Cramer, Charles Guillaume (1879-1976)

 
English | Nederlands

CRAMER, Charles Guillaume (1879-1976)

Cramer, Charles Guillaume, waterstaatsingenieur en socialistisch politicus (Sidho-Ardjo (Ned.-Indië) 20-10-1879 - Haarlem 18-9-1976). Zoon van Charles Guillaume Cramer, arts, en Elise Caroline Wilhelmine Gebhardt. Gehuwd op 14-1-1903 met Eugénie Eilbracht. Dit huwelijk, waaruit 2 zoons en 1 dochter werden geboren, werd ontbonden op 31-10-1922. afbeelding van Cramer, Charles Guillaume

Cramer onderging zowel de invloed van zijn vader, verlicht liberaal, als van het orthodox-protestantse milieu van zijn moeder. Hij kreeg alle gelegenheid zich op zijn eigen wijze te ontplooien. Na zijn eindexamen HBS in Leiden ging hij naar de Polytechnische School in Delft. In zijn studententijd ontwikkelde hij zich vooral onder invloed van prof. B.H. Pekelharing in sociaal-democratische richting. Cramers christen-socialisme bleef geruime tijd een wereldbeschouwelijke aangelegenheid, zonder praktische politieke consequenties.

Na het behalen van zijn diploma van civiel ingenieur (1901) volgde een benoeming bij de Indische Waterstaat (departement van Burgerlijke Openbare Werken). Hij kwam terecht bij de aanleg van de eerste waterleiding op Soerabaja, 1902/1903. Na een jaar leraarschap in de wiskunde aan de HBS te Semarang begon zijn eigenlijke waterstaatsloopbaan: eerst in West-Tjirebon (1904-1906) en daarop in de 'Oosthoek', bij de 'Sampean-werken' (1906-1913). Daar kreeg hij met de problemen van de suikerindustrie te maken, die veel irrigatiewater nodig had. Daarnaast werd Cramer geconfronteerd met de belangen van Madoerese en Javaanse boeren die zich in dit 'frontier'-gebied kwamen vestigen. Voor hen propageerde hij eenvoudige, zelf te onderhouden irrigatiemethoden, die door zijn sterk grootschalig denkend departement slechts met moeite werden geaccepteerd. Krachtig kwam Cramer op voor de irrigatiebelangen van de kleine boeren, zo nodig dwars tegen de suikerondernemingen in. Door zijn werk was Cramer ook actief in het verenigingsleven: hij was een der oprichters van de Vereeniging van Waterstaatsingenieurs (1912) en werd later bestuurslid.

Zijn lange verlofperiode in Nederland (1913-1915) besteedde Cramer zowel aan studiereizen en lezingen, als aan het leggen en onderhouden van contacten met leiders van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Christen-socialistische beweging, die hij beide reeds geruime tijd royaal financieel gesteund had. Via zijn studie- en partijgenoot J.W. Albarda liet hij bovendien druk uitoefenen op de minister van Koloniën, Th.B. Pleyte, om de irrigatiewaterverdeling tussen de suikerindustrie en de boeren te verbeteren. Er werd ten slotte door Koloniën opdracht verleend aan een commissie in Ned.-Indië een onderzoek in te stellen en de codificatie van het waterrecht in Java voor te bereiden. Cramer zou, eenmaal teruggekeerd in Indië, in deze commissie een leidende rol vervullen. De eindconclusie van deze commissie (1919)-de bouw van speciale vergaarkommen, 'wadoeks', om het nachtwater op te zamelen voor gebruik overdag; dit in de plaats van de gehate 'dag en nachtregeling', waarbij de lokale boeren slechts de beschikking hadden over de nachtelijke watertoevoer. Met enige moeite kwam dit wadoek-systeem op beperkte schaal tot uitvoering (1920).

Duidelijker dan tevoren bewoog Cramer zich nu ook in Indië op politiek terrein. Hij voelde maar weinig voor de radicaal-politieke strevingen van de Indische Sociaal-Democratische Vereeniging, scheidde zich zelfs met een groep van overtuigde SDAP'ers in Indië in september 1917 van deze Vereeniging af, al zou hij overigens nimmer tot de felle bestrijders behoren van H.J.F.M. (Henk) Sneevliet, destijds de in Indië fel agerende radicale vakbondsman en socialist, die ten slotte in 1918 door het gouvernement zou worden uitgewezen. Cramers politieke mogelijkheden kregen overigens pas grotere ruimte door het lidmaatschap in de Eerste Volksraad in Indië (1918 - 1923), waarin hij als voorzitter van de inmiddels opgerichte Indische Sociaal-Democratische Partij (ISDP) door gouverneur-generaal J.P. graaf Van Limburg Stirum werd benoemd. Hier trad hij naar voren als dé promotor van samenwerking tussen nationalisten en socialisten teneinde versneld hervormingsmaatregelen te doen doorvoeren. Cramer ijverde voor verbetering van de arbeidsverhoudingen, de volkshuisvesting, de watervoorziening van de boeren; hij kwam op voor staats- in plaats van particuliere exploitatie (vooral bij de mijnbouw) en pleitte voor grotere politieke bewegingsvrijheid en hervorming van de Volksraad tot een parlement. Dit laatste streven bereikte een hoogtepunt met Cramers rede op 16-11-1918 en de vorming, op zijn initiatief, van de Radicale Concentratie van Budi Utomo, Sarekat Islam, Insulinde en de ISDP. Mede onder invloed van de revolutionaire ontwikkelingen in Europa bleek de Ned.-Indische regering even bereid tot vergaande hervormingen. Er heerste een paniekstemming in Europese kring. Aan Cramer en zijn partijgenoten werden echter al gauw door tegenstanders staatsgevaarlijke neigingen toegeschreven en het tij in de Indische regering en de Volksraad kenterde snel. De Commissie tot herziening van de Staatsinrichting van Nederlandsch-Indië (1918-1920), waar Cramer in een minderheidsnota opkwam voor een volwaardig parlement, kon dan ook geen grote invloed uitoefenen op de nieuwe staatsinrichting van 1922. Onder Cramers leiding kon de ISDP enige tijd invloed verwerven op meer ontwikkelde en politiek-bewuste Indonesiërs, die in geen verhouding stond tot de bescheiden getalssterkte van de ISDP als zodanig. In zijn hoop dat eens deze partij zou kunnen uitgroeien tot een grote Indonesische socialistische partij stond hij waarschijnlijk alleen.

In 1923 vertrok Cramer als verlofganger - inmiddels bevorderd tot hoofdingenieur - naar Nederland. Hier bracht de SDAP hem al spoedig in het parlement: eerst in de Eerste Kamer (1924/1925), waar hij nauw met zijn voorganger H.H. van Kol samenwerkte, en daarna in de Tweede Kamer (1925 - 1937). Zijn redevoeringen besloegen praktisch alle belangrijke aspecten van de Nederlandse politiek ten opzichte van 'Indië' met een sterke nadruk op de uitbreiding van politieke rechten en sociaal-economische maatregelen voor de bescherming en opheffing van de bevolking. Bij herhaling protesteerde hij tegen repressieve maatregelen, zoals de vervolging van Indonesische studenten in Nederland (1927), het proces tegen Soekarno als leider van de Partai Nasional Indonesia (PNI) (1930/1931), de massale bestraffing en verbanning van leiders en leden van de Kommunistische Partij na de opstand van 1926/1927, en de aanpak van de muiterij op 'De Zeven Provinciën' (1933). In dat laatste jaar stond Cramer opnieuw in het middelpunt: de 'meest gehate man' van de kant van conservatief Nederland, n.a.v. zijn spontane uiting van solidariteit. Het regime van gouverneur-generaal jhr. B.C. de Jonge (1931-1936) achtte hij fataal voor de relatie tussen Nederland en Indonesië. Ook al was Cramer iets milder gestemd ten opzichte van het bewind van jhr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer (1936-1942), toch hield hij vast aan zijn overtuiging dat de Indische regering bij voortduring alle kans op samenwerking met de nationalistische beweging verspeelde. Binnen het kader van de sociaal-democratische beginselen - Cramer verwierp de communistische leuze 'Indië los van Holland' (1914- 1938)-was hij een enthousiaste radicaal op koloniaal terrein, overtuigd van het recht op zelfstandigheid van alle koloniale volken. Hij droeg bij tot het koloniaal program van de Socialistische Internationale (Brussel 1928) en van de SDAP (Utrecht 1930). Het tekent Cramer dat hij tot het laatste toe op internationale congressen (Wenen 1931, Parijs 1933) als enige onvermoeid bleef opkomen voor een krachtige antikoloniale politiek, dwars tegen het getij in.

In 1937 gepensioneerd, begon Cramer aan een grote reis door Azië (o.a. Indo-China, Filipijnen), die werd afgebroken door de Japanse bezetting. De jaren 1942-1945 bracht Cramer in interneringskampen op Java door. Na de eerste 'politionele actie' (1947) raakte hij diep teleurgesteld in de politiek van de Partij van de Arbeid, die hij als een verslappende teruggang in de oude SDAP-traditie beschouwde. In zijn onuitgegeven memoires, die hij in 1949 begon te schrijven in het teken van noodzakelijk voortgaande strijd tegen imperialisme, kolonialisme en militarisme, is zijn vervreemding van de toenmalige sociaal-democratie goed te volgen.

Cramer had met Van Kol gemeen: een bijzonder waterstaatstalent, een sociaal-pragmatische her-vormingsdrift en een naïeve openhartigheid. Cramer was echter een overtuigder antikoloniaal dan de oudere partijgenoot, en zo kon zijn sociaal-democratisch radicalisme welhaast moeiteloos overgaan in een modern 'Derde Wereld'-engagement. Cramers betekenis lag aanvankelijk vooral in zijn voortreffelijke waterstaatswerk, niet in de laatste plaats ten gunste van de bevolking. Cramer was modern in het praktisch ijveren voor aanvullende irrigatiemethoden op het technologisch niveau van de boeren op Java zelf. Zijn sociaal-democratische hervormingspolitiek sluit hierbij aan, gecombineerd met een visie op onafhankelijkheid, die door vele van zijn gematigder partijgenoten niet werd gedeeld. Op een bescheiden manier heeft Cramer in het interbellum als een antikoloniaal geweten van de sociaal-democratie gefunctioneerd.

A: Archief - Ch.G. Cramer in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Dienstrapporten en nota's vooral opgesteld aan het eind van zijn Oosthoekperiode (1913) voor de irrigatie afdeling 'Pekalen-Sampean'; De ingenieur in Ned.-Indië op technisch en sociaal gebied (Amsterdam, 1914) en zijn voorstel voor de Waduk-bouw (1916). Verder Koloniale politiek (Amsterdam, 1929. 2 dl.); Onze koloniale politiek (Amsterdam, 1930).

L: D.M.G. Koch, 'De novemberverklaring 1918 in de Volksraad', in NRC , 15-11-1958, Wekelijks bijvoegsel, 1; 'Ir. Charles G. Cramer', in D.M.G. Koch, Batig slot. Figuren uit het Oude Indië (Amsterdam [etc.], 1960) 104- 109; P. van 't Veer, 'Ch.G. Cramer tachtig jaar', in Het Vrije Volk (Haagse editie), 20-10-1959; J.C.H. Blom, De muiterij op De Zeven Provinciën (Leiden, 1975) passim.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 321.

F. Tichelman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013