Bordewijk, Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emil (1884-1965)

 
English | Nederlands

BORDEWIJK, Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emil (1884-1965)

Bordewijk, Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emil (voornaamswijziging in Ferdinand bij beschikking Arr. Rb. 's-Gravenhage van 13-3-1919), advocaat en schrijver (Amsterdam 10-10-1884 - 's-Gravenhage 28-4-1965). Zoon van Hendrik Ferdinand Bordewijk, directeur van een spaarbank, referendaris bij het departement van Waterstaat, en Johanna Wilhelmina Apolonia van Bijlevelt. Gehuwd op 1-8-1914 met Johanna Suzanna Hendrina Roepman, componiste. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Bordewijk, Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emil

Bordewijk volgde aanvankelijk lager onderwijs in Amsterdam en sinds 1894 in Den Haag, waarheen het gezin verhuisd was; daar doorliep hij ook het gymnasium aan het Hoge Westeinde. In 1905 ging hij rechten studeren in Leiden alwaar hij in 1912 op stellingen promoveerde. Daarna werkte hij een jaar op het archief van een levensverzekeringsmaatschappij in Den Haag. In 1913 volgden de beëdiging als advocaat en de aanvaarding van een junior-positie op een advocatenkantoor op de Boompjes 11 te Rotterdam. In hetzelfde jaar werd hij juridisch adviseur van de gemeente Schiedam en van 1918 tot 1920 was hij tevens leraar handelsrecht aan de Handelsschool aan het Van Alkemadeplein te Rotterdam. Vanaf 1919, het jaar waarin hij vijf van zijn zes voornamen uit het bevolkingsregister liet schrappen, tot aan zijn dood is Bordewijk zelfstandig advocaat in Schiedam geweest. Op enkele maanden te Leiden na, nadat zijn huis bij het bombardement op het Bezuidenhoutkwartier van Den Haag in het voorjaar van 1945 verwoest was, heeft hij altijd in Den Haag of Scheveningen gewoond. Na de oorlog was hij voorzitter van het zuiveringscollege, de ereraad voor letterkundigen.

Van Bordewijks privé-leven is weinig bekend. Hij zag zichzelf als iemand die van beroep advocaat was en in zijn vrije tijd boeken schreef. Met schrijvers-tijdgenoten heeft hij sporadisch contact gehad en zij die hem gekend hebben, bestempelden hem als zeer formeel. Op zijn jongere collega in de letterkunde W.F. Hermans maakte hij de indruk hautain te zijn. In ieder geval was hij gesloten en afstandelijk en had hij niets van een artiest. Niet dan na de gespreksstof streng afgebakend te hebben, liet hij zich, een hoogst enkele maal, interviewen, waarbij hij beslist-afwerend reageerde op vragen over zijn privé-leven en over zichzelf sprak als over 'de schrijver Bordewijk'. Volgens zijn dochter kwamen in huiselijke kring levensbeschouwelijke zaken nooit ter tafel. Hij had de stijl van een patriciër, een intellectueel, was een haast preuts man, wars van vulgariteiten. Simon Vestdijk merkte op dat Bordewijk dan wel de eerste Nederlander geweest mag zijn die een bordeel tot plaats van handeling voor een roman koos (Rood paleis, 1936), maar dat er geen onvertogen woord of situatie in voorkomt.

Mensen uit zijn advocatenpraktijk zei hij nooit gebruikt te hebben in zijn romans, en situaties slechts onherkenbaar omgevormd; anderzijds zijn huizen en gebouwen waarin deze randstadschrijver gewoond en gewerkt heeft, herkenbaar. Zo heeft hij Singel 198 te Amsterdam, waar hij zijn vroege jeugd doorbracht, beschreven in het verhaal 'Keizerrijk' (in De wingerdrank, 1937). Voor het schoolgebouw waarin Bint (1934) speelt, heeft de Handelsschool, en voor het advocatenkantoor in Karakter (1938) heeft de Boompjes 11, beide te Rotterdam, model gestaan. Hoewel hij zichzelf noch enige persoonlijke problematiek in zijn werk verbeeld zei te hebben, is er meermalen op gewezen dat de schrijver Ewijk uit Apollyon (1941), de fin-de-siècle filosoof Leroy uit Rood paleis en ten slotte de gepensioneerde raadsheer Braam Bouwens uit Tijding van ver (1961) gelijkenissen vertonen met de persoon, advocaat en schrijver Ferdinand Bordewijk. Het feit dat hij compositieschema's voor zijn romans maakte, omdat men romans behoort te schrijven, zoals men een gebouw zet of een schip timmert, naar een bestek, is typerend voor zijn werkwijze en voor zijn persoon. Hij was ook van mening dat een schrijver voor zijn romans geen gemakkelijke oplossingen mag aandragen: 'die moet de lezer zelf vinden, fantaseren. In deze richting moet het publiek worden opgevoed.'

Voor niet serieus werk gebruikte Bordewijk het pseudoniem Ton Ven (naar het Tonven in Oisterwijk), bijvoorbeeld voor zijn onopgemerkt debuut Paddestoelen (gedichten, 1916), en in de jaren zestig nog enkele malen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen van hem illegaal een novelle over Schiedam, Verbrande Erven (1944), onder het pseudoniem Emile Mandeau.

In 1919, 1923 en 1924 zagen drie bundels Fantastische vertellingen, die evenmin als zijn debuut veel opzien baarden, het licht. De kritiek zag in hem een epigoon van E.A. Poe en E.T.A. Hoffmann, waar, bij nadere beschouwing, nauwelijks gronden voor zijn. Pierre H. Dubois wijst er terecht op dat men bij Bordewijk niet vindt 'de spookachtige wereld van vampiers, misdaad, terreur, erfelijke vloek, zoals ze met sommige verhalen van Hoffmann worden geassocieerd (slechts ten dele terecht), en evenmin de 'metafysische' perspectieven, de buitenaardse angst en terreur, zo karakteristiek voor sommige van Poe's gruwelverhalen'. Eigen aan Bordewijk is het 'in beschrijvingen oproepen van het gruwelijk-hallucinerende door vertekening van het natuurbeeld, of van expressionistische verwrongenheid door vertekening van het gewone'. Gebiologeerd door het macabere, weet Bordewijk op onnavolgbare wijze sferen op te roepen. Hij kiest feilloos details, het oog, het gebit, het haar, de manier van bewegen, die hij vervolgens overbelicht, waardoor mensen monsters kunnen worden, toonbeelden van degeneratie, verval en aftakeling. Zijn gevoel voor architectuur doet hem decors scheppen waarin de lezer moeiteloos de vervreemdende gebeurtenissen ziet plaatsvinden. Door Bordewijks eigenaardige belichting en disproportionele aandacht voor details waant men zich in een surrealistische wereld. Een wereld waarmee Bordewijk zich vertrouwd voelde. Hij bewonderde Carel Willinks schilderijen en heeft daarover verhalen geschreven. Associaties met Jeroen Bosch' gedrochten, zo veelvuldig bij critici opgeroepen, zijn even ongegrond als die met de vampiers van Hoffmann.

Hoe nuchter en intellectualistisch Bordewijk als persoon ook geweest moge zijn, in zijn verhalen leeft hij op gedisciplineerde wijze een ongebreidelde fantasie uit, waarin 'sporen van sadisme', van 'ontzag voor de wrede en perfekte misdaad, voor de onmenselijke tucht' onmiskenbaar aanwezig zijn. 'Maar', zo voegt hij aan deze betekenis toe, 'ik objektiveer dat bij verder schrijven steeds'.

Kiemen van deze kenmerken zijn er in Fantastische vertellingen, een genre waarvoor hij altijd genegenheid behouden heeft. Bekendheid kreeg hij pas toen kort na elkaar bij Uitgeverij De Gemeenschap Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint verschenen. Maatschappelijke verschijnselen van de jaren dertig zijn daarin tot in het absurde toe doorgedacht en dóórverbeeld. Velen hebben te weinig de fijne humor en de subtiele aanwijzingen begrepen, waardoor Bordewijk op grond van Blokken een voorliefde voor een communistische heilstaat, en op grond van Bint nationaal-socialistische sympathieën verweten werden. Tegen dit laatste vooral is hij ironisch, maar krachtig in het geweer gekomen (De Gemeenschap. Maandschrift voor katholieke reconstructie 11 (1935) 885-889).

Naar aanleiding van dezelfde boeken werd Bordewijk het etiket 'nieuwe zakelijkheid' opgeplakt. Het is Vestdijk geweest die dit losgeweekt heeft. Hij acht dit aspect, evenals het zg. abstracte en ijskoude in Bordewijks werk, sterk overschat. Hij acht Bordewijk in wezen een romanticus die met zijn verbeeldingskracht de alledaagse realiteit omvormt, wiens stijl niet bondig en staccato is omwille van dé nieuwe zakelijkheid, maar vanwege de evocatieve kracht ervan. Bordewijks subtiele, soms morbide humor is evenzeer kenmerkend voor de romanticus. Vestdijk noemt reeds in 1949 die romans van Bordewijk 'goed' die scherp beeldend, geconcentreerd-plastisch, grotesk-fantastisch zijn; romans ook waarin hiërarchische verhoudingen van despotisch karakter en meedogenloze autoriteit een rol spelen en waarin erotiek als het ware gekarikaturiseerd wordt: Bint, Rood paleis, Karakter. Men kan daaraan toevoegen: Noorderlicht (1948). Duidelijk minder vallen bij Vestdijk in de smaak de episch-realistische, breder opgezette, meer betogende romans, zonder hiërarchische machtsverhoudingen, waarin menselijke relaties en liefde enig gewicht hebben (t.a.v. dit laatste spreekt Vestdijk van 'gesublimeerde infantiliteit'): Apollyon, Eiken van Dodona (1946), in welke reeks ook De doopvont (1952) past. Bordewijks eigen voorkeur, aan het einde van zijn leven, loopt nagenoeg parallel met Vestdijks analyse.

Evenals aanknopingspunten met de surrealistische schilderkunst, zijn er overeenkomsten met de magisch-realistische literatuur, tenminste wanneer men daaronder verstaat 'een realistische vertelwijze en beschrijvingstechniek die door middel van een ietwat vervreemdende weergave de suggestie wekt dat zich in het waargenomene iets onbeschrijfelijks verbergt, een bovennatuurlijke geladenheid die altijd dreigend is, die te maken heeft met vergankelijkheid en vernietiging' (W. Bronzwaer, 422). Bij deze definitie sluiten ook Bordewijks thema's aan. Zelf noemt hij 'de mens als paar': beantwoordt de mens op een of andere manier niet aan zijn complementair zijn, dan is hij gedoemd tot mislukking, vervreemding en lijden. Bovendien is de mens een uiterst complex wezen, dat, wanneer een bepaald aspect de bovenhand krijgt, uit zijn evenwicht raakt en uiteindelijk tot monster wordt; 'een ondeugd of een overdrijving van een deugd, ofschoon niet zonder een zekere indrukwekkendheid, voert uiteindelijk naar de ondergang.' Van de angst voor de ondergang, voor de chaos, voor de opstand der horden en de vernietigingsdrift van de massa is Bordewijks werk een onovertroffen evocatie.

Geleidelijk aan is men de specifieke waarde van het werk van deze eenling gaan beseffen. In 1953 werd hem de P.C. Hooftprijs, in 1957 de Constantijn-Huygensprijs uitgereikt. Den Haag en Schiedam hebben hem de erepenning van de stad toegekend.

P: Van het Verzameld werk van Bordewijk [red. Pierre H. Dubois en Harry Schölten] ('s-Gravenhage, 1982 -), zijn 9 van de 11 delen verschenen; in deze uitgave wordt ook zijn Kritisch proza opgenomen. Bibliografie in onder L genoemd Kritisch Lexicon...

L: Victor E. van Vriesland, F. Bordewijk. Een inleiding tot en keuze uit zijn werk ('s-Gravenhage, 1949); idem. Onderzoek en vertoog. Verzameld critisch en essayistisch proza (Amsterdam, 1958) I 464-483; S. Vestdijk, Muiterij tegen het etmaal 3e dr. (Den Haag, 1966) 39-54 over verschillende boeken van Bordewijk; Pierre H. Dubois, Over F. Bordewijk. Een karakteristiek van zijn schrijversarbeid (Rotterdam [etc.], 1953); idem. Mettertijd (Amsterdam, 1971) 49-77; H. Anten, 'F. Bordewijk', in Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur na 1945 (Alphen a/d Rijn [etc.], 1980-); W. Bronzwaer, 'Bordewijks 'Noorderlicht", in Tirade 25 (1981) II, 419 - 442; Harry Scholten, 'Over de strekking van de roman "Bint" van F. Bordewijk', in Bzzlletin 10 (1982) 96 (mei) 44-48. Beide laatste artikelen hebben een wijdere strekking dan genoemde romans. Over F. Bordewijk. Een inleiding en een chronologie, geschreven portretten, essays en meningen ('s-Gravenhage, 1982); Nol Gregoor, Gesprekken met F. Bordewijk ('s-Gravenhage, 1983) [radio-interviews voor AVRO-radio uit 1962].

I: Michel Dupuis, Ferdinand Bordewijk (Nijmegen etc. 1980) afbeelding tegenover pagina 16.

P.E. van der Heijden-Rogier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013