Damsté, Henri Titus (1874-1955)

 
English | Nederlands

DAMSTé, Henri Titus (1874-1955)

Damsté, Henri Titus, koloniaal ambtenaar (Huisduinen, gem. Helder 28-1-1874 - Leiden 6-1-1955). Zoon van Barteld Roelof Damsté, Ned. Her v. predikant, en Richardina Jacoba Gesiena Gallé. Gehuwd op 1-3-1906 met Isabella Franciska Muller. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren.

Als jongste van zeven kinderen in een groot en erudiet predikantengezin - zijn oudste broer, Pieter Heibert, was de bekende Utrechtse classicus - bezocht Henri Titus Damsté de HBS te Leiden, de stad waar zijn vader zich na zijn emeritaat gevestigd had. Vervolgens studeerde hij van 1891 tot 1894 aan de Indische instelling te Delft om in dat laatste jaar met goed gevolg het grootambtenaarsexamen voor de Indische dienst af te leggen; hij behoorde tot de geslaagde kandidaten die ook inderdaad werden uitgezonden. Eind 1894 vertrok hij naar Batavia, waar hij, in afwachting van zijn definitieve plaatsing, bij het departement van Binnenlands Bestuur (BB) werd tewerkgesteld. In die tijd was het corps ambtenaren bij het Binnenlands Bestuur nog in twee gescheiden circuits verdeeld: zij die waren bestemd voor Java en zij die in het verdere Nederlands-Indië dienden. In 1896 volgde zijn plaatsing als aspirant-controleur op Sumatra's Westkust, waar hij tot 1902 werkzaam bleef (vanaf 1900 in de rang van controleur). Van zijn ervaringen op zijn eerste bestuurspost, het afgelegen Sidjoendjoeng, heeft hij ruim dertig jaar later beeldend verslag gedaan in zijn 'Als jong controleur in Indië' (Haagsch Maandblad (1928) I, 250 - 270).

In 1902 volgde zijn overplaatsing naar Atjeh, in 1903 naar Zuid-Celebes. Wegens ziekte vertrok hij in 1905 met eenjarig verlof naar Europa, waarna hij in 1906 als controleur in de residentie Palembang werd geplaatst, in 1908 andermaal in Atjeh. Voor dit laatste gebied zou hij een grote belangstelling opvatten. Zo ontwikkelde hij zich tot een kenner van de geschiedenis, taal en literatuur van Atjeh en schreef hij het omvangrijke artikel over Atjeh in de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië 2e dr. ('s-Gravenhage, 1917). Na een korte plaatsing op Bali als residentiesecretaris volgde in 1913 zijn benoeming tot assistent-resident van Makassar. Medio 1914 vertrok hij wegens langdurige dienst met verlof naar Nederland. Zijn verloftijd, die, vermoedelijk als gevolg van de oorlogsomstandigheden, de normale duur ruimschoots overschreed, wendde hij aan voor publicistische arbeid, o.a. in het Koloniaal Tijdschrift, hoofdzakelijk over Atjehse onderwerpen. In 1918 werd hij na terugkeer van verlof opnieuw daar geplaatst om een jaar later, met zijn benoeming tot resident van Bali en Lombok, de hoogste trede van zijn ambtelijke loopbaan te bereiken. Precies vier jaar, tot april 1923, heeft hij die functie bekleed, waarna hij met pensioen ging.

Damsté was een bestuursambtenaar van de oude stempel, die met de Bataviase bureaucratie weinig op had en daarbij geen blad voor de mond nam. Zijn eigengereidheid bracht hem soms in openlijk conflict met zijn ambtelijke chefs, zoals de gouverneur van Atjeh H.N.A. Swart, die hem in 1912 een strafoverplaatsing bezorgde naar een afgelegen eiland voor de Atjehse kust. Ook zijn ontslag uit de dienst is in 1923 niet harmonieus verlopen. Hij werd daartoe min of meer gedwongen; de bij die gelegenheid gebruikelijke decoratie bleef achterwege. Wetenschappelijk was Damsté echter een sieraad voor het BB. Zijn publikaties, in levendige en onderhoudende betoogtrant geschreven, werden meermalen door C. van Vollenhoven op college aan de aanstaande Indische bestuursambtenaren ten voorbeeld gesteld door de grote kennis en belangstelling die eruit spraken omtrent cultuur en adatrecht van de inheemse bevolking. Een zekere behoudzucht was Damsté overigens niet vreemd. Bij herhaling gaf hij van dit laatste blijk in de omvangrijke memorie van overgave die hij bij zijn aftreden als resident van Bali en Lombok voor zijn opvolger achterliet. Zo had hij zijn twijfels of het westers onderwijs wel aan de behoeften van de bevolking en die van de schoolgaande jeugd beantwoordde, betreurde hij de daardoor tanende belangstelling voor de eeuwenoude lontarschrijfkunst. Lontarschrijven, aldus Damsté, kon spelenderwijs worden geleerd; palmblad en schrijfmes lieten zich hanteren door 'vuile vingers'. Bij de westerse schrijfkunst daarentegen moesten papier en schrijfgerei zorgvuldig worden behandeld - 'wie er mee omgaan zijn heertjes, die in hun vrije uren niet hun veehoedende ouders iets zullen meedelen van hun geleerdheid'. Wat hem verder stak was dat het unieke Bali, waar nooit 'de nivellerende Islamitische schaaf' over heen was gegaan, toch zo sterk over één kam werd geschoren met het overige Nederlands-Indië. 'De bureaucratie zegt, met Kegge zaliger, allemaal malligheid', aldus een verontwaardigde Damsté. Zijn memorie van overgave liep dan ook uit in een warm pleidooi voor de aanstelling van een wetenschappelijk ambtenaar die studie moest maken van de Balische volksinstellingen; een betoog voor meer wetenschappelijke voorlichting in bestuurszaken dat hij nog eens in een voordracht over 'Balische bestuursproblemen' (Verslagen der vergaderingen van het Indisch Genootschap over... 1923, 109-l 42) zou herhalen.

Terug in Nederland vestigde Damsté zich te Oegstgeest, vlak bij het Mekka van de Indische wetenschapsbeoefening dat Leiden toen was. Zijn wetenschappelijke belangstelling kon hij thans ongestoord botvieren. Niet alleen gaf hij daarvan in talloze, merendeels kleinere, publikaties blijk - de bibliografie van zijn geschriften telt over de ruim dertig jaren die hem nog zouden resten meer dan zeventig nummers - maar ook door de vele functies die hij al spoedig vervulde. Zo trad hij in het bestuur van het Instituut Kern, het Oosters Instituut, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en was hij redactielid van het Koloniaal Tijdschrift. Op uitnodiging van Van Vollenhoven trad Damsté verder als lidsecretaris toe tot de commissie voor het adatrecht. Tot eind 1929 heeft hij in deze hoedanigheid onder supervisie van Van Vollenhoven, met wie een hechte samenwerking tot stand kwam, een tiental adatrechtbundels bewerkt. Ook daarna vloeiden nog verschillende omvangrijke publikaties uit zijn pen, o.a. een biografie van de legendarische Indische bestuursambtenaar L.C. Westenenk in diens postuum uitgegeven Het rijk van Bittertong ('s-Gravenhage, 1932), schetsen van de 'Drie Atjeh-mannen: Snouck Hurgronje - Van Heutsz - Van Daalen' in Koloniaal Tijdschrift (1936- 1938), Atjehse literaire teksten, boekrecensies en polemische artikelen over actuele vraagstukken.

Tot op hoge leeftijd is Damsté een actief wetenschapsbeoefenaar gebleven, ook toen hij voor de staatkundige ontwikkelingen die zich na 1945 in Indonesië voordeden maar moeilijk begrip kon opbrengen. Zijn dood in 1955 sloot in zekere zin een tijdperk af: dat van de vroegere BB-ambtenaren, die, hoewel veelal niet academisch gevormd, door hun intense belangstelling voor het land en de volken die zij moesten besturen, door hun in het bestuurswerk verworven talenkennis en inzicht in het inheemse recht en samenlevingsverband, op wetenschappelijk terrein niet alleen hun sporen trokken maar die ook ten volle verdienden.

A: Collectie-Damsté in het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Zijn memorie van overgave van Bali berust ook in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in Bijdragen tot de Taal-, Landen Volkenkunde (BTLV) 111 (1955) 132-136 en 308.

L: V.E. Korn, in BTLV 111 (1955) 113 - 136; H. Schulte Nordholt, Bali: colonial conceptions and political change 1700-1940 (Rotterdam, 1986).

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013