietta Christina Fuhri. Gehuwd op 10-5-1883 met Clara Everharda Cramerus. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Bijvanck, Geertrudus Cornelis Willem

Byvanck volgde, na zijn eindexamen gymnasium te 's-Gravenhage, een studie in de oude talen te Leiden. Hij promoveerde in 1879 op een historisch onderwerp, Studia in Ti. Gracchi historiam. Hij was tijdens zijn studententijd huisleraar geweest en leraar aan de HBS te Leiden, in aardrijkskunde en geschiedenis. Na zijn promotie was hij tot 1889 leraar aan het Leidse gymnasium, waar hij ook Nederlands doceerde. Hij nam vrijwillig ontslag, ging van zijn pen leven en verbleef enige jaren in Parijs, waar hij zich zeer thuis voelde en intens met het Franse culturele leven in aanraking kwam; een zekere Franse elegance bleef hem levenslang bij. Per 1 april 1895 werd hij bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek, een functie die hij bekleedde tot 1 oktober 1921.

Naast zijn ambtelijke functies was hij zeer actief op literair gebied. Eerst medewerker van de periodiek Los en vast, van 1893 tot 1905 redacteur van De Gids en van 1911 tot 1925 medewerker aan De Nieuwe Courant. In deze bladen publiceerde hij veel litterair-historische, historische en politieke studies en commentaren. Van zijn grotere publikaties zijn vooral van belang: Poëzie en leven in de 19de eeuw (1888) en De jeugd van Isaäc da Costa (1894-1896, 2 dl.). Ook zijn leven in Parijs en zijn kennismaking met vele prominenten uit de contemporaine letterkunde, bijvoorbeeld Paul Verlaine, gaven aanleiding tot vele schetsen; zijn enorme belezenheid vond onder meer uiting in een Spécimen d'un essai critique sur les oeuvres de François Villon (1882). Enige bekendheid genoot ook Un Hollandais à Paris en 1891 (1892), waarvoor Anatole France zo vriendelijk was een woord vooraf te schrijven. Zijn liefde tot Frankrijk en de Franse cultuur stond niet in de weg dat hij ook vele andere landen bereisde; hij was een verwoed en intelligent reiziger.

Er zijn niet veel litterair-historische of geschiedkundige beschouwingen van Byvanck die men thans nog raadplegen moet wegens hun feitelijke inhoud; het meeste is, wat informatie betreft, wel achterhaald. Historiografisch interessant was zijn artikel over Robert Fruin in De Gids van 1899, waarin hij Fruin verweet een dorre realist te zijn geweest, die de artistieke beleving van de geschiedenis onmogelijk maakte, wat volgens hem vooral bleek uit Fruins afwijzing van schrijvers als Th.B. Macaulay en J.L. Motley. Fruins geschiedopvatting was volgens Byvanck steriel, en daardoor was zijn geschiedschrijving in feite mislukt. Hiermee maakte Byvanck een langdurige discussie los. Uiteindelijk moet worden geconstateerd dat Byvanck van Fruin weinig begrepen heeft en dat zijn Gids- artikel veel meer zegt over de auteur zelf dan over Fruin. Dergelijk oordeel kan men vellen over veel van zijn geschriften. Dat wil niet zeggen dat zijn werk ongelezen zou moeten blijven: wil men een indruk krijgen van hoe een zeer erudiete intellectueel omstreeks 1900 dacht, oordeelde en schreef, dan is Byvanck een uitstekende bron. De veelzijdigheid van deze laat-negentiende-eeuwer is bepaald de moeite waard. Een zeer druk bestaan, vooral in zijn Haagse tijd toen hij bibliothecaris was van de KB, deed op geen enkele wijze afbreuk aan zijn gezinsleven. Huis en werk hield hij gescheiden, en hoe onrustig zijn ambtelijk bestaan ook was, in het gezin heerste rust en harmonie; wat zulks betekende voor zijn kinderen heeft W. den Boer in het levensbericht van de oudste zoon, Alexander Willem, overtuigend aangetoond (Jb. KNAW 1971, 246-255).

Zijn eruditie was waarschijnlijk een van de redenen die hem in 1895 de functie van bibliothecaris van de KB bezorgden, want hij was de eerste die niet voortkwam uit de rangen van de KB zelf, maar een man 'van buiten', die zich overigens op vele terreinen waarop de KB zich richtte zeer goed thuis voelde: letterkunde van vele taalgebieden en geschiedenis. Gedurende 26 jaar heeft Byvanck de KB geleid. Vooral werd hij bezield door de gedachte dat de bibliotheek 'naar de mensen' gebracht moest worden, opengebroken naar een veel groter en gevarieerder publiek. Daaraan heeft hij geprobeerd te voldoen door het uitbrengen van gedrukte catalogi, door het organiseren van tentoonstellingen en door in het algemeen de collectie bekender en toegankelijker te maken. Zo verschenen o.a. in 1905 een catalogus over kunst, in 1910 die over de Goethe-verzameling, tussen 1918 en 1922 een catalogus in vijf delen over Franse taal- en letterkunde; W.P.C. Knuttel voltooide in 1920 zijn negendelige pamflettencatalogus. Tegelijkertijd kreeg de handschriftenverzameling een zeer sterke impuls; gekwalificeerde medewerkers werden aangetrokken, en veel geld - relatief te veel - werd aan de aankoop van manuscripten besteed. De KB, gevestigd aan het Lange Voorhout 34, nam tijdens zijn leiding zeer aanmerkelijk toe in personeel - opmerkelijk was de toetreding van een groot aantal vrouwen - en in ruimte, want belangrijke verbouwingen, zoals in de voormalige tuin, zijn het werk van Byvanck geweest. Byvancks leiding heeft ontegenzeggelijk veel voor de KB betekend; toch is, achteraf bezien, zijn beleid te zeer op persoonlijke belangstelling gebaseerd geweest.

Ook wreekte zich het feit dat Byvanck geen bibliothecaris was en gebrek aan vakkennis had en dat veel van zijn handelingen voorbijgingen aan de wezenlijke bedoelingen van een wetenschappelijke bibliotheek. Opvolgers verweten hem een onevenwichtig beleid, gevolg van een 'te fantastische geest' (L. Brummel, 750 Jaar Koninklijk Kabinet..., 120).

A: Minuten van door Byvanck geschreven brieven in de periode 1895-1921 in Archief-KB in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage. Correspondentie aan W.G.C. Byvanck in Universiteitsbibliotheek Leiden, BPL 2246.

P: A.J. de Mare, Lijst der geschriften van Dr. W.G.C. Byvanck 1874-1925 ('s-Gravenhage, 1926); Keur uit het ongebundelde werk van W.G.C. Byvanck (Zwolle, 1956).

L: Behalve F.J.W. Drion, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en levensberichten harer afgestorven medeleden 1926-1927, 62-85; L. Brummel, Geschiedenis der Koninklijke Bibliotheek (Leiden, 1939) 186-190: werk over Byvanck in Keur uit het ongebundelde werk van W.G.C. Byvanck. Ingel. en van aant. voorzien door J.J. Oversteegen (Zwolle, 1956) 245; L. Brummel, in 150 Jaar Koninklijk Kabinet van Schilderijen, Koninklijke Bibliotheek [en] Koninklijk Penningkabinet ('s-Gravenhage, 1967) 114-120; J.A. Gruys, 'De catalogus van de Koninklijke Bibliotheek in de negentiende eeuw: legende of epos?', in Opstellen over de Koninklijke Bibliotheek en andere studies [red. P.A. Tichelaar et al.] (Hilversum, 1986) 216-218.

I: Keur uit het ongebundelde werk van W.G.C. Byvanck. Ingel. en van aant. voorzien door J.J. Oversteegen (Zwolle, 1956) afbeelding tegenover titelblad.

F.W.N. Hugenholtz


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013