Cohn, Max Adolf Josef (1848-1911)

 
English | Nederlands

COHN, Max Adolf Josef (1848-1911)

Cohn, Max Adolf Josef (naamsverandering in Conrat. Akte 30-5-1882 afgegeven door Kon. Regeringspresident te Breslau), rechtshistoricus (Breslau (Duitsland) 16-9- 1848 - Heidelberg (Duitsland) 12-12- 1911 ). Zoon van Isaak Cohn, koopman, en Amalia Nissen. Gehuwd op 10-3-1877 met Sofia Traube. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

Max Cohn, die als zoon van een joodse koopman in Breslau werd geboren, en wiens twintig jaar oudere broer later een beroemd plantkundige zou worden, bezocht in zijn geboorteplaats het gymnasium Maria Magdalena. Hij studeerde rechtswetenschap aan de universiteiten van Breslau en Heidelberg, waar hij vooral invloed onderging van de hoogleraren L. Goldschmidt en H. Treitschke, die respectievelijk handeisrecht en staatswetenschappen doceerden. In 1870 promoveerde hij op een proefschrift getiteld: De natura societatum juris Romani, quae vocantur publicae (1870), dat gewijd is aan de societates van publicani, personen die o.a. belastingen van de Romeinse staat pachtten en waarin op originele wijze aandacht werd gevestigd op een in dit verband belangrijke passage bij Cicero. Ook zijn eveneens Berlijnse 'Habilitationsschrift', Zum römischen Vereinsrecht. Abhandlungen aus der Rechtsgeschichte (1873), richtte zich niet alleen op de teksten van het Corpus luris maar ook op inscripties en passages uit werken van niet-juridische schrijvers. Bovendien maakte hij ten aanzien van vele Digestenplaatsen aannemelijk dat de Justiniaanse compilatoren er interpolaties in hebben aangebracht. Dit interpo-latieonderzoek was toen nog geenszins gebruikelijk. Na een privaatdocentschap te Heidelberg werd Cohn in 1875 benoemd tot hoogleraar in het Romeinse recht aan de Universiteit van Zürich, en in die Zürichse jaren publiceerde hij twee dogmatisch-historische boeken: Die sogenannte actio de eo quod certo loco (1877) en Beiträge zur Bearbeitung des römischen Rechts Bd. I (1878).

In 1878 werd Cohn benoemd tot gewoon hoogleraar Romeins recht aan de Universiteit van Amsterdam. Ook deze benoeming had Cohn te danken aan een aanbeveling van zijn Heidelbergse leermeeester, de bekende pandektist Bernhard Windscheid, die de kwaliteiten van Cohns werk erkende, al vond hij dit veel te historisch en te weinig dogmatisch. Zijn Amsterdamse professoraat aanvaardde Cohn op 4 oktober 1878 met een rede Over de beteekenis van het Romeinsche regt in de landen waar codificatie bestaat. In 1880 werd Cohn lid van het Evangelisch-Lutherse Kerkgenootschap. Twee jaar later veranderde hij zijn familienaam in Conrat zonder daarmee zijn joodse afkomst te willen verloochenen, want vaak liet hij de naam Conrat volgen door de naam Cohn tussen haakjes daarachter te plaatsen. Hij bleef Duitser en voelde zich in Amsterdam geroepen als een trait d'union tussen de Duitse en de Nederlandse wetenschap te fungeren. Zijn studenten kregen Duitse rechtswetenschappelijke literatuur op, en van zijn kant vertaalde hij werk in het Duits van J. Kappeyne van de Coppello. Aanvankelijk nog in het Duits docerend, ging hij spoedig over op het Nederlands, al zou later J.C. van Oven zich nog herinneren dat het 'noch Nederlands noch Duits' was geworden. Hoewel zijn publikaties overwegend historisch van aard zouden zijn, schonk Cohn in zijn colleges over het Romeins privaatrecht toch aan de dogmatische elementen ervan de meeste aandacht met gebruikmaking van het Corpus luris. Bij de studenten, met wie Cohn altijd een prettige verhouding had, geïnteresseerd als hij was in het wel en wee van elk persoonlijk, ook na hun studie, werden in het bijzonder zijn casus- en responsiecolleges gewaardeerd, omdat hij daarin met hen poogde gefingeerde gevallen van het heden naar Romeins recht op te lossen.

Behalve bij twee substantiële publikaties - het tweede 'Heft' van zijn Beiträge zur Bearbeitung des römischen Rechts (1880) en een kortere beschouwing over de christenvervolgingen (1897) bezien van Romeins-rechtelijk standpunt - is Conrat in zijn onderzoek van 1882 af een geheel nieuwe weg ingeslagen met de uitgave van het zg. Florentijnse rechtsboek uit het begin van de dertiende eeuw. Van dan af is het middeleeuwse Romeinse recht Conrats werkterrein, met bijzondere aandacht voor de lotgevallen van de Romeinse rechtsbronnen en de daarop betrekking hebbende literatuur in de vroege Middeleeuwen (van de zesde tot de twaalfde eeuw). Na enkele kleinere voorstudies verscheen zijn magistrale boek: de eerste band van Geschichte der Quellen und Literatur des römischen Rechts im früheren Mittelalter (1889). Van talrijke meestal nog niet of nauwelijks bestudeerde werken van de vroege Middeleeuwen behandelt Conrat hierin waar, wanneer en met welke bedoeling deze vroeg-middeleeuwse teksten waren geschreven. In tegenstelling tot de toen heersende opvatting, die vooral door Hermann Fitting werd verdedigd, betoogde Conrat dat die literatuur van geringe kwaliteit was, en dat er vóór 1100 van een werkelijke Romeins-rechtelijke wetenschap geen sprake is geweest. Conrats zienswijze op dit punt heeft zich in de rechtshistorische wetenschap van de twintigste eeuw algemeen doorgezet. De eerste band van Conrats Geschichte... heeft Kantorowicz (zie hierna onder L) terecht gekenschetst als het hoogtepunt van zijn oeuvre, dat voor de studie van het recht in de Middeleeuwen van blijvende waarde zou zijn.

Na de publikatie van de eerste band zette Conrat zich aan de voorbereiding van de tweede band van zijn Geschichte..., waarin hij de in de vroeg-middeleeuwse Romeins-rechtelijke literatuur beschreven rechtsnormen en rechtsinstellingen wilde behandelen. Uit zijn werken aan deze gigantische opgave is het te verklaren dat hij twaalf jaar lang slechts enkele kleine artikelen publiceerde. Toch is de geplande tweede band nooit verschenen. Conrats geringere aanleg voor 'Dogmengeschichte' dan voor bronnengeschiedenis en het feit dat voldoende voorstudies ontbraken, kunnen dit verklaren.

Misschien verhinderden ook ander werk en andere plichten de voltooiing van het tweede deel van zijn Geschichte... . Hij was in het academisch jaar 1895/1896 Rector Magnificus, waaraan o.a. een rectorale rede over het juridisch onderwijs te danken was, en in de laatste jaren van zijn professoraat publiceerde hij twee uitvoerige voorstudies voor deel II van zijn Geschichte... . De eerste studie (1903) is gewijd aan het Breviarium Alaricianum, de wetgeving van de Westgotische koning Alarik II in 506 uitgegeven, die nog twee eeuwen in Spanje heeft gegolden en in Frankrijk tot de twaalfde eeuw grote invloed had. Conrats werk bevat een naar moderne gezichtspunten systematisch ingedeelde letterlijke Duitse vertaling van de 'interpretatie', die in het Breviarium... is toegevoegd aan de erin opgenomen constituties van Romeinse keizers en aan de meeste erin opgenomen fragmenten van geschriften van Romeinse juristen. De enorme omvang van dit boek (meer dan 800 blz.) maakt het werk moeilijk hanteerbaar. Een jaar later publiceerde Conrat zijn Lex Romana canonice compta..., een in Italië gemaakte compilatie van Romeins-rechtelijke teksten, die naar inhoud in eigen, in het Duits gestelde formuleringen systematisch werd weergegeven. Twee detailstudies waren weer van bronnenhistorische aard: Die Entstehung des Westgotischen Gaius (1905) en Der Westgotische Paulus (1907). Conrat trachtte te bewijzen dat de Westgotische wetge-vingscommissie van de originele tekst van Paulus' Sententiae zou hebben gebruikgemaakt, hetgeen thans niet meer aanvaard wordt.

In Nederland werden Conrats hoogleraarschap en werk nog tijdens zijn leven hogelijk gewaardeerd. Dat bleek bij een in 1903 gehouden huldigingsbijeenkomst ter gelegenheid van zijn 25-jarig hoogleraarsjubileum en uit het hem in 1905 verleende lidmaatschap van de Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Toch nam Conrat op betrekkelijk jonge leeftijd, 59 jaar oud, ontslag als hoogleraar. Hij was van mening dat zijn Amsterdamse professoraat hem onvoldoende gelegenheid liet voor handschriftenonderzoek in buitenlandse bibliotheken. Op 13 juni 1907 hield hij zijn afscheidscollege. Na een studieverblijf in Italië vestigde Conrat zich in 1908 te Heidelberg, waar hij, pas 63 jaar oud, aan een hartaanval overleed.

Het oordeel over Conrats kwaliteiten van drie bekende Nederlandse juristen die Conrats onderwijs in Amsterdam gevolgd hadden was zeer positief. In van elkaar afwijkende woordkeuze noemden P. Schölten, E.M. Meijers en J.C. van Oven (zie L) hem een uitnemend rechtshistoricus en voortreffelijk docent. De mening van B.M. Telders is anders, al behoeft deze er niet geheel in tegenspraak mee te zijn 'Max Conrat (Cohn) heeft in het Nederlandsche cultuurleven geen rol gespeeld, noch invloed van eenige beteekenis uitgeoefend' (zie L). Dit laatste oordeel hing waarschijnlijk samen met het feit dat Conrat zich in geschriften over direct voor de moderne samenleving relevante problemen niet heeft uitgelaten. Toegegeven moet in elk geval worden dat Conrat met zijn onderzoek op het gebied van het vroeg-middeleeuwse recht geen school heeft gemaakt. Dat wordt niet alleen veroorzaakt door de weerbarstigheid van deze materie, maar ook door de veelal geringe toegankelijkheid van zijn publikaties. Daarin ontbreken meestal inleidingen, samenvattingen en registers; zijn zakelijke stijl is soms droog, en vele bladzijden bestaan vrijwel geheel uit noten. Ondanks deze vormgebreken is Conrats bijdrage aan de wetenschap der rechtsgeschiedenis groot en blijvend. Met 'mühselige', echt-Duitse 'Gelehrtenfleiss' heeft hij talrijke handschriften uit bibliotheken in heel Europa en de gedrukte bronnen van het Romeinse recht uit de vroege Middeleeuwen grondig bestudeerd en het Romeinse recht van deze periode voor later onderzoek toegankelijk gemaakt. Mede door het vrijwel ontbreken van tijdgebonden waardeoordelen over rechtsgeleerde werken uit het verleden, zijn zijn werken van actuele betekenis voor de rechtshistoricus. Deze blijkt uit het feit dat van bijna al de in boekvorm verschenen werken van Max Conrat in de jaren na 1945 één of meer herdrukken zijn verschenen.

P: Bibliografie (excl. recensies t.z.v. antiek Romeins recht) en Nachlassinventar in onder L genoemd artikel van Kantorowicz.

L: E.W. van Straaten, 'Prof. Dr. Max Conrat', in Amsterdamsche Studentenalmanak 78 (1908) 43-52; H.U. Kantorowicz, 'Max Conrat (Cohn) und die mediävistische Forschung', in Zeitschrift der Savigny-Stiftung für Rechtsgeschichte, Rom. Abt. 33 (1912) 417-473; P. Schölten, in Amsterdamsche Studenten-Almanak 83 (1913) 57-60; J.S. Theissen, in Gedenkboek van het Athenaeum en de Universiteit van Amsterdam 1632-1932 (Amsterdam, 1932) 572; B.M. Telders, 'De joodsche geest en het recht', in Anti-semitisme en Jodendom. Een bundel studies over een actueel vraagstuk onder redactie van H.J. Pos (Arnhem, 1939) 123- 124; J.C. van Oven, 'Dogmatische en historische rechtswetenschap', in Ars Aequi 5 (1955-1956) 1 -2; W. Hellebrand, in Neue Deutsche Biographie (Berlijn, 1956) III, 314; J.A. Ankum, 'Van Cras tot Conrat. De beoefening van het Romeinse recht door de hoogleraren aan het Athenaeum Illustre en aan de Universiteit van Amsterdam in de negentiende eeuw', in Samenwinninge. Tien opstellen over rechtsgeschiedenis geschreven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het interuniversitair instituut Nederlands Centrum voor Rechtshistorische Documentatie [Red. H. van den Brink et al.] (Zwolle, 1977) 109-112.

J.A. Ankum


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013