Citters, jhr. Schelto van (1865-1942)

 
English | Nederlands

CITTERS, jhr. Schelto van (1865-1942)

Citters, jhr. Schelto van, heer van Gapinge, commissaris der Koningin en parlementslid ('s-Gravenhage 13-1-1865 - Brummen 13-3-1942). Zoon van jhr. Eduard van Citters, referendaris, en Sara Maria barones Van Heemstra. Gehuwd op 3-4-1902 met Wilhelmina Sophia Royaards. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na haar overlijden (1-2-1903) gehuwd op 3-10-1905 met Agatha Johanna van Naamen van Eemnes. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Citters, jhr. Schelto van

Van Citters doorliep in zijn geboorteplaats de vijfjarige HBS, welke opleiding hij aanvulde met de middelbare akten voor staatsinrichting, staatshuishoudkunde en statistiek. In het voetspoor van zijn vader was hij aanvankelijk werkzaam als departementaal ambtenaar, eerst bij het departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid, waar hij tot referendaris en chef (sedert februari 1901) van de afdeling Handel en Nijverheid opklom, vervolgens, vanaf 6 april 1903, bij het departement van Financiën, in de functie van secretaris-generaal. In 1899/1900 maakte hij deel uit van de staatscommissie die minister C. Lely adviseerde omtrent ontginning van steenkoolreserves door de staat; van 1902 tot 1909 had hij zitting in de Mijnraad. Zijn ambtelijk werk bracht hem voorts in de Commissie voor de handelspolitiek, waarvan hij eveneens tot 1909 lid bleef, en, als penningmeester, in de Nederlandse commissie voor de wereldtentoonstelling te Parijs (1900). Naast deze werkzaamheden vond Van Citters nog tijd voor bestuurlijke nevenactiviteiten; van 1904 tot 1909 maakte hij als secretaris-penningmeester deel uit van het directorium van de Carnegiestichting.

Op instigatie van Abraham Kuyper maakte Van Citters in 1907 de overstap naar de politiek. Tussentijdse verkiezingen voor het district Ede brachten hem in februari van dat jaar in de Tweede Kamer, als lid van de a.r. fractie. Bovendien had hij van 1907 tot 1909 zitting in de Haagse gemeenteraad en trad hij in 1908/1909 op als eerste voorzitter van de Bond van Anti-Revolutionaire Gemeenteraadslieden. In het parlement richtte hij zijn aandacht vooral op het energiebeleid en op handels- en verkeersvraagstukken, zaken waarvoor hij zijn leven lang een uitgesproken belangstelling behield. Hij bleef overigens niet lang in de Kamer. Al in mei 1909 aanvaardde hij de benoeming tot commissaris der Koningin in Gelderland, welk ambt hij van 1 augustus 1909 tot 16 april 1925 zou bekleden.

In zijn nieuwe functie spande Van Citters zich onder meer in voor de provinciale elektriciteitsvoorziening. Het was vooral aan zijn ijveren te danken dat in 1915 de NV Provinciale Geldersche Electriciteits-Maatschappij (PGEM) tot stand kwam, waarvan hij namens het provinciaal bestuur, tot 29 juli 1925, als eerste president-commissaris en voorzitter van de raad van toezicht optrad. De uitbreiding van de PGEM tot een volwaardig distributie- en opwekkingsbedrijf kon mede door het financieel toezicht van Van Citters en door zijn bemiddelend optreden tussen het bedrijf en de lokale overheden zonder grote problemen verlopen. Veel aandacht besteedde hij verder aan de verbetering van het wegennet, aan de instelling van een provinciale verkeersinspectie (waarmee Gelderland een primeur had) en aan de Gelderse waterstaat; na 1925 was hij nog als voorzitter van de provinciale bruggencommissie betrokken bij de planning van bruggen te Arnhem, Nijmegen en Doesburg. Onder zijn bestuur werd voorts een nieuw provinciehuis gebouwd, dat de oorlogsjaren evenwel niet zou overleven. Op landelijk niveau was hij van 1911 tot 1922 lid van de raad van commissarissen van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij - vanaf 1918 tevens van die der Staatsspoorwegen.

Om persoonlijke redenen vroeg de door toenemende doofheid geplaagde Van Citters in 1924 ontslag als commissaris. Aangezien zijn partij niet direct een vervanger beschikbaar had - met hem zou de enige commissaris van antirevolutionairen huize verdwijnen - moest hij echter nog tot het voorjaar van 1925 wachten eer hij het ambt kon overdragen aan zijn partijgenoot S. baron Van Heemstra.

Het ambt van president-curator van de Landbouwhoogeschool te Wageningen, dat hij sedert de oprichting in maart 1918 bekleedde, hield Van Citters aan. Hij was in die functie onder meer medeverantwoordelijk voor de materiële uitbreiding van de nieuwe instelling. In een periode van bezuinigingen, en ook zelf overtuigd van de politieke noodzaak daarvan, meende hij de belangen van de hogeschool tegenover de regering het best te kunnen verdedigen door het volgen van een tactiek van 'bedachtzame voorzichtigheid', een opvatting die nogal eens botste met de verlangens van de senaat. Desalniettemin meende H. Colijn dat Van Citters het de regering vaak lastig maakte met zijn pleidooien voor de hogeschool. In maart 1938, een jaar vóór zijn aftreden als president-curator, ontving hij het eredoctoraat in de landbouwkunde wegens zijn 'zeer uitstekende verdiensten' voor de Landbouwhoogeschool, 'en daarmee voor den Nederlandschen landbouw'.

Van Citters maakte op 18 september 1929 zijn rentree aan het Binnenhof, ditmaal als lid van de Eerste Kamer, waarvan hij tot de ontbinding van het parlement in 1940 (formeel tot zijn overlijden) lid bleef. Hij voerde voornamelijk het woord over zaken van direct, praktisch belang, vaak detailaangelegenheden en technische kwesties. Van 1933 tot 1939 had hij zitting in de door de regering ingestelde Electriciteitsraad. In de jaren 1931 - 1935 trad hij voorts op als voorzitter van het Nationaal Crisis Comité, dat zich in die jaren, op initiatief van prinses Juliana, bezighield met praktische bestrijding van de door de crisis ontstane noden.

Van Citters was een conservatief, streng gelovig en sociaal voelend man. Hoffelijk en uiterst correct in zijn optreden, waarin iets imperatiefs school, gold hij als een regent 'par excellence'. Zijn rol in de politiek, waar hij de reputatie had 'een zeer geloovig volgeling van Dr. Kuyper' te zijn, bleef betrekkelijk onbeduidend en beperkte zich in het algemeen tot steun aan het gevoerde regeringsbeleid. Zijn kracht en betekenis lagen op het bestuurlijke vlak. Een grote werkkracht en toewijding, gevoel voor ambtelijke en politieke tact en opportuniteit, voorts een snel bestuurlijk en financieel inzicht maakten hem een geboren en gewaardeerd magistraat. Speciaal voor Gelderland is hij van betekenis geweest. Infrastructureel hielp hij de provincie mee over de drempel naar de nieuwe tijd.

A: Van S. van Citters is geen persoonlijk archief bewaard.

P: Ons tarief van invoerrechten (Utrecht, 1909). Verder gaf Van Citters de Verzameling van handels- en scheepvaartovereenkomsten gesloten tusschen Nederland en vreemde mogendheden ('s-Gravenhage, 1888-1891. 2 dl.) uit en was mederedacteur van het Archief van handel en nijverheid ('s-Gravenhage, 1895-1905. 9 dl. in 8 bd.).

L: Gelegenheids- en overlijdensartikelen in Arnhemsche Courant, 14 en 15-4-1925; NRC, 14-3-1942 en De Standaard, 16-3-1942.

Verder Woorden gesproken tot... S. van Citters, president-commissaris der NV ,Provinciale Geldersche Electriciteits-Maatschappij", bij het neerleggen van zijn ambt op 29 juli 1925 [S.l., s.a.] in bibliotheek PGEM te Arnhem; W.P.A. Smit, Het nieuwe provinciehuis te Arnhem... (Arnhem, 1925); Gelderland. Samengest. onder red. van J. van Baren [et al.] (Arnhem, 1926); H. Beekman, in Jaarboek van de Landbouwhoogeschool te Wageningen 20 (1938) 60 - 62; Geschiedenis van de Provinciale Geldersche Electriciteits-Maatschappij 1915-1940 (Arnhem, 1940); 'Anderhalve eeuw Gelderse Statengriffiers' [Door D.J.G. Buurman et al., Arnhem, 1951]. Typoscript. Aanwezig in bibliotheek van de Provinciale Griffie in Gelderland.

I: Website Parlementair Documentatie Centrum: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [5-2-2008].

R.E.C, van der Pluym


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013