Dasberg, Simon (1902-1945)

 
English | Nederlands

DASBERG, Simon (1902-1945)

Dasberg, Simon, opperrabbijn (Dordrecht 13-11-1902 - Bergen-Belsen (thans BRD) 24-2-1945). Zoon van Samuel Dasberg, rabbijn, en Dina de Vries. Gehuwd op 27-12-1928 met Isabella Franck. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

Dasberg werd geboren in een orthodox-joods rabbijnengezin. Door zijn aanleg en karakter was hij voorbestemd om in de voetsporen van zijn vader te treden. Na de openbare lagere school in Dordrecht zou hij dan ook naar het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium, het opleidingsinstituut voor joodse geestelijken, in Amsterdam zijn gegaan. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verhinderde dit echter. Hij bezocht daarom het Dordtse gymnasium en werd door zijn vader in de Hebreeuwse en rabbijnse wetenschap opgeleid. Hoewel het gezin Dasberg vasthield aan de orthodox-joodse traditie, stond het niet afwijzend tegenover het zionisme. Simon Dasberg had een leidinggevende rol in de plaatselijke zionistische jeugdorganisatie en bleef de Mizrachie, de organisatie die de zionistische idealen wilde verwezenlijken met inachtneming van de joodse religieuze traditie, zijn leven lang trouw. De waarborg voor het geluk van het joodse volk lag in het nationaal herstel en de omvang van de joodse vestiging in Palestina, zo schreef hij later.

Dasberg werd in 1920, dank zij zijn studie onder leiding van zijn vader en eigen begaafdheid, direct toegelaten tot de hogere afdeling van het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium te Amsterdam. Hij kreeg er les van een van de meest vooraanstaande leerlingen en opvolgers van de legendarische rector J.H. Dünner: L. Wagenaar. Als bij deze opleiding verplicht universitair studievak aan de Universiteit van Amsterdam koos Dasberg, in plaats van de voor joodse prominenten gebruikelijke klassieke letteren, semitische talen. Hoewel de kerkorde dit toestond, stuitte deze keuze op verzet, omdat de hoogleraar H.J. Elhorst een bijbelkritisch standpunt innam. Dasberg legde het kandidaatsexamen semitische talen aan de Universiteit van Amsterdam af op 5 juni 1924. Tijdens zijn studie gaf Dasberg al les aan een school voor godsdienstonderwijs in Amsterdam-zuid. Hij bleef dit doen nadat hij in december 1927 zijn studie afgesloten had met het behalen van de morétitel. Een legaat maakte het hem in 1928 mogelijk een studiereis door Duitsland te maken. Hij hospiteerde aan de universiteiten van Bonn en Würzburg en bezocht Berlijn, Frankfort en Hamburg. Deze reis verbreedde zijn visie, ook die op het jodendom.

Op 26 september 1928 werd Dasberg benoemd tot opperrabbijn van het kleine ressort Friesland. De hem eveneens aangeboden functie van rabbijn van Amsterdam nam hij uit drang naar zelfstandigheid en liefde voor het provinciale jodendom niet aan. In zijn op 6 januari 1929 te Leeuwarden uitgesproken installatierede Mozes en Aron bij den Choreb (Amsterdam, 5689 [=1929]) zette hij zijn ideeën uiteen. Hij nam zich voor een voorman in zijn ressort te zijn en wilde het godsdienstig bewustzijn wekken. Handhaving van de joodse wet en traditie waren hierbij onmisbaar. Inziend dat de omstandigheden en ontwikkelingen in zijn tijd velen deden vervreemden van het traditionele jodendom, wilde hij deze afgedwaalden met liefde en begrip benaderen en terugvoeren naar de geestelijke bron. Ook vroeg hij om invloed op de opvoeding van de joodse jeugd. Ten slotte riep hij op de beweging voor volksherstel in Palestina te steunen.

Drie jaar later verruilde Dasberg Friesland voor het grotere ressort Groningen. Op 20 maart 1932 werd hij te Groningen geïnstalleerd. In de hierbij uitgesproken rede De eenheidsgedachte. De centrale gedachte van het jodendom (Groningen, [1932]) herhaalde hij zijn eerder genoemde ideeën, die hij zowel in Friesland als in Groningen poogde te realiseren. Zo gaf hij les aan de hoogste klassen van de joodse scholen, organiseerde cursussen over het jodendom en stichtte in Groningen een jeugdsynagoge. Geloofsgenoten die problemen hadden met de handhaving van de joodse traditie in de moderne tijd konden rekenen op zijn steun en hij onderwees aanstaande echtparen in de joodse huwelijkswetten. Ook de kleinste gemeenten in zijn ressort hadden zijn aandacht. In dit geestelijk leiderschap ligt zijn voornaamste betekenis. Daarnaast poogde Dasberg kennis over het jodendom in niet-joodse kring te verspreiden. Ten slotte had de Mizrachie zijn aandacht en medewerking: hij leidde jeugdkampen en sprak op propagandabijeenkomsten. In 1938/1939 maakte hij een studiereis door Palestina, en in de bezettingsjaren gaf Dasberg meermaals te kennen zich na de oorlog daar te willen vestigen.

Spoedig na de Duitse inval in mei 1940 zag hij, juist voor het traditionele jodendom, een ernstige bedreiging in het groeiend aantal anti-joodse maatregelen. Religieuze plichtsvervulling was daarom in zijn overtuiging een zo mogelijk dwingender noodzaak dan vroeger, als een garantie voor het voortbestaan van het joodse volk. Zolang hij nog als joods leider kon functioneren was zijn toekomstvisie optimistisch. Het joodse volk zou, zoals in het verleden, ook deze donkere tijden te boven komen en het zou dan een toekomst vinden in het oude stamland. Dasberg onderhandelde met de bezetters, was lid van de Joodsche Raad, organiseerde cursussen voor ontslagen joodse werknemers en bemoedigde de inwoners van zijn ressort. Op 6 december 1942 werd hij, na de deportatie van L.H. Sarlouis, tot plaatsvervangend opperrabbijn van Amsterdam benoemd. Na een verblijf van drie dagen in Westerbork vestigde hij zich op 29 mei 1943 in Amsterdam, waar hij zich nauwelijks meer heeft kunnen ontplooien. Op 29 september 1943 werd het gezin Dasberg naar Westerbork gedeporteerd. Het kwam, door het bezit van buitenlandse paspoorten, in aanmerking voor de Palestina-Austausch. Daartoe werden Dasberg en zijn gezin op 11 januari 1944 naar Bergen-Belsen gedeporteerd, waar bleek dat rabbijnen niet werden uitgewisseld. Dasberg kon in het kamp geen leidersrol meer vervullen en verloor zijn hoop en optimisme. Hij overleed er, twee dagen na zijn vrouw, aan uitputting en een hartaanval.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties: Zekût nasim. De voorschriften van het Joodsche huwelijksleven (Rotterdam, 1939); 'Kiddoesj Hasjeem', in Menorah 5701 (Amsterdam, 1940) 12-21; 'Een levensschets', in Rabbijn De Vries. Dienaar des Jodendoms (Amsterdam, 1940) 5 -11 ; En de grond zal Zijn volk tot verzoening zijn (S.l., S.a.); bijdragen aan Hespeidiem, gehouden ter nagedachtenis van den Weleerw. Zeergel. Heer Samuel Juda Hirsch, Opperrabbijn van Overijsel, overleden te Zwolle 18 Menachem 5701-11 Augustus 1941 [S.L, 1941] 1-4; 'Tisjrie 5702', in Tisjrie5702 [Amsterdam, 1941] 5 - 9. Aanwezig in Bibliotheca Rosenthaliana. Verder artikelen in Mizrachie [uitg. Mizrachie, afd. Ned. Zionisten-bond]. De Vrijdagavond en Het Joodsche Weekblad.

L: Artikel over benoeming in Nieuw Israëlietisch Weekblad 64 (1928) 20 (28 september) 5; Je moet het je kinderen vertellen [vehigadeta livinka]. Verhalen uit de geschiedenis van de familie Dasberg [Verz. en naverteld door Eliazer Dasberg] (Tel Aviv, 1966). Aanwezig in Bibliotheca Rosenthaliana; I.L.S[eeligmann], 'Simon Dasberg', in Bijdragen en mededelingen van het genootschap voor Joodsche wetenschap in Nederland 1 (1956) 12- 16; Henriëtte Boas, 'Erew Rosj Hasjanah in 1943/5704. In memoriam Simon Dasberg z.l., de laatste Opperrabbijn van Amsterdam vóór 1945', in Hakehilla 29 (1983) 1 (september) 5-8.

J. Hagedoorn


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013