Constandse, Anton Levien (1899-1985)

 
English | Nederlands

CONSTANDSE, Anton Levien (1899-1985)

Constandse, Anton Levien, publicist en journalist (Brouwershaven 13-9-1899 - 's-Gravenhage 23-3-1985). Zoon van Adrianus Constandse, hotelhouder en winkelier, en Jansje van Dijk. Gehuwd op 18-5-1921 met Johanna van Harselaar. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na echtscheiding (11-6-1926) gehuwd op 16-11-1938 met Gerarda Hendrika van der Gaag. Ze hadden 1 zoon. afbeelding van Constandse, Anton Levien

Constandse groeide op in een vrijzinnig gezin (de moeder was doopsgezind). Na de dood van zijn vader, 7 september 1904, vestigde de moeder zich met de vijf kinderen in Den Haag: zij nam daar een broodwinkel over. Na de lagere school in Den Haag volgde Anton de Rijksnormaalschool, eerst in Dordrecht en later te 's-Gravenhage. Hij kwam onder invloed van het tijdens de Eerste Wereldoorlog op kweekscholen heersende idealisme. Zo werd hij o.a. lid van de Kweekelingen Geheelonthoudersbond. In 1918 behaalde Constandse zijn onderwijsakte, maar hij werd geen onderwijzer. Hij verwierf zich na 1918 snel een eigen plaats als schrijver en spreker in de anarchistische en de vrijdenkersbeweging en stelde zich geheel in dienst van haar propaganda. Hij hield spreekbeurten door het hele land, gaf bijlessen waardoor hij in zijn karig onderhoud kon voorzien.

Het anarchisme van Anton Constandse was aanvankelijk doordrongen van revolutionaire verwachtingen en ging uit van de sterke en vrije persoonlijkheid die sociaal handelt. De revolutie zou haar eigen radenorganisatie scheppen; partijen, vakverenigingen en 'bonzendom' werden fel bestreden. Aan dit anarchisme gaf Constandse gestalte in de door hem uitgegeven maandbladen Alarm (1922 - 1926) en Opstand (1926 - 1928). Zij waren heftig en oorspronkelijk. Ondertussen behaalde hij door zelfstudie op 9 augustus 1927 de akte Frans-MO-A (de akte B volgde in 1931). De dag daarna moest Constandse al boete doen voor zijn anarchistische idealen: voor de duur van twee maanden verdween hij in de gevangenis te Scheveningen. Hij was wegens 'opruiing tot opzettelijke ongehoorzaamheid en muiterij' aangeklaagd nadat hij op 16 maart 1927 in De Vrije Socialist een artikel had gepubliceerd waarin hij mariniers tot muiterij en arbeiders tot staking had aangespoord n.a.v. het zenden van Hr. Ms. 'Sumatra' naar Sjanghai om met de Japanners Europese nederzettingen te beschermen. Het atheïstisch weekblad De Nieuwe Cultuur, waarvan hij in 1928 de redactie voerde, richtte zich niet op agitatie maar op vorming.

In de jaren dertig verloor Anton Constandse, die nog steeds als free-lance publicist en bij lesgever zijn bestaan vond, onder invloed van de crisis en het veldwinnend fascisme, veel van zijn revolutionaire illusies. Hij schreef tegen het fascisme, o.a. Arische cultuur of Pruisendom (1935), en over andere actuele onderwerpen. Naar aanleiding van de ideeën van W. Reich publiceerde hij Sexualiteit en levensleer (1938), een onderwerp dat hem altijd bezig heeft gehouden. Constandse bepleitte volledige genotsaanvaarding, maar verwierp pure genotzucht. De Spaanse burgeroorlog en revolutie (1936-1939) wijzigde Constandses opvattingen over het anarchisme. Hij zag in Spanje, met zijn grote anarchistische volksbeweging, een laatste kans. Hij bepleitte nu organisatorische opvattingen die hij in De Alarmtijd had bestreden, en stelde de machtsproblematiek centraal. In 1937 bezocht hij Spanje. Daarna richtte hij de Federatie van Anarchisten in Nederland op, waarin hij secretaris en redacteur - van het orgaan De Vrije Arbeider - was(1937 - 1938). Zijn opvattingen legde hij neer in Grondslagen van het anarchisme (1938). Na de overeenkomst van München (1938) achtte hij de Spaanse zaak verloren, een wereldoorlog onvermijdelijk en gaf hij zijn geloof in de mogelijkheid van het anarchisme op. Hij zag nu verdediging van de bestaande cultuur tegen het fascisme als de eerste taak. Na de Tweede Wereldoorlog beschouwde hij ook elke revolutie als een onvermijdelijk, autoritair proces.

Op 7 oktober 1940 werd Constandse, die op de lijst van de zg. tweede groep Indische gijzelaars stond, door de Duitsers gearresteerd. Hij verbleef dertien maanden in Buchenwald, daarna in Haaren, Sint-Michielsgestel en Vught. In de kampen maakte hij kennis met prominente Nederlanders, onder wie de hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, D.J. von Balluseck. Op 17 september 1944 kwam hij vrij, omdat de Duitsers het kamp Vught voor krijgsgevangenen wilden inrichten en daarom de gijzelaars vrijlieten. Anton kwam weer in Den Haag terug, waar ook hij de hongerwinter moest doorstaan.

Na de bevrijding werd Constandse korte tijd door bemiddeling van Von Balluseck bij de afdeling voorlichting van het Militair Gezag betrokken en kwam hij daarna op diens aanbeveling bij de redactie van het Algemeen Handelsblad in Amsterdam. Hier werkte hij tot 1964 als redacteur en later als chef-buitenland, de laatste jaren als correspondent te Brussel. Verschillende journalisten - die toen met hem samenwerkten - zoals H.J.A. Hofland, J.P.A. Gruijters en E.G. Lachman, erkennen in hem de leermeester die hun de techniek van het vak bijbracht. Ondertussen had hij reeds in 1945, door zelfstudie voor en tijdens de oorlog, de akte MO-Spaans kunnen behalen, en langs de weg van een colloquium doctum kon hij op 22 februari 1949 zijn doctoraal Spaans (cum laude) doen om vervolgens bij prof. J.A. van Praag op 20 november 1951 te promoveren op het proefschrift Le baroque espagnol et Caldéron de la Barca.

Voor de krant maakte hij reizen naar Oost-Europa, Rusland, Noord-Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Als redacteur baseerde hij zich zoveel mogelijk op concrete feiten. Zijn instelling was die van een waarnemer, zonder veel verwachtingen, maar pogend begrip te wekken voor sociale veranderingen, vooral die in de Derde Wereld. Deze houding, waarbij Constandse afstand behield tot de Koude-Oorlogmentaliteit, vindt men terug in Het lot belooft geen morgenrood (1960).

Constandse bleef zich, als spreker en schrijver inspannen voor de vrijdenkersbeweging, het Humanistisch Verbond (HV) en de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming (NVSH). Van 1945 tot 1951 schreef hij hoofdartikelen in De Vrijdenker, van 1951 tot 1954 was hij redacteur van Verstandig ouderschap (NVSH) en in 1968/1969 van Mens en Wereld (HV).

Na zijn pensionering in 1964, die ongeveer samenviel met het begin van een roerige periode in de Nederlandse samenleving, genoot Constandse, als een van de weinigen van zijn generatie, langdurige populariteit bij de progressieve jeugd door zijn medewerking aan actuele VPRO-radioprogramma's en tv-forums - waar zijn nasale stemgeluid hem zeer herkenbaar maakte - en door talrijke bijdragen aan opiniebladen als De Nieuwe Linie, De Groene Amsterdammer, Vrij Nederland. Hij maakte indruk door zijn grote en parate feitenkennis en zijn analyses, die vaak een duidelijke en soms omstreden stellingneming inhielden tegen de in zijn ogen verwerpelijke politiek van de Verenigde Staten. De Amerikaanse machtsontplooiing vond hij het grootste gevaar voor de vrede en de voornaamste hinderpaal voor het streven naar emancipatie in de Derde Wereld (Vietnam, Latijns-Amerika). In de Westerse samenleving zag hij nieuwe mogelijkheden voor een libertaire ontwikkeling. Nu beleed hij een reformistisch anarchisme; van 1973 tot 1983 was hij redacteur van het anarchistische tijdschrift De As.

Van 1968 tot 1976 - dus van zijn 69e tot zijn 77e jaar - vervulde Constandse met veel succes een leeropdracht geschiedenis van Spanje en Latijns-Amerika aan de Universiteit van Amsterdam. Ondertussen bleef hij publiceren en was hij van 1965 af tot kort voor zijn dood een actief lid van de redactie van De Gids - dat sinds de jaren '60 van politieke kleur was gewisseld - waarin hij essays en buitenlandse kronieken schreef. In zijn laatste tien levensjaren verscheen een viertal essaybundels, Bevrijding door verachting [1976], Anarchisme, inspiratie tot vrijheid (1979), Het weerbarstige woord (1981), Het soevereine ik (1983), waarin zijn politiek-culturele interesses en ideeën zijn terug te vinden. Na zijn dood werd De bron waaruit ik gedronken heb. Herinneringen van een vrijdenker (1985) samengesteld.

Constandse heeft ongeveer 40 boeken, circa 80 brochures - soms onder pseudoniem als dr. A. Elsée, G. Hamer, Pol de Beer, F.C.O., C.G.G. en G.L.-en meer dan 500 radiotoespraken op zijn naam staan, waarvan vele voor de Vrije Gedachte en het Humanistisch Verbond. Zijn verdiensten voor beide organisaties vonden erkenning in respectievelijk een erelidmaatschap (1978) en de J.P. van Praagprijs (1972). In 1982 ontving hij de culturele prijs van de provincie Zuid-Holland.

Hij karakteriseerde zichzelf als 'Een ambachtsman wiens werktuig het woord was. ...Soms opstandig, vaak in vrijheid analyserend en gewoonlijk afkerig van dienstbaarheid'. Constandse was een sterke en beminnelijke persoonlijkheid, die erg op zijn privacy was gesteld, maar een warme belangstelling voor mensen had.

A: Archief en ikonografie op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Zeer persoonlijke stukken nog onder beheer familie.

P: Beknopte bibliografie in De bron waaruit ik gedronken heb.

L: Speciale nummers gewijd aan Constandses 70e, 80e en 85e verjaardag in De Gids 132 (1969) II, 1-117; ibidem 142 (1979) II, 363-478; De As 7 (1979) 39/40 (mei/ augustus); Bzzlletin (1979) 68 (september) 3-14; Maandblad De Vrije Gedachte (1984) 149 (september); Rudolf de Jong, 'Anton Constandse en het Nederlands anarchisme', in De Gids 148 (1985) 9/10 (december) 735-758.

I: Ilse N. Bulhof, Freud en Nederland. De interpretatie en invloed van zijn ideeën (Baarn 1983) 328.

R. de Jong


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013