Blink, Hendrik (1852-1931)

 
English | Nederlands

BLINK, Hendrik (1852-1931)

Blink, Hendrik, geograaf (De Wijk (Dr) 12-2-1852 - 's-Gravenhage 26-12-1931). Zoon van Jan Blink, landbouwer en smid, en Klaasje (Hendriks) Westenbrink. Gehuwd op 13-5-1887 met Aleida Lubberink. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Blink, Hendrik

Voorbestemd om zijn vaders bedrijf voort te zetten, moest Blink na de lagere school overdag op de boerderij en 's avonds in de smidse werken. Hij zou eerst na zijn meerderjarigheid de vrijheid vinden verder onderwijs te volgen. In de tussenliggende jaren heeft hij echter hardnekkig alle vrije uren met zelfstudie gevuld en zijn de meeste van zijn latere wetenschappelijke voorliefdes en maatschappelijke opvattingen ontwaakt. Naast de literatuur waarop hij beslag kon leggen heeft ook de observatie van de omgeving waarin hij opgroeide bij de jonge Blink blijvende belangstelling gewekt voor geografische factoren en economische omstandigheden. Hij is toen tevens doordrongen van het belang van bijdetijds voortgezet onderwijs en breed volksontwikkelingswerk.

Blink had aanvankelijk zijn zinnen gezet op de theologiestudie, maar moest zich vergenoegen met de onderwijzersopleiding (1873- 1877). Hij heeft inderdaad het lager onderwijs gediend te Meppel en Arnhem (1875 - 1879). Hierna is hij leraar geweest aan de HBS te Harlingen en Rotterdam (1879- 1884). Hij heeft niet minder dan vier MO-akten behaald, t.w. voor aardrijkskunde (1878), staathuishoudkunde en staatsinrichting (1880) en geschiedenis (1884). Het vak dat hem het meest boeide was de aardrijkskunde. Dit leidde ertoe dat hij - in Nederland zelf kon hij zonder academische titel niet promoveren - , na een kort verblijf aan de Sorbonne te Parijs, in 1887 te Straatsburg gepromoveerd is tot doctor in de geografie op een proefschrift over Wind- und Meeresströmungen im Gebiet der kleinen Sunda-Inseln (Stuttgart, 1887).

Afgezien van het directeurschap van de kortstondige HBS van Nieuwer-Amstel (1894-1897), zou Blink niet weer een werkkring in het voortgezet onderwijs begeren. Wat hij wel op zijn weg zag liggen was degelijke en bevattelijke school- en handboeken te schrijven. Hij heeft hiermede belangrijke bijdragen geleverd tot de vernieuwing van het aardrijkskundeonderwijs. Daarnaast is hij gaarne opgetreden als opleider en examinator voor de MO-akte aardrijkskunde. Hij zou overigens tot zijn dood ijveren voor de universitaire opleiding van leraren.

Ging zijn belangstelling aanvankelijk overwegend uit naar de fysische geografie, later heeft hij zich hoofdzakelijk op de economische geografie gericht. Hij heeft zich daarbij sterk geconcentreerd op haar actuele praktische toepassingsmogelijkheden, vooral in door hem voorgestane beroepsopleidingen voor verschillende functies bij de overheid en in het bedrijfsleven. In verband hiermede heeft hij herhaaldelijk gepleit voor doelmatige landbouw-, nijverheids- en handelsstatistieken. Hij kan gelden als een van de grondleggers van de Economische Voorlichtingsdienst. Afgezien van zijn privaatdocentschap in de aardrijkskunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden (1900-1913) en zijn docentschap aan de Hoogere Krijgsschool te 's-Gravenhage (1910-1914), hebben zijn wetenschappelijke inzichten erkenning gevonden door zijn benoemingen tot leraar aan de Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool en na 1918 buitengewoon hoogleraar aan de Landbouwhoogeschool te Wageningen (1906-1923) en buitengewoon lector aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam (1913-1923), alle in de economische geografie.

Blink is hiernaast op vele terreinen actief geweest, waarbij hij niet alleen een verbluffende werkkracht maar ook een sterke eigenzinnigheid aan de dag heeft gelegd. Zoals het hem niet lag in het gareel van een school te lopen, zo heeft hij na zijn vestiging in Den Haag (1899) niet een voltijdse departementale betrekking willen aanvaarden. Hoe gaarne hij in staatkundige zaken positie koos (zoals voor de Boeren in Zuid-Afrika), kon hij zich niet blijvend naar een politieke partij voegen (hij was in Nieuwer-Amstel van 1891 tot 1894 voor de liberalen gemeenteraadslid). Het moest vroeg of laat ook tot een breuk komen met zijn vakgenoten in het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, eerst in de redactie van het Tijdschrift... en later tevens in het bestuur (1908).

Blink heeft, om zijn wetenschappelijke voorliefdes en maatschappelijke opvattingen geheel naar eigen inzicht te kunnen verbreiden, zelfs tweemaal een tijdschrift opgericht, welke periodieken hij jarenlang zelf grotendeels heeft volgeschreven. Het eerste was Vragen van den Dag, een populair-wetenschappelijk tijdschrift, in 1886 gesticht als een vorm van 'university extension' of volksontwikkelingswerk. Hij is er 46 jaar lang redacteur van gebleven, in het begin bijgestaan door zijn encyclopedistische voorbeeld Antony Winkler Prins (1817-1909). Het andere is het Tijdschrift voor Economische Geographie, dat in 1910 voor het eerst is uitgekomen. De oprichting van dit tijdschrift is sterk ingegeven door dépit: Blink voelde zich wetenschappelijk miskend en persoonlijk gekrenkt, vooral toen hij bij de hoogleraarsbenoemingen in Amsterdam (1907) en Utrecht (1908)-waarop medebestuursleden van het Aardrijkskundig Genootschap grote invloed hadden uitgeoefend - gepasseerd was. Intussen lijdt het geen twijfel dat dit tijdschrift, waarvan Blink 20 jaar redacteur is geweest, de belangrijkste bijdrage uitmaakt die hij aan de geografische wetenschap heeft nagelaten. Het bestaat nog (tegenwoordig als Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie) en is niet slechts het oudste orgaan van deze aard ter wereld maar heeft ook internationaal groot aanzien verworven. Het illustreert treffend dat Blinks wetenschappelijke betekenis vooral gelegen is in zijn optreden als wegbereider. Een zekere originaliteit valt hem niet te ontzeggen: hij heeft eerder dan anderen, ook in het buitenland, oog gehad voor nieuwe ontwikkelingen. Hierbij moet wel een uitzondering worden gemaakt voor het belang van de sociologie voor de geografie.

Blink is van alle Nederlandse geografen de vruchtbaarste auteur geweest. Hij heeft zelf niet zonder voldoening getuigd de meeste tijd grotendeels uit zijn inktpot te hebben geleefd. Hem is bij zijn leven veel eerbetoon te beurt gevallen, zij het weinig van de zijde van zijn toenmaals meest gezaghebbende vakgenoten. Dezen stelden diepgang boven breedte, onderzoek boven compilatie, en theorie boven praktijk. De rake kenschets van J.C. Ramaer dat hij vlug én vluchtig was, doet er niets aan af dat Blink in Nederland als 'de vader', en in omliggende landen als 'één van de vaders', van de economische geografie in ere wordt gehouden.

A: Oud-Archief van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap in het Rijksarchief te Utrecht.

P: Behalve bibliografie tot 1905 in W.C. Muller, Algemeen register op Vragen van den Dag 1886-1905 (Amsterdam, 1906) en tot 1934 in Tijdschrift voor Economische Geographie 13 (1922) 207-212 en 25 (1934) 369-418: Een tijds- en levensbeeld (Den Haag, 1932) postuum gepubliceerde autobiografie.

L: Herdenkingsartikelen in Tijdschrift voor Economische Geographie 13 (1922) 47-48 en 71 -80 en 23 (1932) 1 -3; J.C. Ramaer, in Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1931-1932, 120-127; M.W. Heslinga, 'Anton Albert Beekman en de vaderlandse aardrijkskunde in het laatst van de negentiende eeuw', in Geografisch Tijdschrift NR 11 (1977) 324-338.

I: Website 't Olde Karspel: periodiek van de Historische Vereniging De Wijk, Koekange: http://www.webringreestdal.nl/dewijk/blink.html [24-1-2008].

M.W. Heslinga


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013