Brolsma, Reinder (1882-1953)

 
English | Nederlands

BROLSMA, Reinder (1882-1953)

Brolsma, Reinder, Fries schrijver en journalist (Stiens, gem. Leeuwarderadeel 23-5-1882 - Goutum, gem. Leeuwarden 20-11-1953). Zoon van Uilke Brolsma, notarisklerk, en Jantje Timmerman. Gehuwd op 5-3-1910 met Janke Westerbaan. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Brolsma, Reinder

Als jongste in een gezin van acht kinderen ging Brolsma na zijn lagere schooltijd naar de ambachtsschool in Leeuwarden. Op zijn zestiende werd hij schildersknecht. Al vroeg kwam hij in aanraking met de Friese literatuur door het werk van de gebroeders Halbertsma en van Waling Dijkstra. In de weinige vrije avonden en in de wintertijd, waarin er voor een huisschilder niet veel te doen viel, begon de ambitieuze jongeman met het schrijven van Friese verhalen, waarvoor hij de stof meestal ontleende aan zijn eigen ervaringen onderweg als schilder.

In 1903 gelukte het hem voor het eerst een van deze pennevruchten gepubliceerd te krijgen in het weekblad van Waling Dijkstra, Sljucht en Rjucht. Dit vroege werk kan als onbetekenend oefenwerk beschouwd worden. Pas geleidelijk aan zou de zichzelf ontwikkelende dorpsjongen erin slagen een eigen stijl te ontwikkelen en een literair peil te bereiken dat duidelijk uitstak boven dat van de meesten van zijn tijdgenoten en voorgangers.

Hij trouwde in 1910 en vestigde zich als huisschilder in Lichtaard, een van de Vlieterpen, een streek die hij later in verschillende van zijn werken zou beschrijven. Vandaar verhuisde hij naar Akkrum en in 1919 vestigde hij zich in Leeuwarden.

Hij schreef in die jaren verschillende korte verhalen voor Sljucht en Rjucht, die gekenmerkt worden door een vriendelijke humor. Een positieve bespreking van zijn werk door Douwe Kalma, de leider van de Jongfriese Beweging, in de Leeuwarder Courant op 18 maart 1916, heeft Brolsma sterk gestimuleerd. Hij sloot zich eind 1915 bij deze beweging aan en kreeg daardoor de gelegenheid te publiceren in de Jongfriese bladen Frisia, De Nije Mienskip, It Heitelân en Us Wurk. In 1923 bracht de door Kalma opgerichte Fryske Bibleteek voor het eerst een van zijn verhalen in boekvorm uit, It Forgift, een drankbestrijdersverhaal. Toch zou hij zich niet geheel met de Jongfriezen vereenzelvigen. In de felle onderlinge strijd die tot de jaren dertig de Friese schrijverswereld verdeeld zou houden bleef Brolsma steeds een middenpositie innemen. Zo werkte hij mee aan het tijdschrift De Holder (1926- 1929), waarin Kalma geen plaats werd geboden.

Hij publiceerde vanaf 1921 ten dele in het Nederlands in de Leeuwarder Courant, en sinds 1926 in het Nieuwsblad van Friesland en het Leeuwarder Nieuwsblad. Vanaf oktober 1927 kreeg hij in de laatste krant de beschikking over de vaste rubriek 'Gesprekken op de Brug'. Het wonen in de grote stad bracht een verruiming van blikveld, waardoor hij naast zijn vele dorpstypen ook alle mogelijke figuren van de stad kon introduceren. Naast landarbeiders en boeren doken nu kleine scharrelaars, zwervers en achterbuurtbewoners in zijn verhalen op. In zijn wekelijkse rubriek maakte hij geen gebruik van het Fries, maar geheel consequent van het Leeuwarder stadsdialect. Daarnaast maakte hij in het Nederlands reportages voor de krant onder meer van rechtbankzittingen.

Door al dit werk voor krant en uitgever kon Brolsma ten slotte het schilderwerk er helemaal aan geven om voortaan van zijn pen te leven. Hij had zich ondertussen ook aan groter werk gewaagd. In 1926 verscheen zijn eerste roman, It Heechhôf (l926). Het centrale thema van dit boek is de strijd van de hoofdfiguur om zich als boer te handhaven. De compositie van zijn romans is over het algemeen vrij zwak. Tot het scheppen van een echte intrige of van sterk dramatische gebeurtenissen of conflicten bleek hij niet in staat. Van enige psychologische diepgang is bij hem geen sprake. Wel kon hij raak typeren. Feitelijk bestaan de meeste van zijn romans uit een reeks min of meer los verbonden korte verhalen. Pijnlijk blijkt zijn tekort aan compositorische visie uit de beide vervolgen op zijn eersteling, It Aldlân (1938) en Richt (Sneek, 1947). Van dit euvel is veel minder sprake bij zijn beide beste romans. Sate Humalda (1934. 3 dl. in 1 bd.) en Groun en Minsken (1940).

In It Aldlân, dat weer de ondergang en opkomst van een stugge boer tot onderwerp heeft, worden de klassentegenstellingen tussen boeren, grootgrondbezitters en arbeiders getypeerd vanuit het boerenstandpunt. De hoofdpersoon sluit zich ten slotte aan bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, maar het is niet van harte, want boeren en arbeiders blijven toch elkaars tegenpolen. In deze tweespalt komt iets naar voren van Brolsma's eigen ambivalente houding tegenover het boerenleven. Hij bewondert de boer als worstelaar met de eeuwige natuur, die hem zelden goedgezind is. Toch voelt hij zich ook verwant met de landarbeiders en de straatventers. In zijn meest pessimistische roman, Groun en Minsken, verliest de mens vrijwel al zijn menselijke trekken om gelijk te worden aan de wrede natuur. Alles moet aan het boerenwerk worden opgeofferd, vrouw en kinderen, ieder uitzicht op geluk en menselijkheid. In zijn verhalen is Brolsma over het algemeen milder van toon, al doet hij zich ook hierin kennen als een man zonder veel illusies over zijn medemensen.

Brolsma's grote behoefte aan succes en erkenning speelde hem tijdens de Tweede Wereldoorlog parten. De meesten van zijn literaire vrienden koesterden bovendien reeds vóór het uitbreken van de oorlog fascistische sympathieën. Het werk van Brolsma zelf vertoonde op bepaalde punten overeenkomsten met de Duitse Blut-und-Boden-literatuur, waarbij vooral te denken valt aan de verheerlijking van de boerenstand en aan een van tijd tot tijd opduikend antisemitisme. In 1941 werd hij lid van de Fryske Rie fen Saxo-Frisia, een aan de Nederlandse SS gelieerde organisatie, en ook vanaf dat zelfde jaar publiceerde hij in de pro-Duitse bladen It Fryske Folk, Het Noorderland en in 1943 in Hamer. Hij bleef als journalist werkzaam, vanaf 1942 bij de onder Duitse druk tot standgekomen Friesche Courant. Voor de radio werden hoorspelbewerkingen van enkele van zijn romans ten gehore gebracht. Op 11 oktober 1941 ontving hij de Harmen Sytstra-prijs (1000,-) vanwege het departement voor Volksvoorlichting en Kunsten.

De hoogste eer leek bereikt, maar net als in veel van zijn eigen verhalen kwam daarna de diepe val. Na de bevrijding werd Brolsma door de Eereraad voor de Letterkunde een publikatieverbod opgelegd van een jaar; in het kader van de bijzondere rechtspleging stelde de procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te Leeuwarden op 12 juli 1948 Brolsma onvoorwaardelijk buiten vervolging met de bepaling dat hij gedurende een proeftijd van drie jaar aan enige voorwaarden diende te voldoen. Altijd al vrij somber van aard herstelde hij zich psychisch niet meer van deze nederlaag, ook al behield hij de waardering van zijn lezerspubliek. Zo beleefde hij nog de verschijning van twee verzamelbundels en kreeg hij de kans te publiceren in het belangrijkste naoorlogse Friese tijdschrift De Tsjerne. In 1953 kwam hij vermoedelijk door zelfmoord om het leven. Als de eerste Friese romancier met een geregelde produktie is hij voor het gebruik van het Fries als literaire taal van grote betekenis geweest.

A: Handschriften en brieven op het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum te Leeuwarden.

P: Catalogus der Friesche taal- en letterkunde en overige Friesche geschriften in de Provinciale bibliotheek van Friesland [door G.A. Wumkes] (Leeuwarden, 1941). Behalve de in de tekst genoemde werken moeten hier nog vermeld worden: Ypeus (Sneek, 1942); Sa seach ik Fryslan. Forhalen en sketsen. Ynliedend wurd fan D. Kalma (Drachten, 1951; 2e dr. 1962); Folk fan Fryslan. Obe Palma. Sketsen (Drachten, 1952); Bylâns de wei. Avonturen ut it swalkerslibben (Leeuwarden, 1973).

L: D. Kalma, De Fryske Skriftekennisse fen 1897-1925 (Dokkum, 1928) I, 14, 48-49; J.J. Hof, Fjirtich jier taelstriid (Dokkum, 1942) IV, passim; Anne Wadman, Kritysk konfoai. Essay's (Drachten, 1951) 72-81; J. Piebenga, Koarte skiednis [fen] de Fryske skriftekennisse (Drachten, 1939; 2edr. 1957) 2l4-218; K.Dykstra, Lyts hânboek fan de Fryske literatuer (Leeuwarden, [1977]) 68-71; T. Riemersma, It koarte forhael yn'e Fryske literatuer fan de tweintichste ieu (Leeuwarden, 1977) 39 - 46; G.R. Zondergeld, De Friese Beweging in het tijdvak der beide wereldoorlogen (Leeuwarden, 1978) passim; D.A. Tamminga, Fan hearren en sizzen. Anekdoaten oer Fryske skriuwers fan earder en letter (Leeuwarden, 1981) 144-146; T. Riemersma, Proza van het platteland. Een onderzoek naar de normen en waarden in het grotere Friese proza van 1855 - 1945 (Bolsward, 1984) passim; P. Boersma, 'It Fryske proaza yn de 30-er jierren', in Hjir 15 (1986) 3 (july) 18-44.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 243.

G.R. Zondergeld


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013