Bosmans, Henriƫtte Hilda (1895-1952)

 
English | Nederlands

BOSMANS, Henriëtte Hilda (1895-1952)

Bosmans, Henriëtte Hilda, componiste en pianiste (Amsterdam 6-12-1895 - Amsterdam 2-7-1952). Dochter van Hendrik Nicolaas Bosmans, cellist, en Sara Benedicts, pianiste. afbeelding van Bosmans, Henriëtte Hilda

Acht maanden na de geboorte van Henriëtte Bosmans overleed op 40-jarige leeftijd haar vader, die als cellist een grote bekendheid genoot. Haar moeder, pianodocente aan het Amsterdamse conservatorium, was hierdoor genoodzaakt alleen in het onderhoud te voorzien. Om deze reden was Henriëtte, na het doorlopen van de school, voor haar verdere muzikale opleiding voornamelijk aangewezen op privé-onderwijs van haar moeder. Zo slaagde zij erin, in 1913 het pianodiploma van de Maatschappij tot bevordering der toonkunst te behalen. Voor haar muzikale vorming was het voorts van belang dat zij door de contacten van haar moeder regelmatig met bekende Nederlandse en buitenlandse musici in aanraking kwam. In 1915 debuteerde zij als soliste met het Utrechtsch Stedelijk Orchest o.l.v. Wouter Hutschenruyter.

Uit deze jaren stammen ook de eerste composities van Henriëtte Bosmans, nadat zij in Amsterdam haar eerste lessen op muziektheoretisch gebied van J.W. Kersbergen, docent aan de muziekschool, had ontvangen. Met de 6 Préludes (1918) voor piano trad zij in 1918 voor het eerst in het Amsterdamse Concertgebouw als componiste in de openbaarheid. In de daaropvolgende jaren gingen haar loopbaan als pianiste en de ontwikkeling als componiste hand in hand. In 1922 aanvaardde zij een betrekking als lerares aan de Amsterdamse muziekschool. Als soliste kreeg zij de kans regelmatig bij de Nederlandse orkesten op te treden. Een geliefd repertoirestuk van haar was de Burleske van R. Strauss. Daarnaast gaf zij solorecitals en kamermuziekuitvoeringen, o.a. met de aan het Concertgebouworkest verbonden cellist Marix Loevensohn. Deze geziene musicus werd ook een pleitbezorger voor haar composities en gaf o.a. de eerste uitvoering van de cellosonate, het eerste celloconcert en een Poème (1926) voor cello en orkest. Met haar celloconcert (1922) had Henriëtte Bosmans ook voor het eerst het terrein van composities voor orkest betreden - voor dit doel had zij instrumentatielessen bij Cornelis Dopper gevolgd. Frieda Belinfante voerde in 1924 het tweede celloconcert uit.

Na deze eerste periode van componeren, die grotendeels op de laat-romantische stijl was gericht, zocht zij bewust aansluiting bij de eigentijdse muziek. Hoewel zij in 1920/1921 Arnold Schönbergs compositiecursus in Amsterdam had gevolgd, ging haar belangstelling niet naar zijn twaalftoons-systeem uit. In Willem Pijper vond zij de geschikte persoon om haar creativiteit een nieuw richtsnoer te geven. Van 1927 tot 1929 stelde zij zich onder zijn leiding. Een vrucht van haar vernieuwde stijl, die zich door een fellere ritmiek en een bondiger schrijfwijze onderscheidde, was het Concertino voor piano en orkest (1928). Met dit werk dat zij zelf in 1929 in Amsterdam ten doop hield, trok zij in hetzelfde jaar ook de aandacht op het zevende festival van de International Society for Contemporary Music in Genève. Ook het Concertstuk voor fluit en kamerorkest (1929) werd gunstig ontvangen. In 1934 componeerde zij een Concertstuk voor viool en orkest. Het was geschreven voor de violist Francis Koene, met wie zij zich verloofd had. Samen met hem en het Concertgebouworkest verzorgde zij nog de Nederlandse première van Alban Bergs Kammerkonzert. Koenes vroegtijdig overlijden (1935) maakte een einde aan deze verbintenis.

De genoemde composities droegen ertoe bij dat Bosmans steeds meer bekendheid kreeg. Terwijl echter het componeren in de volgende jaren tijdelijk op de achtergrond geraakte, groeide toen haar concertpraktijk. In de oorlogsjaren heeft Bosmans (zij was half-joodse) haar openbare muzikale activiteiten gestaakt. Nadat zij in 1947 een regeringsopdracht voor het schrijven van een aantal liederen had gekregen, trok dit genre nu haar bijzondere aandacht. Mede door de hechte samenwerking met de Parijse zangeres Noëmie Perugia ontstonden ruim 20 liederen op Franse teksten, o.a. van Paul Fort en Jacques Prévert. Na het overlijden in 1949 van haar moeder, die zij de laatste jaren had verzorgd, werd Bosmans zelf ernstig ziek. Dit belette haar evenwel niet het geven van concerten nog tot maart 1952 voort te zetten.

Haar oeuvre is niet omvangrijk en kan duidelijk in een laat-romantische en een meer modernistische periode worden onderverdeeld, maar vormt toch een opmerkelijke eenheid, waarin directe zeggingskracht en een ernstige ondertoon tot de opvallendste kenmerken behoren. Haar onafhankelijke instelling bracht met zich dat zij geen compositieleerlingen heeft gehad.

A: Archief-H.H. Bosmans in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Behalve de reeds genoemde werken: oeuvrecatalogus in onder L genoemde publikatie van E. Looyestijn, 158- 162; voorts artikelen, o.a. 'Benjamin Britten', in Mens en Melodie 3 (1948) 173 - 175; 'Iets over optreden', ibidem. 331 - 332.

L: 'Henriëtte Bosmans', in De Hollandsche Revue 27 (1922) 678-680; 'De soliste van de week. Henriëtte Bosmans', in Algemeen Handelsblad, av. 24-2-1932; W. Paap, 'Henriëtte Bosmans', in Mens en Melodie 2 (1947) 72 - 76; N. van der Elst, 'Henriëtte Bosmans als liederencomponiste', ibidem, 1 (1952) 173 - 175; M. Vermeulen, 'Uitvaart van Henriëtte Bosmans', in De Groene Amsterdammer, 12-7-1952; E. Looyestijn, Een Nederlandse vrouw en haar muziek: Henriëtte Hilda Bosmans (1895 - 1952) (Utrecht, 1982). Aanwezig in bibliotheek Haags Gemeentemuseum; Ad 's-Gravesande en Sieuwert Verster, 'Henriëtte Bosmans, componiste', in VPRO-gids, 10 t/m 16 dec. 1983, Helen Metzelaar, 'Zonder muziek is het leven onnodig'. Henriëtte Bosmans (1895-1952), een biografie (Zutphen 2002).

I: Zes vrouwelijke componisten. Onder red. van Helen Metzelaar [e.a.] (Zutphen, 1991) 129.

C. von Gleich


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013