Daalen, Gotfried Coenraad Ernst van (1863-1930)

 
English | Nederlands

DAALEN, Gotfried Coenraad Ernst van (1863-1930)

Daalen, Gotfried Coenraad Ernst van, gouverneur van Atjeh en commandant van het leger in Ned.-Indië (Makassar (Ned.-Indië) 23-3-1863 - 's-Gravenhage 22-2-1930). Zoon van Gotfried Coenraad Ernst van Daalen, kapitein Oostindisch Leger, en Jacoba Wilhelmina Weijergang. Gehuwd op 20-4-1893 met Christine Elisabeth de Lang Evertsen. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. afbeelding van Daalen, Gotfried Coenraad Ernst van

Van Daalen doorliep de HBS in Den Haag tot de derde klas en volgde met ingang van 6 september 1879 de opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) te Breda, waar in juli 1883 de studie met plaatsing als tweede luitenant bij het wapen der artillerie van het leger in Nederlands-Indië werd afgesloten. Deze plaatsing zou echter nog ruim een jaar op zich laten wachten, zodat hij pas op 23 december 1884 weer in zijn geboorteland arriveerde. In deze jaren van definitieve vestiging van het Nederlandse gezag in de gehele Indische archipel, gekenmerkt door vele expedities en de sinds 1873 woedende Atjeh-oorlog, was het niet verwonderlijk dat hij daaraan ook deelnam. Voor zijn optreden tijdens een gevecht bij Kota Tuanku in Atjeh werd hij benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde 4e klasse (1890).

Van 1891 tot 1894 volgde Van Daalen in Nederland de lessen op de krijgsschool te 's-Gravenhage. Teruggekeerd in Indië in 1895, een jaar tevoren bevorderd tot kapitein, werd hij eerst geplaatst bij de Generale Staf en een jaar later opnieuw naar Atjeh gezonden. Ook nu onderscheidde hij zich tijdens krijgsverrichtingen, en in 1898 werd hij bevorderd tot Ridder Militaire Willemsorde 3e klasse. Overplaatsing in 1899 bij het Korps Marechaussee te voet in Atjeh en Onderhorigheden bracht hem in nauwer contact met de bevolking. Zo vervulde hij in de daarop volgende jaren nu en dan civiele bestuursambten, zoals die van waarnemend controleur en waarnemend assistent-resident. In 1901 volgde zijn buitengewone bevordering tot majoor, waarna zijn carrière pijlsnel omhoog ging; iedere twee jaar steeg hij een rang, waardoor hij, in 1900 nog kapitein, in 1909 reeds luitenant-generaal was. Op het eerste gezicht een schitterende en glad verlopen carrière, waarbij men wel moet bedenken dat Van Daalen jarenlang de hem goedgezinde generaal J.B. van Heutsz als chef heeft gehad: eerst toen laatstgenoemde gouverneur van Atjeh was en later als gouverneur-generaal. Inmiddels was Van Daalen in 1905 zelf civiel en militair gouverneur van Atjeh geworden.

Deze relatie tot Van Heutsz heeft ongetwijfeld Van Daalens loopbaan gunstig beïnvloed, evenals het feit dat het tussen Van Heutsz als gouverneur van Atjeh, en diens adviseur, de islamkenner C. Snouck Hurgronje, op het eind van de jaren negentig tot een verwijdering was gekomen. Snouck had ernstige bedenkingen tegen Van Daalen en hem bijvoorbeeld ongeschikt geacht Van Heutsz als gouverneur van Atjeh op te volgen wegens zijn hardhandig militair optreden. Van Daalen zou niet de aangewezen man zijn na de onderwerping ook de pacificatie van het gebied tot stand te brengen. Van Heutsz bleef achter Van Daalen staan, maar diens bloedige tocht met 200 man marechaussee en rond 400 dwangarbeiders als dragers naar de Gajo- en Alaslanden in Midden- en Zuid-Atjeh van februari tot juli 1904 scheen Snouck gelijk te geven. Ter verklaring van Van Daalens hard optreden is erop gewezen dat zijn tocht naar de Gajo- en Alaslanden het bewijs leverde dat van pacificatie geen sprake kon zijn zolang de onderwerping niet geheel voltooid was en de bevolking zich bleef verzetten.

De tocht zelf bracht in Nederland vele gemoederen in beweging en het katholieke Tweede-Kamerlid jhr. V.E.L. de Stuers noemde in november 1904 bij de Indische begrotingsdebatten de tocht, waarbij onder de inheemse bevolking 2922 doden waren gevallen, onder wie 1149 vrouwen en kinderen, een 'moordgeschiedenis'. Van Daalen verloor hiertegenover slechts twaalf man aan eigen doden. De antirevolutionaire minister van Koloniën, A.W.F. Idenburg, antwoordde de Kamer dat het niet-breken van de verzetshaarden tot gevolg zou hebben gehad dat binnen korte tijd de gehele Gajo- en Alaslanden zich tegen het Nederlandse gezag zouden hebben gekeerd. Ook Van Heutsz dekte Van Daalens optreden, naar aanleiding waarvan de laatste per telegram werd meegedeeld dat hij was bevorderd tot Commandeur in de Militaire Willemsorde, een na Waterloo en de Belgische Opstand zeldzaam geworden onderscheiding.

Onder Van Daalens bewind als gouverneur van Atjeh bleef de nadruk liggen op hardhandige onderdrukking van het verzet, dat toen mogelijk werd volgehouden dank zij de inspirerende Japanse overwinning op Rusland in 1905 en mede te wijten was aan de hoge belastingen die de Atjehse bevolking inmiddels werden opgelegd. In 1907 ontstond opnieuw beroering, toen in een artikelenreeks in het Haagse dagblad De Avondpost, geschreven onder het pseudoniem Wekker, melding werd gemaakt van vele wreedheden in Atjeh. De Tweede Kamer drong aan op een onderzoek, dat daarna Van Heutsz, als gouverneur-generaal, instelde en dat leidde tot Van Daalens ontslagaanvraag als civiel en militair gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden, enkele dagen nadat Van Heutsz een lange nota met op- en vooral aanmerkingen over Van Daalens pacificatiebeleid aan hem had toegezonden (december 1907). Stilzwijgend hield de nota ook in dat Van Heutsz zijn protégé Van Daalen had laten vallen.

De op een controverse uitgelopen relatie tussen twee militairen die hard optreden niet schuwden is onderwerp geweest van veel discussies en geschrijf, tot dissertaties toe, waarbij een Van Heutsz-factie het opnam tegen een groep aanhangers van Van Daalen, onder wie diens schoonzoon, prof. C. Gerretson, die op zijn beurt J.W. Naarding inspireerde tot diens proefschrift Het conflict Snouck Hurgronje - Van Heutsz - Van Daalen (Utrecht, 1938). Het debat is veelal niet uitgekomen boven de vraag wie nu de 'good guy' en wie nu de 'bad guy' was. Van Heutsz of Van Daalen. Het wezenlijke van de tegenstelling is beider onderling afwijkende opvatting omtrent het voeren van een koloniale oorlog en de daarvoor toe te passen methoden. Van Heutsz' denkbeelden hieromtrent waren ontleend aan de ideeën van de Franse generaals Thomas-Robert Bugeaud de la Piconnerie (1784 -1849), Joseph Simon Gallieni (1849-1916) en Louis Hubert Gonzalve Lyautey (1854-1934). Hun opvattingen kwamen erop neer dat de pacificering van een gebied diende te geschieden door de gecombineerde aanwending van militaire middelen en politieke maatregelen. De verovering van een dorp of streek moest dan ook zo worden uitgevoerd dat er bij wijze van spreken de volgende dag weer markt kon worden gehouden.

De toepassing van buitensporig geweld in gevallen van uitzonderlijk hardnekkig verzet, zoals Van Daalen dat had gedaan - met de goedkeuring van Van Heutsz - in de Gajo- en Alaslanden, was niet strijdig met dit systeem. Dit verloor echter z'n betekenis als de aanwending van dergelijk geweld ongediscrimineerd werd toegepast en men daarnaast door ondoordachte politieke maatregelen de inheemse bevolking en haar leiders ook nog tegen zich in het harnas joeg. Van Heutsz, door de hedendaagse Indonesische schrijver Pramudya Ananta Tur met respect bejegend, trof deze situatie aan toen hij in persoon zijn onderzoek instelde en constateerde dat Van Daalen, wiens credo blijkbaar niet verder reikte dan het nemen van harde maatregelen, zowel politiek als militair, een averechts pacificatiebeleid voerde. Medio 1908 werd Van Daalen opgevolgd door de toenmalige luitenant-kolonel H.N.A. Swart, wiens pacificatiepolitiek meer in overeenstemming was met Van Heutsz' opvattingen. De ironie van het lot wilde dat Van Daalen, ondanks alle rumoer dat rondom hem was ontstaan, in 1910 werd benoemd tot commandant van het leger in Ned.-Indië, waardoor hij aldus de militaire chef werd van dezelfde Swart die hem in 1908 in Atjeh had vervangen en daar nog steeds de functie van civiel en militair gouverneur bekleedde. Dat dit soms tot botsingen tussen commandant en gouverneur leidde is niet verwonderlijk. Van Daalen verliet de militaire dienst in 1914 en vestigde zich te 's-Gravenhage, door sommigen verguisd, door anderen geëerd, terwijl in de geschiedschrijving dit verschil in beoordeling nog lange tijd de discussie zou bepalen.

A: Stamboeken KNIL in Algemeen Rijksarchief en collectie-Van Daalen bij Sectie Militaire Geschiedenis Koninklijke Landmacht, beide te 's-Gravenhage.

P: 'Journaal van den commandant der Marechausseecolonne ter achtervolging van den pretendent Sultan in de Gajolanden', in Indisch Militair Tijdschrift 33 (1902) extra bijl. no. 2, 23 - 86; Verslag van den Tocht naar de Gajo- en Alaslanden in de maanden Februari tot en met Juli 1904 onder den luitenant-kolonel van den generalen staf G.C.E. van Daalen (Batavia, 1905).

L: Behalve de in de tekst genoemde publikatie en herdenkingsartikelen in De Indische Gids 36 (1914) I, 309-322; De Hollandsche Revue 19 (1914) 159-164; De Indische Gids 52 (1930) I, 305 - 308; Encyclopaedie van Nedertandsch-Indië 2e dr. ('s-Gravenhage, 1932) VI, 824-825: Wekker [pseud. voor W.A. van Oorschot], Hoe beschaafd Nederland in de 20e eeuw vrede en orde schept op Atjeh ('s-Gravenhage, 1907); H.A. Idema. Parlementaire geschiedenis van Nederlandsch-Indië, 1891 - 1918 ('s-Gravenhage, 1924); H.T. Damsté, 'Drie Atjeh-mannen: Snouck Hurgronje-Van Heutsz-Van Daalen', in Koloniaal Tijdschrift, 1936-1938; Het conflict Van Heutsz - Van Daalen. Toelichtende bescheiden uit de nalatenschap van Generaal van Daalen, uitgegeven in opdracht van zijn kinderen [Bandung, 1940]); Anthony Reid, The contest for North Sumatra. Atjeh, the Netherlands, and Britain, 1858-1898 (Kuala Lumpur [etc.], 1969); J.C. Witte, J.B. van Heutsz. Leven en legende (Bussum, [1976]); J.A.C. Tillema, Victor de Stuers. Ideeën van een individualist (Assen, 1982).

I: J.W. Naarding, Het conflict Snouck Hurgronje-Van Daalen. Een onderzoek naar de verantwoordelijkheid (Utrecht 1938) afbeelding tegenover stellingen.

H.L. Zwitzer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013