Cohen, Jozef Alexander (1864-1961)

 
English | Nederlands

COHEN, Jozef Alexander (1864-1961)

Cohen, Jozef Alexander (publicerend onder de naam Alexander/Alexandre Cohen: pseud. Souvarine, Démophile en Kaya), journalist en schrijver ( Leeuwarden 27-9-1864 - Toulon (Frankrijk) 1-11-1961). Zoon van Aron Heiman Cohen Jzn., winkelier, en Sara Jacobs. Op 15-8-1893 ging hij samenwonen met Elisa Germaine (Kaya) Batut, met wie hij op 23-3-1918 trouwde. Er waren geen kinderen. Op 11-11-1907 tot Fransman genaturaliseerd. afbeelding van Cohen, Jozef Alexander

Alexander werd geboren te Leeuwarden in een orthodox-joods gezin, dat door zijn opvliegende en autoritaire vader met straffe hand geregeerd werd. De karakters van vader en zoon liepen niet ver uiteen; wel miste Cohen senior gevoel voor humor. Zijn moeder gaf hem liefde, bood hem bescherming en moedigde hem aan. Haar vroege dood betekende een ingrijpende verandering in het bestaan van de negenjarige Alexander Cohen. Hoewel zijn stiefmoeder, Vroukje van Gelder, probeerde haar rol over te nemen, was zij niet tegen haar man opgewassen. Rebellie tegen de vader werd gevolgd door rebellie op school. Na enkele klassen werd hij van de hogereburgerschool gezonden wegens een kwajongensstreek. Eenmaal van school af, las hij met veel belangstelling de eigentijdse literatuur.

Er brak een tijd aan van twaalf ambachten en dertien ongelukken. In zijn vaders winkel mislukte hij door een tekort aan onderworpenheid. Een stage bij een leerlooier in het autoritaire Pruisen brak hij in 1880 om dezelfde reden af. Zijn levenslange argwaan tegen Duitsland deed hij daar op. Ook aan een carrière als zeeman kwam voortijdig een einde. In deze tijd maakte hij kennis met Multatuli's Max Havelaar. Cohen had haast om uit het ouderlijk huis weg te komen. Hij kreeg toestemming om vervroegd dienst te nemen in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) als soldaat-schrijver. Bij dit administratieve baantje behoorde geen militaire opleiding. Tijdens zijn bijna vijfjarig verblijf in Nederlands-Indië (1882 - 1886) werd hij wegens herhaalde insubordinatie door het Hoog Militair Gerechtshof te Batavia tot opsluiting op het fort Prins van Oranje te Semarang veroordeeld. Ook binnen de gevangenis volgden de straffen elkaar op. Eind 1886 werd hij naar Nederland teruggezonden; zijn ontslag uit het KNIL volgde op 22 maart 1887.

Op 28 juni 1887 debuteerde hij met de reeks 'Naar Indië' in het Groninger weekblad. Radicale courant voor Nederland. De toestanden in het KNIL werden op niet mis te verstane wijze beschreven. Cohen had daarmee zijn bestemming als geëngageerd dagbladschrijver gevonden. Kort voor zijn meerderjarigheid vertrok hij naar Den Haag, waar hij een baantje als corrector bij het blad Recht voor Allen van Ferdinand Domela Nieuwenhuis kreeg. De in de omgang beheerste en koele Domela en de spontane, radicale scherpslijper Cohen konden wonderwel met elkaar opschieten. Op 16 september 1887 werd Cohen wegens majesteitsschennis gearresteerd: het roepen van een leus toen de koning te 's-Gravenhage voorbijkwam kostte hem zes maanden gevangenis. Toen de politie informeerde wie 'Een ontboezeming' met de naam Souvarine in Recht voor Allen van 23 maart 1888 ondertekend had, vluchtte Cohen naar Gent. België wees hem naar Frankrijk uit; op 12 mei kwam hij in Parijs aan.

Alexander Cohen is de eerste vijf jaar in Parijs dikwijls zo arm geweest, dat hij zijn wasgoed moest belenen. Hij radicaliseerde er van socialist tot anarchist, en Domela werd mede onder zijn invloed daarin meegetrokken. Zijn Parijse correspondentie voor Recht voor Allen en vertalingen voor Domela brachten hem wat geld op. Cohen bewoog zich in Parijs in kringen van de avant-garde; hij vertaalde er Multatuli en Gerhard Hauptmann en publiceerde in anarchistische blaadjes. Tot zijn vrienden behoorden de uitgeweken Duitse jong-socialist Bernhard Kampffmeyer, de essayist Victor Barrucand, de criticus Félix Fénéon en de gewelddadige anarchist Emile Henry. Cohen was een verklaard tegenstander van de socialisten; in 1893 deed hij een scherpe aanval op de sociaal-democraten in Le Figaro. In een anarchistisch eethuisje ontmoette hij de Française Kaya Batut (1871 - 1959), die op 15 augustus 1893 bij hem introk. Op kerstdag 1893 werd hij, ondanks het protest van Emile Zola bij de verantwoordelijke minister, naar Engeland uitgewezen, omdat hij als anarchist geassocieerd werd met de mislukte bomaanslag op het Franse parlement.

Kaya volgde hem naar Londen, maar zij konden in de sombere stad niet aarden noch in hun levensonderhoud voorzien. In 1896 keerde Cohen ten einde raad naar Nederland terug, waar hij op 12 augustus gearresteerd werd wegens zijn achterstallige gevangenisstraf. Cohen ging liever de gevangenis in dan dat hij gratie vroeg: hij wenste vóór alles zijn morele onafhankelijkheid te bewaren. Na zijn vrijlating publiceerde hij in Den Haag zijn blaadje De Paradox, geënt op Multatuli's Ideen. Van het anarchisme heeft hij dan afscheid genomen. Hij is ondertussen Nederland ontgroeid; op 14 juli 1899 keerde hij clandestien in Parijs terug. In 1900 verwierf hij daar weer een verblijfsvergunning.

Hij hervatte zijn literaire en journalistieke leven in Parijs: zijn bijdragen verschenen in La Revue Blanche, en vanaf 1902 verzorgde hij twee jaar lang de rubriek 'Les lettres néerlandaises' in Mercure de France. Hij sloot vriendschap met de in Parijs woonachtige Nederlandse schilder Kees van Dongen, en werd tweede redacteur buitenland bij Le Figaro. In opdracht van de Franse regering vertrok Cohen in 1904, nog steeds Nederlander, naar Frans Indo-China en Ned. Oost-Indië om een vergelijkend rapport uit te brengen over het inlandse onderwijs en de geneeskundige dienst.

Bij een perscampagne in 1905 om Domela, die in Keulen vastzat, los te krijgen, leerde Cohen de journalist H.P.L. Wiessing kennen. Er ontstond een diepe vriendschap, ondanks het feit dat Wiessing steeds procommunistischer werd en Cohen fel anticommunistisch was. Na bij H.M.C. ('Hak') Holdert volstrekte onafhankelijkheid bedongen en verkregen te hebben, was hij van 1906 tot begin 1917 Parijs correspondent van De Telegraaf; zijn medewerking beëindigde hij in 1922. Conflicten ontstonden alleen dan wanneer de Amsterdamse redactie in zijn tekst geknoeid had. Cohen won op grond van zijn waterdichte afspraak met Holdert meestal.

Inmiddels was Cohen reeds in 1907 uit volle overtuiging Fransman geworden; een verzoek daartoe had hij overigens al in 1890 ingediend. In die jaren rond 1907 is hij gepokt en gemazeld in de politiek. Door de schandalen en de zwakte van Frankrijk tijdens de Derde Republiek schoof hij naar uiterst rechts door: het midden had hij altijd gemeden. Maar zijn individualisme weerhield hem ervan zich op enigerlei wijze aan een partij of stroming te binden - ook tot de Action Française hield hij enige, zij het geringe afstand. Na zijn correspondentschap betrok hij in 1917 een boerderijtje in Courcelles-Treloup aan de Marne, dicht bij het front. Bij een laatste actie (het zg. Ludendorff-offensief) in 1918 werd zijn boerderijtje totaal verwoest. Begin 1918 was Cohen, na vijfentwintig jaar met haar samengeleefd te hebben, met Kaya getrouwd. Zijn principiële bezwaren tegen het huwelijk waren vervallen, al bleef hij onburgerlijk en een echte bohémien. In 1924, nog steeds op zoek naar een goedkoop huis in de nabijheid van Parijs, verhuisde hij met zijn vrouw naar Marly-le Roi ten westen van Parijs, vlak bij Kees van Dongen. Daar verzorgde hij een keuze uit zijn Telegraaf artikelen (1929) en schreef hij zijn eerste deel herinneringen, In opstand (Amsterdam, 1932), over de periode 1864-1893.

Op deze wijze nog steeds van de pen levend ging hij ten slotte in 1932 naar het goedkopere Zuiden van Frankrijk, waar bij buiten Toulon het huisje Clos de Hérisson kocht. In 1935 voltooide hij hier het tweede deel van zijn herinneringen, Van anarchist tot monarchist (Amsterdam, 1936). Menno ter Braak schreef in Het Vaderland over dit deel dat Cohen de natuurlijke onbevangenheid bezit van iemand die voor zijn plezier schrijft. Ter Braak waardeerde zijn non-conformistische onafhankelijkheid en vond hem een voortreffelijk verteller, wiens teveel aan humor voorkomt dat hij rancuneus wordt. Ook Jan Engelman en W. van Ravesteyn reageerden enthousiast. Maar deze erkenning maakte Cohens dagelijks leven niet gemakkelijker; de omstandigheden van politiek en economie zaten hem tegen, al kwam hij de oorlogsjaren in Vichy-Frankrijk ongeschonden door. Clos du Hérisson had hij in 1941 moeten verkopen voor een lijfrente, die hem wegens de voorthollende inflatie weinig tot niets opbracht. In de periode 1942-1944 werd zijn huis bij bombardementen geraakt. Na de bevrijding leden de Cohens zelfs honger, al brachten voedselpakketten uit Amerika en Nederland wat soelaas. Het was aan de oprichting van het Alexander Cohen-fonds door Henk Kuijper, waaraan bewonderaars van Alexander Cohen bijdroegen, te danken dat van 1948 af de ergste zorgen voorbij waren. In 1954 luidde Simon Carmiggelt met een 'Kronkel' een herwaardering van Cohens werk in; twee jaar later kreeg hij van het ministerie van OK ∓mp;mp;mp;mp; W een eenmalig eregeld. In 1959 publiceerde hij zijn laatste pamflet, tegen de taal en stijl van Victor van Vriesland. Hetzelfde jaar stierf Kaya te St.-Romande de Bellet, nadat ze Cohen bij een val van een trap had willen opvangen. De laatste twee jaar van zijn leven verbleef hij in het Asyle des Petites Soeurs des Pauvres.

Alexander Cohen is altijd een buitenstaander gebleven: onafhankelijk, compromisloos en tegendraads. Aanvankelijk was hij anarchist, maar later was hij als Fransman voorstander van een sterk gezag en een corporatieve monarchie. Cohen was een raspolemist, journalist in hart en nieren en een begaafd memorialist. In het voetspoor van Multatuli ontwikkelde hij een levendige en leesbare stijl, die profiteerde van zijn sterk gevoel voor humor. Hij was bovendien een hartstochtelijk briefschrijver. Zijn brieven, die het tijdvak 1888- 1961 omvatten, zijn in 1997 gepubliceerd.

A: Brieven en documenten van en over Alexander Cohen bezitten: Administratie van de openbare veiligheid te Brussel, Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, Archives nationales te Parijs, Ferdinand Domela Nieuwenhuis-fonds te Amsterdam, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam, Ministerie van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage, Musée français d'histoire sociale te Parijs, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage en particulieren te Amsterdam, 's-Gravenhage, Oxford, Parijs, Toronto en Son.

'Alexander Cohen. Brieven en dokumenten 1888-1961.' Bijeengebr. en van toelichtingen voorzien door Ronald Spoor (Scheveningen, 1977) (typoscript). Aanwezig in het archief van het IISG te Amsterdam.

P: De Paradox. Den Haag 1897 - 1898. No. 1 (6 november 1897)-20 (19 november 1898); Multatuli, Pages choisies: traduites par Alexandre Cohen, préfacé d'Anatole France (Parijs, 1901); De zaak Alexander Cohen-Hankes Drielsma-Plemp van Duiveland (Amsterdam, 1912); Uitingen van een reactionnair (1896-1926) (Baarn, 1929); Taal en stijl van een eere-doctor in de Nederlandsche belletrie [Eindhoven, 1959]; Geschriften van een andersdenkende... Samengest. en ingel. door Max Nord (Amsterdam, 1959); Uiterst links. Journalistiek werk 1887- 1896. Samengest. en ingel. door Ronald Spoor (Amsterdam, 1980). De Engelbewaarder: nr. 19; Uiterst rechts. Journalistiek werk 1906-1920. Samengest. en ingel. door Max Nord (Amsterdam, 1981). De Engelbewaarder: nr. 22.

Cohen publiceerde (behalve in de genoemde) in de volgende periodieken: De Amsterdammer, L'Attaque, La Contemporaine, revue illustrée, Ons Eigen Tijdschrift, Eindhovensch Dagblad, L'Endehors, Entretiens Politiques et Littéraires, De Groene Amsterdammer, Den Gulden Winckel, Haagse Post, Mandril, Mercure de France, Morgenrood, De Nieuwe Eeuw, De Nieuwe Gids, Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, Het Parool, Le Père Peinard, La Révolte, La Revue Anarchiste, La Revue Bleue, La Revue d'Evolution, La Société Nouvelle, Soerabaiasch-Handelsblad. Le Temps, The Torch of Anarchy, Vooruit en Vrij Nederland.

L: [Johan Koning], 'Alexander Cohen', in De Hollandsche Revue 26 (1921) 952 - 962; Barbarossa [J.C. Schröder], boekbespreking van In opstand in De Groene Amsterdammer, 10-9-1932;

P.J. Molenaar, 'Een opstandige', in Stemmen des Tijds 26 (1937) I, 480-487; W. van Ravesteyn, 'Onafhankelijke journalistieke herinneringen', in De Stem 17 (1937) II, 1088-1091; M. ter Braak, 'De non-conformist', in Verzameld werk (Amsterdam, 1950) VI, 357-363; Jan Greshoff, 'Quack, Zilcken, Cohen', in Verzameld werk. Grensgebied (Amsterdam, 1950) 167-173; H.P.L. Wiessing, 'Kaya', in De Groene Amsterdammer, 25-9-1954; Jacques Gans, 'Alexander Cohen negentig jaar', in Haagse Post, 2-10-1954; Victor van Vriesland, 'Een ophakker', in Onderzoek en vertoog (Amsterdam, 1958) I, 375 - 377; H.P.L. Wiessing, Bewegend portret. Levensherinneringen (Amsterdam, 1960) 218 - 226 en 371 - 373; 'Alexander Cohen, altijd volksvriend, nooit democraat', in Haagse Post, 27-8-1960; Ronald Spoor, 'Ter Braak en Alexander Cohen. Voorkeur voor het egotisme', in Tirade 18 (1974) 104-113; idem, 'Alexander Cohen in Londen en Den Haag', in Dutch crossing (1982) 18 (december) 76-92; idem, 'De gevangenisbrieven van Alexander Cohen', in Op een beteren weg. Schetsen uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging (Amsterdam, 1985) 126-139.

I: Alexander Cohen. Brieven 1888-1961. Bezord door Ronald Spoor (Amsterdam 1997) omslagfoto [Heliogravure door Jan Aarts uit 1899; collectie IISG, Amsterdam]..

Ronald Spoor


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 07-09-2016