Rees, Catharina Felicia van (1831-1915)

 
English | Nederlands

REES, Catharina Felicia van (1831-1915)

REES, Catharina Felicia van (pseudoniem Celestine), schrijfster, componiste en feministe (Zutphen 22-8-1831 - Velp (Gld.) 1-4-1915). Dochter van Richardus van Rees, controleur der belastingen, en Constantia Wilhelmina Piper.

afbeelding van Rees, Catharina Felicia van

Catharina van Rees groeide op als de jongste in een groot, welvarend gezin, dat nog acht andere kinderen telde: drie meisjes en vijf jongens. Haar vader stierf toen zij pas zeven jaar oud was, waarna een ongetrouwde broer van haar moeder de zorg over het gezin op zich nam. Hij ontfermde zich vermoedelijk ook over de opvoeding van Van Rees, die volop de kans kreeg haar muzikale aanleg te ontwikkelen.

Vanaf haar vroegste jeugd lag haar 'ware roeping', zoals Van Rees het later zelf zou omschrijven, in de muziek. Al vanaf haar vijfde componeerde zij stukjes voor de piano, en vanaf haar achttiende speelde ze haar eigen muziek. Een succesvol optreden omstreeks 1855 was bepalend voor de rest van haar leven. Toen werd een 'Opéra Comique' van haar hand in een privé-gezelschap te Utrecht opgevoerd. Een aanbod om met deze opera, getiteld Les Débutants, naar Parijs te gaan en zich aldaar voor de kunst te laten opleiden, sloeg ze af. Zij deed dit op aanraden van haar moeder, die een loopbaan in de muziek beneden haar stand achtte. Van Rees toonde zich aanvankelijk teleurgesteld, maar schreef achteraf opgelucht te zijn geweest over deze keuze, omdat zij van de muziek nu 'al het aangename' genoot, 'zonder er de pijnlijke ervaringen van te ontvangen die ze als broodwinning of als beroep medebrengt' (Brief aan J.P. de Keyser, 19-12-1874 (Lett. Museum)).

Van Rees woonde in van 1862 tot 1867 samen met de filantrope en sociaal-hervormster Jeanne Merkus in de omgeving van Arnhem. Werd het voor een vrouw van gegoede komaf al onfatsoenlijk gevonden betaalde arbeid te verrichten, voor de ongetrouwde Van Rees zou het nog moeilijker zijn zich als onafhankelijk componiste te manifesteren. De beperkingen die zij in haar muzikale loopbaan ondervond, hebben er dan ook ongetwijfeld toe bijgedragen dat ze zich vanaf de vroege jaren zestig ging opwerpen als een actieve pleitbezorgster voor een uitbreiding van de onderwijs- en beroepsmogelijkheden voor vrouwen. Haar broodwinning zocht Van Rees niet langer op het terrein van de muziek, maar in het schrijven, waar ze van meet af aan de achtergestelde positie van vrouwen ter discussie stelde.

De vermoedelijk vroegste publicatie van Van Rees - die tot en met 1870 onder het pseudoniem Celestine zou schrijven - dateert uit 1860. In De Tijdspiegel publiceerde zij de tekst 'Gesprekken met mijn levensgeest' (in: De Tijdspiegel 17 (1860) II, 131-135). Daarnaast vroeg zij in reactie op een reeks artikelen over vrouwenemancipatie van 'De Censor' specifieke aandacht voor de problematiek van ongehuwde vrouwen. Van Rees zag hun aantal jaarlijks toenemen en beklemtoonde dat kennisverwerving een eerste vereiste was om voor hen betere perspectieven te creëren: 'zal men nu die ongehuwden het regt blijven betwisten om zich een' andren werkkring te scheppen, waaraan haar geest behoefte heeft en zij buiten zichzelven ook anderen nuttig kunnen zijn?' (Ibidem II, 393). Na deze open brief volgden al snel verscheidene fictionele vertellingen in De Tijdspiegel en Nederland. Ook zagen haar eerste literaire werken het licht: Twee novellen (1861), Zuster Catchinka (1866) en Rob's moeder (1868).

In 1870 nam Van Rees opnieuw stelling in het debat over vrouwenemancipatie met haar brochure Open brief aan hare vrouwelijke landgenooten. Pleitte zij eerst voor een betere ontwikkeling voor vrouwen in algemene zin, nu kwam ze met concrete voorstellen: er dienden - in navolging van Frankrijk en Duitsland - meer meisjesscholen voor middelbaar onderwijs in Nederland te komen. Zij verwees onder meer naar de initiatieven van haar goede vriend en redacteur van De Tijdspiegel Jan Pieter de Keyser, die in 1860 de Nutskweekschool voor Onderwijzeressen te Arnhem had opgericht.

Toen de brochure verscheen, woonde Van Rees al vanaf 1869 in Duitsland, waar de kosten van levensonderhoud 'op stand' indertijd veel lager waren. Vanuit haar woonplaats Bonn zette zij onverminderd haar activiteiten als publiciste en activiste voort. Zij onderhield contact met de feministe Louise Otto-Peters, voorzitster van de Allgemeine Deutsche Frauenverein, en verleende haar medewerking aan het verenigingstijdschrift Neue Bahnen. Daarnaast leverde Van Rees geregeld bijdragen aan het emancipatorische vrouwentijdschrift Onze Roeping (1870-1873) dat onder leiding van Betsy Perk stond. Zij trad daarin onder meer op als recensente en verslaggeefster uit Bonn. Haar belangrijkste bijdrage betrof een vierdelige reeks over 'De Duitsche vrouw in de geschiedenis' (in: Onze Roeping 14 (1873) 1-11, 61-69, 128-132, 165-173), die zij opende met een vurig pleidooi voor het bedrijven van vrouwengeschiedenis: 'Tot nu toe hebben de geschiedschrijvers de vrouw zeer weinig hunnen aandacht waardig gekeurd. Toch heeft ook zij deel aan de ontwikkeling van kunst en wetenschap, want ook zij droeg steenen aan tot het bouwen van den tempel des roems, waarop onze tijd zich verheft'. Alle vrouwen die een rol van betekenis hadden gespeeld in het Duitse culturele en maatschappelijke leven, van de vroege Oudheid tot de eigen tijd, passeerden vervolgens de revue.

Na de opheffing van Onze Roeping verleende Van Rees haar medewerking aan het concurrerende vrouwenblad Ons Streven (1870-1878), maar haar inzet bleef beperkt tot een feuilleton en een kritisch artikel over de spiritistische beweging in Groot-Brittannië. Het liefste zag Van Rees zichzelf aan het hoofd staan van een nieuwe 'vrouwencourant', in samenwerking met Jan Pieter de Keyser en met medewerking van enkele 'flinke schrijfsters'. Die ambitie werd niet vervuld, maar in 1877 kreeg Van Rees, die zich inmiddels weer in Nederland, en wel in Apeldoorn, had gevestigd, alsnog een groot project onder haar hoede: Uitgeverij Bohn benaderde haar om als redactrice op te treden van een nieuw op te richten Bibliotheek van Nederlandse Schrijfsters. In de reeks verscheen werk van Elise van Calcar, Virginie Loveling, Maria Carolina, Frank, Jacoba van Westrheene en van Van Rees zelf. Na twee jaargangen werd de serie echter gestaakt, omdat de kwaliteit van de ingezonden manuscripten te wensen overliet en de serie met verlies draaide.

Hoewel het schrijven in de jaren zeventig haar hoofdactiviteit was, bleef Van Rees ook als componiste in deze periode zeer actief. Tot 1874 alleen al verschenen er minimaal dertig composities in druk, voornamelijk bestemd voor de piano met en zonder zang. De meeste bekendheid verwierf zij met het Transvaalse volkslied, dat ze in 1875 schreef op verzoek van Thomas Francois Burgers, van 1871 tot 1876 president van de Zuid-Afrikaanse Republiek (Transvaal). Laatstgenoemde had kennis gemaakt met Van Rees in de tijd dat hij in Utrecht theologie studeerde (1853-1858) en had bovendien als fluitist meegespeeld in haar opera Les Débutants. Tijdens een reis met diplomatieke doeleinden door Europa bracht hij haar twee bliksembezoeken in Bonn: de eerste om haar te verzoeken een volkslied te schrijven, de tweede, een maand later, om het lied op te halen. Tot beider teleurstelling werd in een Volksraadbesluit uit 1876 echter een ander lied tot het officiële Transvaalse volkslied uitgeroepen. Het lied van Van Rees beleefde weliswaar nog vele herdrukken, maar de gehele affaire liep uit op een zware teleurstelling. Ten onrechte werd haar compositie namelijk toegeschreven aan de bekende toonkunstenaar Richard Hol, en Van Rees voelde zich als auteur door de 'Hollandsche pers' 'verloochend'. Verbitterd constateerde zij: 'Het Transvaalsche Volkslied heeft mij zóóveel leed bezorgd, dank zij Hollandsche geldzucht, naijver en onverschilligheid, dat ik 't liever niet gemaakt had' (Brief aan E. van Calcar, 29-4-1901 (Lett. Museum)).

Het was niet de enige tegenslag die Van Rees te verwerken kreeg. Op literair vlak raakte zij steeds meer teleurgesteld in de overwegend negatieve ontvangst van haar romans. Haar werd vooral een onjuiste weergave van de historische feiten verweten en een al te hoogdravend taalgebruik. De onvrede van Van Rees richtte zich in het bijzonder op de 'heeren der schepping' die de ware strekking van haar werken niet begrepen. Na een vernietigende recensie van haar Muzikale novellen (1876) door M. Leopold nam zij het heft in eigen hand en benaderde ze haar goede vriendin Elise van Calcar om haar roman De familie Mixpicle (1877) te bespreken: 'Ik wil nu eens door een vrouw gerecenseerd worden. Die mannen praten honderd uit over onze opvoeding en slaan gewoonlijk de plank geheel mis'. Kort daarna verscheen inderdaad een lovende bespreking van Van Calcar in De Tijdspiegel (34 (1877) III, 41-44), maar daarmee was het tij niet gekeerd. De scherpste kritiek zou Van Rees in 1888 te verduren krijgen van Lodewijk van Deyssel. Naar aanleiding van de tweede druk van haar historische roman Een koningin zonder kroon [1873] (2de dr. 1887) veegde hij in De Nieuwe Gids (4 (1888) II, 242-247) de vloer aan met haar 'dramatische', 'verheffende' schrijfstijl en de in zijn ogen al te nobele inborst van de personages.

Intussen had Van Rees' publicitaire activiteit weinig te lijden onder de negatieve kritiek. Haar productiefste jaren lagen tussen 1880 en 1893. In deze periode publiceerde zij minimaal negentien werken, voor het merendeel historische romans. Ook verschenen nog enkele geromantiseerde biografieën van haar hand over de componisten Bach, Beethoven, Chopin en Carl Maria von Weber.

In de loop van de jaren negentig verhuisde Van Rees weer naar Duitsland, waar zij zich vestigde in Darmstadt. Geldgebrek en gevoelens van trots vormden de belangrijkste redenen om terug te keren naar het buurland. Haar budget schoot tekort om in Nederland volgens haar eigen stand te kunnen leven, en zij wilde bij haar 'rijke bloedverwanten' geen 'arme figuur' slaan. Gezondheidsklachten kwelden haar en de lust tot schrijven ontbrak steeds vaker, waardoor haar productiviteit deze jaren aanzienlijk afnam. Slechts een incidentele bijdrage verscheen nog in De Tijdspiegel, waaronder een bespiegeling over de 'De vrouwenbeweging in Nederland' ((1895) I, 437-441). Onder verwijzing naar het buitenland pleitte Van Rees voor een 'herziening van wetten die de vrouw zoo onredelijk achterstellen bij den man'. Daarmee verwoordde zij de wens om - in navolging van Nieuw-Zeeland in 1893 en Zuid-Australië, waar in 1894 de wetswijziging tot stand was gekomen - ook in Nederland het (actieve) kiesrecht voor vrouwen in te voeren, een wens die pas 1919 in vervulling zou gaan. Van Rees zelf zou dit niet meer meemaken. Haar laatste jaren bracht zij door in Nederland, waar ze in 1915 op 83-jarige leeftijd in Velp haar laatste adem uitblies.

Als publiciste en romanschrijfster behoorde Catharine van Rees tot de voorvechtsters van het eerste uur van de Nederlandse vrouwenbeweging. Zij trad echter minder op de voorgrond dan andere vrouwelijke auteurs, zoals Elise van Calcar en Betsy Perk, mede door haar jarenlange verblijf in Duitsland en wellicht ook doordat haar eigenlijke ambities aanvankelijk op het muzikale vlak lagen. In betrokkenheid, felheid en onverschrokkenheid deed zij echter niet voor hen onder. Uit haar persoonlijke correspondentie komt ze naar voren als een geëmancipeerde, onafhankelijk denkende, gedreven en trotse persoonlijkheid.

A: Collectie Catharina van Rees in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage; correspondentie in de Universiteitsbibliotheek te Leiden; collectie bladmuziek in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties en verscheidene bijdragen in o.a. De Tijdspiegel, Nederland, De Amsterdammer, Ons Streven, Onze Roeping en Jong Nederland. Geïllustreerd Tijdschrift voor Jongelui: 'Gesprekken met mijn levensgeest', in De Tijdspiegel 17 (1860) II, 131-138; De Duitsche eik (Arnhem 1870); Herinneringen aan het zuiden (Arnhem 1872); Op kostschool. Blijspel met zang in drie bedrijven met een tusschenspel (Haarlem 1878); Uit het verledene. Novellen (Deventer 1879); Frederik Chopin (Amsterdam 1880); Schijn en wezen: Twee novellen (Haarlem 1880); Zuid-Afrikaanse novellen (Amsterdam 1880); Letjes's eenige vriend (Deventer ca. 1880); Oostersch bloed (Deventer 1881); De koning der symphonieën. Historisch-romantische levenschets van Lodewijk van Beethoven (Deventer 1882.); Zoo zijn er (Deventer 1882); Else. Een verhaal voor meisjes ('s-Gravenhage 1883); Na Emilies dood. 't Wordt licht ('s-Gravenhage 1883); De eersten van de stad (Nijmegen 1884); Allen schuldig (Rotterdam 1884); Van dezelfde familie (Deventer 1884); In Dei gloriam. Historisch-romantische levenschets van Johan Sebastiaan Bach (Deventer 1885); De parel van het hof van Gelre (Arnhem 1887); De Venetiaansche nachtegaal (Deventer 1888); In vuur en vlam (Arnhem 1889); Holland's ontrouw (Arnhem 1890); Leopold's zoon (Arnhem 1891); De volkscomponist (Arnhem 1893). Composities o.a.: Gondellied (1863); Andante und Allegro (1866); Fantaisie brillante (z.j.); Rèverie au bord d'un ruisseau (z.j.); Seit du mit mir! Lied für Alt oder Bariton mit Pianoforte (z.j.); Grand galop (z.j.); Topsy polka (z.j.); Volksmarsch (z.j.).

L: S.P. Engelbrecht, 'Die Transvaalse Volkslied', in Die nuwe brandwag 2 (mei 1930) 81-90; H.P. Hogeweg-de Haart, Catharina Felicia van Rees, 1831-1915 (Amsterdam 1957); Lisa Kuitert, 'Het debacle van een negentiende-eeuwse "vrouwenreeks". Bibliotheek van Nederlandsche Schrijfsters', in Literatuur 18 (2001) 150-158; Lotte Jensen, 'Naar een nieuw overzichtswerk van de eerste feministische golf? De casus Catharina van Rees (1831-1915)', in Spiegelbeeld. Reflecties bij 25 jaar vrouwengeschiedenis. Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 25 (2005) 68-93; eadem, 'Een Gelderse feministe: Catharina van Rees', in Arnhem de genoeglijkste 27 (2007) 205-209.

I: Literatuur 18 (2001) 152.

Lotte Jensen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 29-10-2014