Caland, Willem (1859-1932)

 
English | Nederlands

CALAND, Willem (1859-1932)

Caland, Willem, indoloog (Brielle 27-8-1859 - Utrecht 23-3-1932). Zoon van Pieter Caland, waterbouwkundige, en jkvr. Helena Carolina de Jonge. Gehuwd op 19-7-1883 met Jennij Elisabeth van Hettinga Tromp. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Caland kwam uit een milieu van ingenieurs; zijn vader had zich roem verworven met de aanleg van de Nieuwe Waterweg van Rotterdam naar zee. Zelf had hij van jongs af belangstelling voor de letteren, zodat de aan de HBS begonnen opleiding werd voltooid aan het Haagsch Gymnasium. Sinds zijn schooltijd leed hij aan een hartkwaal, die hem grote inspanning verbood; desondanks legde hij in juli 1876 al vanuit de voorlaatste klas het toelatingsexamen tot de universiteit af. Toch volgde nog een jaar gymnasium, totdat hij zich in september 1877 liet inschrijven als student in de letteren te Leiden. Na het 'groot-mathesis examen' werden, behalve de colleges in de klassieke talen, ook die van H. Kern gevolgd over Sanskriet en Avestisch. Na het doctoraal examen in 1882 kwam spoedig een benoeming tot leraar klassieke talen te Maastricht. Binnen een jaar promoveerde hij op De nummis M. Antonii IIIviri vitam et res gestas illustrantibus commentatio (Lugduni-Batavorum, 1883). Promotor was de bekende graecus C.G. Cobet, maar voor de begeleiding had Caland in de eerste plaats prof. J.J. Cornelissen te danken. De numismatiek had en hield zijn belangstelling, maar het was toch de studie der oosterse talen die al zijn vrije tijd in beslag nam. Een benoeming tot directeur van het Koninklijk Penningkabinet liet hij erom schieten. Wel verruilde hij in 1887 Maastricht voor Breda, waar een benoeming tot conrector mogelijk was.

Zijn kwaal legde hem veel beperkingen op, en tot een reis naar India kwam het niet, zodat alle contacten over handschriften en dergelijke schriftelijk verliepen. Niettemin wist Caland in een nijver geleerdenleven zeer veel te verwezenlijken. Gesteund door Kern hield hij zich in eerste instantie bezig met de Oudindische voorvaderverering en tovenarij. In het verlengde hiervan lag het terrein waarop Caland zou uitgroeien tot een onbetwiste autoriteit, nl. dat van het vedische ritueel. Dit is op zichzelf nauwelijks een boeiend onderwerp te noemen, maar het belang ervan voor de verdere kennis van de Oudindische godsdienst is evident. Zijn studie concentreerde zich op de brahmanas en sutras die als verklarende geschriften de vedas begeleiden. Zo leverde hij samen met de Franse geleerde V. Henry een beschrijving van het soma-offer in L'agnistoma... (Paris, 1906-1907. 2 dl.). Voorts kwam hij met vele tekstkritische edities, vertalingen en commentaren. Bij dit alles bleef hij primair filoloog, minder linguïst of godsdiensthistoricus. Tot zijn uitnemendste prestaties behoren zijn vertalingen van een sutra bij de Yajurveda, Das Srautasutra des Apastamba... (Göttingen [etc.], 1921 - 1928. 3 bd.) en de Pancavimsa-Brahmana (Calcutta, 1931), die relevant is voor de Atharvaveda.

Intussen was in 1902 een aanvang gemaakt met lessen in het Sanskriet te Utrecht; in februari 1903 werd hij voor die taal benoemd tot lector, welke functie in juni 1906 werd omgezet in een buitengewoon hoogleraarschap in het Sanskriet en de Indo-germaanse vergelijkende taalwetenschap. Zijn inaugurele rede benutte Caland om het belang van De studie van het Sanskrit in verband met ethnologie en klassieke philologie (Utrecht, 1906) nog eens te onderstrepen. Een benoeming naar Leiden in 1913 sloeg hij af. In Utrecht werd zijn functie in mei 1917 omgezet in een ordinariaat, waarbij aan de leeropdracht Oudperzisch en Avestisch werden toegevoegd. Naast de hierboven reeds vermelde studiën over vedische rituele teksten besteedde hij gedurig tijd en aandacht aan het Avestisch, terwijl in latere jaren ook de oude reisverslagen van Europeanen over India hem boeiden als bronnen van kennis. Hij was sinds 1897 lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, terwijl hij tevens vele jaren deel uitmaakte van de directie van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Als docent genoot Caland aanzien, al stond zijn gereserveerde benadering meer persoonlijke contacten in de weg. Tot zijn voornaamste ontspanning behoorde de muziek: zijn leven lang speelde hij viool.

Binnen de ook in Nederland sterk oplevende belangstelling voor het Sanskriet en de Oudindische wereld was Calands werk van algemeen belang. Hoewel zijn gezondheid hem dwong tot een bestaan als teruggetrokken kamergeleerde verwierf hij in de kleine kring van deskundigen toch een internationale reputatie.

P: Zie de bibliografie van N. Fukushima achter het hierna te noemen levensbericht van Rahder, 83 - 96. Zeer uitvoerige bibliografie in W. Caland, Kleine Deutsche Schriften... Hrsg. M. Witzel (Wiesbaden, [ca. 1989]).

L: Jaarboek der Rijks-Universiteit te Utrecht 193 J-1932, 178-180; J.Ph. Vogel, in The Journal of the Royal Asiatic Society... for 1932, 731-733; idem, in Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 1932-1933, 129- 160; J. Rahder, in Jaarboek der Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1932-1933, 73-82; J. Gonda, in Utrechtsche Studenten Almanak voor 1933, 299-300; J. van Manen, in Journal and proceedings of the Asiatic society of Bengal NS 29 (1933) CLXXXVIII; 'Een bescheiden onderkomen'. Historisch overzicht van de studie van de oosterse talen en kulturen... te Utrecht (Utrecht, 1981) 73-74 en 84-97.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013