Coolen, Antonius Franciscus (1897-1961)

 
English | Nederlands

COOLEN, Antonius Franciscus (1897-1961)

Coolen, Antonius Franciscus (Antoon), journalist, romancier, toneelschrijver (Wijlre 17-4-1897 - Eindhoven 9-11-1961). Zoon van Johannes Hendrikus Antonius Coolen, winkelier, en Maria Goordina Swinkels. Gehuwd op 5-6-1929 met Gerarda Petronella de Jong. Uit dit huwelijk werden 4 zoons geboren. afbeelding van Coolen, Antonius Franciscus

Antoon Coolen kwam uit een gezin van zeven kinderen: hij was de derde. Zijn vader, aanvankelijk bierbrouwersknecht, trok in 1903 naar Deurne, waar hij een winkel hield. Antoon is daar opgegroeid, hij leerde er de Peelwerkers (veenarbeiders) kennen en raakte er ook in contact met H.N. Ouwerling, redacteur van het Helmonds nieuwsblad De Zuid-Willemsvaart. Deze bezorgde Coolen na zijn gymnasiumtijd in Heeswijk (hij maakte de school niet af) een baantje op een drukkerij in Helmond; hij wees zijn pupil op het belang van (kritische) regionale romans, zoals de verhalen over de Peel van H.H.J. Maas (1877-1958); hij liet de jonge Coolen de boeken lezen van Hendrik Conscience en Stijn Streuvels. Spoedig geraakte Coolen betrokken bij journalistiek werk, werd journalist, eerst in Eindhoven, daarna Maastricht, en verhuisde in 1920 als redacteur van het katholieke streekblad De Gooische Post naar Hilversum.

In 1921 verscheen een aantal schetsen van Antoon Coolen, onder de titel Lentebloesem. Van de tien stukjes in deze bundel speelde er slechts één in Brabant, tot teleurstelling van Ouwerling. Toch zou Coolens mentor wel aan zijn trekken komen, want daarna (vanaf 1926) verschenen van Coolen vele verhalen en romans over Brabant, het merendeel over de Peel. Bekendheid in Nederland als auteur kreeg Coolen in 1928 met zijn roman Kinderen van ons volk, dat vele malen herdrukt en vertaald werd, evenals de daarna verschenen romans Het donkere licht (1929), Peelwerkers (1930), De goede moordenaar (1931) en De schoone voleinding (1932), deze laatste roman als vervolg op Kinderen van ons volk.

In de eerste van de hier genoemde romans. Kinderen van ons volk, vinden we een aantal kenmerken die typerend zijn, ook voor het latere werk van Antoon Coolen. In de eerste plaats zou men het boek 'polythematisch' kunnen noemen: het is niet alleen het verhaal van het boerenmeisje Marie Verberne en haar vrijers, maar ook van de ongelovige notaris en de - uiteraard - gelovige pastoor, en ook krijgen we het verhaal van kommer en zorg in het kinderrijke gezin van Doruske Timmer. Bovendien wil Coolen niet folkloristisch zijn, al worden in een boek als Kinderen van ons volk wel folkloristische gebeurtenissen beschreven. Het gaat Coolen om het gedrag van de mensen in het kader van hun streek en streekgewoonten, maar het gaat niet om de streek.

Coolens proza is vaak - men zou dat een ander kenmerk kunnen noemen, dat ook bij Kinderen van ons volk aan de dag treedt - poëtisch van inslag, vooral bij natuurbeschrijvingen, zonder dat de verhaallijn daardoor nu zozeer onderbroken wordt, al is het begrijpelijk dat hem door critici wel 'breedvoerigheid' (o.a. Simon Vestdijk in een overigens lovende bespreking) verweten wordt. Ook geeft Coolen geen idealiserende verhulling van economische en sociale situaties, maar hij bedoelt zijn werk toch niet als een aanklacht, zoals de Peelromans van de genoemde Herman Maas. Wel gebruikt Coolen - zoals zo veel streekromanschrijvers - dialect. In zijn eerste romans doet hij dat zeer nadrukkelijk, al is het voor een niet-Brabander nog wel te volgen. In later werk (bijvoorbeeld Herberg In 't misverstand, 1938) is Coolen heel wat spaarzamer in het dialectgebruik, en als hij het al aanwendt lijkt dat op die bijzondere plaats ook verantwoord; overigens van zijn eerste roman af aan blijkt Coolen een uitstekend en boeiend verteller te zijn. Dikwijls weet hij de spanning op te voeren door wat onwerkelijk aandoende dreigingen, en meestal komt er een moord, zelfmoord, of het verhaal van een moord die gebeurd is.

Sociografisch-sociologisch onderzoek naar het werk van Coolen heeft aangetoond dat de Peelverhalen zich afspelen in het begin van de twintigste eeuw, en in het noordelijk gedeelte van de Peelgemeente Deurne, nl. het dorp Deurne en de Zeilberg. In dit Deurne zou hij zich trouwens, nu met zijn gezin, in 1933 opnieuw vestigen. Toch speelt Coolens bekendste roman, Dorp aan de rivier (1934), in het noordoosten van Brabant in de Maasvallei. Dit boek is duidelijk geïnspireerd door de legendarische huisarts-schilder Hendrik Wiegersma, wiens vader ooit arts was geweest in Lith aan de Maas. Wiegersma's fantastisch-heroïsche verhalen gaven Coolen ook de stof voor De drie gebroeders (1936), dat in Friesland speelt.

In 1933 werd Antoon Coolen redacteur van het R.-K. literaire tijdschrift De gemeenschap een gewaardeerd redacteur, hoewel hij weinig betrokken kon zijn bij strijdende visies van literaire stromingen in die tijd. Behalve romans publiceerde Coolen ook verhalen, verzamelde en bewerkte hij legenden, sprookjes, kerstverhalen (bijv. Kerstmis in de Kempen uit 1937). In 1938 verhuisden Coolen en de zijnen naar Waalre; van de Peel naar de Kempen. De Peel bleef echter wel een rol spelen in zijn verhalen, ook in zijn voorlopige laatste grote roman. Herberg In 't misverstand (1938);

Coolens streekromans en verhalen werden veel vertaald, o.a. in Duitsland, en daar ook veel gelezen (Heimatkunst!). Hij kreeg dan ook tijdens de Duitse bezetting nogal wat aanbiedingen voor een prijs, een lezing op een congres, het schrijven van een artikel of iets van dien aard; hij weigerde categorisch. Zijn oorlogsbelevenissen en -herinneringen staan vermeld in Bevrijd Nederland (1945), waarin Coolen zieh soms feller toont dan andere auteurs over de oorlog; hij protesteerde dan ook na de oorlog heftig tegen de slappe manier waarop tegen collaborateurs werd opgetreden.

Een ander taalgebied waar veel werk van Coolen vertaald en gelezen werd, was het Tsjechische deel van Tsjechoslowakije. In 1947 kreeg hij van het verbond van Tsjechische schrijvers een uitnodiging voor een reis door het Tsjechische land. Het resultaat van die reis was een boeiend en lyrisch reisverslag, Tsjechische suite (1948). Coolen werd niet alleen veel vertaald, hij vertaalde zelf ook, hij redigeerde verzamelbundels (bijv. Andersen), en als er een bundel hedendaagse novellen verscheen stond er altijd wel een verhaal van Coolen in. Zo verscheen één van zijn knapste verhalen, 'Ontmoeting in niemandsland', in een gemeenschappelijk aprilnummer van een aantal literaire en culturele tijdschriften zoals Het boek van Nu, De Gids e.a. ter gelegenheid van de tiende bevrijdingsdag. Nationale Snipperdag. Onder red. van Bert Bakker [et al. Baarn [etc.], 1954].

Verder was Coolen een niet onverdienstelijk toneelschrijver, reeds vóór de oorlog, maar vooral toen hij sinds 1950 eigenlijk de tekstschrijver werd voor de toneelvereniging 'De Kersouwe', die het openluchttheater in Heeswijk bespeelde. De premières in het Heeswijkse 'natuurtheater' werden een jaarlijks weerkerende gebeurtenis: soms waren het oude legenden die gedramatiseerd waren, zoals Sint Cunera van Rhenen (1954), soms sprookjes, zoals Het meisje in de toren (1952), en soms alleen maar eigen fantasie, zoals Mars en Venus (1958), welk laatste stuk nog jaren door dilettanten (o.a. scholieren) gespeeld is.

Toen men dacht dat er van Coolen geen roman meer van enige omvang zou verschijnen verraste de auteur in 1953 met een omvangrijke en knap gecomponeerde roman, De vrouw met de zes slapers. Dat Coolen zich wel degelijk bewust was van de veranderende toestanden in het Brabantse land, blijkt uit zijn laatste romans: De grote voltige (1957) en Stad aan de Maas (1960).

Op 11 oktober 1961 valt Antoon Coolen bij Waardenburg uit een rijdende trein, zonder dat iemand het gemerkt heeft; de oorzaak van het ongeluk is onduidelijk. Op 9 november daarna overlijdt mogelijk aan de gevolgen van dit ongeluk een auteur die door Brabanders en niet-Brabanders, door katholieken en niet-katholieken gewaardeerd en gelezen werd.

A: Archief-Coolen in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: T. Renes, Bibliografie van Antoon Coolen 2e dr. (bijgew. tot 1 januari 1961) ('s-Gravenhage [etc.], 1961). Verder bibliografie in Bert Beulens, Antoon Coolen 1897-I961 (Deurne, 1980) 146-149.

L: Voor publikaties over Coolen en zijn werk raadplege men het onder P genoemde werk van T. Renes (tot 1961) en het eveneens onder P vermelde werk van Bert Beulens, waarin ook een aantal vroegere en latere artikelen over Antoon Coolen zijn opgenomen. Verder J.P.A. van Dam en J.M.W.G. Lucassen, H.H.J. Maas, 1877- 1958. Onderwijsman, literator en journalist (Tilburg, 1976). Bijdragen tot de Geschiedenis van het Zuiden van Nederland: 37; Theo Pollemans, Een kind van zijn volk. Leven en werken van Antoon Coolen (Lelystad, 1978); C.E.H.M. Peters, 'De verbeelding van Antoon Coolen en de werkelijkheid van de Peel', in Sociale Wetenschappen 24 (1981) 181 - 194; Jan Zeeuwen, 'Antoon Coolen', in Helmonds Heem (1982) 3 (okt.) 95-102; Rolf Italiaander, 'Antoon Coolen hat Heimweh...' in R. Italiaander, Lichter im Norden (Husum, 1983) 165 - 168; G. Klijn, 'Vijftig jaar "Dorp aan de rivier"', in Maaskroniek 1 (1984), (17 september) 221 - 225; T. Kools, De na-oorlogse relatie tussen Antoon Coolen en Huub van Doorne (Deurne, 1986); Michel van der Plas, 'Een man van de dorpskom en de snorrende haard', in Elsevier, 16-1-1988.

I: http://www.dbnl.org/auteurs/beeld.php?id=cool004 [Foto: Brok]

W.A. Ornée


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013