Dijkstra, Waling (Gerrits) (1821-1914)

 
English | Nederlands

DIJKSTRA, Waling (Gerrits) (1821-1914)

Dijkstra, Waling (Gerrits), Fries schrijver en voordrachtskunstenaar (Lieve Vrouwenparochie 14-8-1821 - Holwerd 15-1-1914). Zoon van Gerrit (Walings) Dijkstra, bakker, en Antje (Keimpes) Koopmans. Gehuwd op 15-5-1850 met Hinke (Jans) Huizinga. Uit dit huwelijk werd 1 jong overleden zoon geboren. Na haar overlijden (8-12-1851) gehuwd op 27-10-1855 met Afke (Jans) de Boer. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 7 dochters geboren.

Dijkstra groeide op in de bakkerij van zijn grootvader, waar zijn ouders bij inwoonden. Op zijn twaalfde jaar moest hij het bakkersvak leren, om het bedrijf van zijn vader in Spannum te kunnen overnemen. Hij groeide niet op in een volledig Friestalig milieu, omdat in Vrouwenparochie geen Fries, maar Bildts gesproken werd, een Nederlands dialect met Friese inslag, maar zijn tantes leerden hem toch Fries spreken en lezen. Het Bildts van zijn jeugd zou hij later als gevierd schrijver nooit vergeten: een zestal verhalen en een dialoog zouden in dat dialect geschreven worden.

Juist in Dijkstra's jeugd kwam de Friese literatuur onder invloed van de Romantiek tot bloei. In 1834 verscheen de eerste bundel Friese volksverhalen en gedichten van E.H. en J.H. Halbertsma, en voor de jonge, begaafde bakkersknecht ging een wereld open. Al gauw begon hij zelf gedichten in het Fries te schrijven. In 1839, toen hij nog geen achttien jaar oud was, verschenen enkele ballades van hem in de Friesche Almanak van G.T.N. Suringar. Dijkstra ontworstelde zich in die tijd aan de orthodox-protestantse geloofsopvattingen die hem thuis waren bijgebracht en koos voor het modernisme en in politiek opzicht voor het liberalisme. Een groot deel van zijn latere werk zou in het teken staan van de bestrijding van christelijke huichelarij en schijnheiligheid, in het bijzonder bij predikanten. Van calvinistische zijde zou hij daarom veel kritiek ondervinden.

Enkele jaren na de oprichting in 1844 van de eerste Friestalige vereniging, het Selskip foar Fryske Tael- en Skriftekennisse, sloot Dijkstra zich hier bij aan. Hij ging meewerken aan het verenigingsblad Iduna, maar al spoedig bleek dat hij in dit milieu van romantische nationalisten toch niet geheel en al op zijn plaats was. Zijn bijdragen, die uit verhalende gedichten en korte verhalen bestonden, sloten naar geest en doelstelling meer aan bij het werk van de Halbertma's dan bij de Selskips-aanvoerders H. Sytstra en T. Dijkstra. Waling wilde zo begrijpelijk en eenvoudig mogelijk schrijven om de band met de gewone man niet te verliezen. Hij bleef altijd aan de oppervlakte, was hooguit wat sentimenteel en vaak alleen maar grappig en moralistisch. Van de door Sytstra ontwikkelde nieuwe spelling, gemodelleerd naar de oude middeleeuwse Friese wetten, moest hij niets hebben. Hij begon daarom met een eigen tijdschrift. De Frîsce Huesfrjeun, dat tot 1869 zou blijven bestaan en grotendeels door hemzelf zou worden volgeschreven. Een jaar eerder had hij van T. Dijkstra de redactie overgenomen van De Bye-Koer, een jaarboekje, dat het tot 1896 zou uithouden. Dijkstra slaagde er mettertijd in vrijwel alle Friese schrijvers tot medewerking te bewegen. Hij werd hierdoor de inspirator van een eigen school in de Friese literatuur, die bepalend zou zijn voor het geestelijk klimaat van de Friese taalbeweging tot aan de Eerste Wereldoorlog. Op het punt van de spelling had hij toen al lang gewonnen. Zijn op de Halbertma's geïnspireerde spelling vormde de grondslag voor de officiële Selskipsspelling van 1879.

Dijkstra had zich inmiddels ook een andere bestaansmogelijkheid verschaft dan het door hem gehate broodbakken: van 1853 af trok hij enkele jaren als koopman langs de huizen. Bij zijn tweede huwelijk verhuisde hij naar Franeker om er in dienst te treden bij de boekhandelaar en uitgever T. Telenga, bij wie beide tijdschriften van Dijkstra werden uitgegeven. Telenga was in die tijd de belangrijkste Friese uitgever, en dat bood Dijkstra goede kansen. Zijn eerste individuele publikatie, de vijfmaal herdrukte liederenbundel Doaitse mei de Noardsce balke, was al in 1848 bij Telenga verschenen. Verschillende van de hierin opgenomen liederen zouden tot ver in onze eeuw op het Friese zangrepertoire staan. Na dit succes verschenen in de loop van de tijd nog vier andere bundels, die vaak herdrukt werden. Ook schreef hij van 1851 af verscheidene jeugdboekjes. In 1856 werd door Telenga de eerste roman van Dijkstra gepubliceerd: De silveren rinkelbel (vele herdr.; Ned. vert. 1857; Bildtse vert. 1985). Het is een romantisch verhaal met persoonsverwisselingen, vondelingen en zoekgeraakte kinderen, spelend in de Patriottentijd. In psychologisch opzicht graaft Dijkstra niet diep. De compositie is bepaald zwak. Toch geeft het een aardige sfeertekening. In nog sterkere mate gelden de gebreken voor zijn tweede roman. De Frîske Thîl Ulespegel... (Franeker, 1860; vele herdr.). In deze romans dreef Dijkstra naar hartelust de spot met allerlei vrome lieden en met het slechte schoolonderwijs. Hij schreef nog drie romans, die minder succesvol waren, en een goed gecomponeerde raamvertelling, Twa Utfanhûsers by Nammen-om (Leeuwarden, 1864). Verder vertaalde hij veel verhalen van de platduitse schrijvers F. Reuter en KI. Groth. Van Tennysons gedicht Enoch Arden (1864) gaf hij in 1871 een prozabewerking.

Dijkstra was inmiddels in 1861 een eigen boekhandeltje begonnen in Holwerd. Hij leefde echter voornamelijk van zijn pen en zijn voordrachten, die hij 's winters door heel Friesland hield in kroegen en herbergen. Hiermee werd een voordrachtsgenre geëntameerd, het sindsdien zo genoemde Frîske Winterjoenenocht, dat tot in de jaren twintig van deze eeuw zou worden beoefend. In 1857 was hij al een enkele keer op stap gegaan met zijn vriend T.G. van der Meulen. Vanaf 1860 tot en met 1885 zou hij er iedere winter avond aan avond op uittrekken: tot 1863 met Van der Meulen, vervolgens met G. Colmjon en vanaf 1869 tot 1875 met A. Boonemmer. Daarna zou hij het nog eens tien jaar lang alleen doen met afnemend succes, nog een enkele keer zelfs in 1887 en 1888 met de jonge schrijver B.S. Hylkema, totdat andere werkzaamheden hem volledig in beslag zouden gaan nemen. Meestal verschenen de voordrachten naderhand in boekvorm, zodat een groot repertoire werd opgebouwd. Hierdoor begon ook het Friestalige dorpstoneel op gang te komen, en dat zou uiteindelijk de zwaarste concurrent voor de declamatieavonden blijken te zijn. Dijkstra zelf leverde hiervoor niet minder dan 25 oorspronkelijke toneelstukken, allemaal blijspelen, soms met zang en muziek. Vier stukken van Molière werden ook door hem voor het Friese toneel bewerkt.

Ook als Fries journalist was Dijkstra van belang, al brachten niet al zijn initiatieven succes. In 1897 zou het hem lukken met Sljucht en Rjucht, dat tot 1942 zou bestaan. Het jeugdblad Friso hield het in 1866 maar een jaar uit, maar een ander initiatief. De Fryske Skoeralmenak, die door hem van 1879 tot 1909 van teksten werd voorzien, maakte hem in veel huisgezinnen bekend. Hij werkte verder mee aan de Friesche Volksalmenak, de Provinciale Friesche Courant, Swanneblommen, Forjit My Net en For Hûs en Hiem. Van 1876 tot 1883 voerde hij samen met O. Stellingwerf de redactie van het links-liberale Friesch Volksblad, dat ten dele in het Fries verscheen. Toen deze krant de socialistische kant opging, trad hij af als redacteur. Een van zijn laatste successen werd het jaarboekje As jimme it leije meije, dat van 1899 tot 1910 door hem werd volgeschreven.

Op wetenschappelijk gebied leverde Dijkstra belangwekkend werk. In 1885 werd hij belast met de eindredactie van het door de provincie Friesland uitgegeven Friesch Woordenboek. In 1911 werd de uitgave ervan in vier delen voltooid (herdr. 1971). In het bijna 900 bladzijden grote tweedelige Uit Friesland's volksleven van vroeger en later (Leeuwarden, 1892-1896; bloemlezing bew. door S. Terpstra, 1984) heeft Dijkstra voor het nageslacht in het Nederlands een verzameling Friese volksgebruiken, sprookjes en gezegden gebundeld die voor de vorige eeuw haar weerga niet kent en waarvan nog altijd dankbaar gebruik wordt gemaakt.

Tot vlak voor zijn dood bleef Waling-om publiceren, algemeen geëerd als de grote man van de Friese beweging. Toch zouden vrijwel onmiddellijk na zijn overlijden de Jongfriezen van Douwe Kalma de aanval inzetten op zijn werk. Zij verweten hem het Fries alleen maar te hebben gebruikt voor grappenmakerij en plat volksvermaak, terwijl zij verder zijn pessimistische toekomstvisie ten aanzien van de bestaansmogelijkheden van het Fries hekelden. Pas geleidelijk aan zouden ook de latere generaties waardering krijgen voor alles wat deze hardwerkende autodidact voor de verbreiding en de instandhouding van het Fries in zijn lange, produktieve leven had verricht.

A: Handschriften en brieven op de Provinciale Bibliotheek van Friesland en op het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum te Leeuwarden.

P: Catalogus der Friesche taal- en letterkunde en overige Friesche geschriften [in de] Provinciale bibliotheek van Friesland [door G.A. Wumkes] (Leeuwarden, 1941); J.J. Kalma, Repertorium Frieslands verleden. Overzicht van tijdschriftartikelen de Friese geschiedenis betreffende (Leeuwarden, 1955) passim. Behalve de in de tekst genoemde werken moet hier nog vermeld worden: In dei fan plezier. Forhalen útjown mei ynlieding en oantekeningen troch Y. Poortinga (Leeuwarden, 1971); 'n Rare koridon en andere Bildtse ferhalen en gedichten van Waling Dykstra. Fersameld en bew. deur S.H. Buwalda ([St. Annaparochie], 1983).

L: G.A. Wumkes, in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (Leiden, 1933) IX, kol. 221-224; J.J. Kalma en S. Sybrandy, Waling Dykstra - bibliografy. Hwat der oer W. Dykstra skreaun is; de brieven fan en oan him; syn hanskriften op de Prov. Bibliotheek to Ljouwert (Leeuwarden, 1970); Mar ik sil stride... Persoan, libben en wurk fan Waling Dykstra, útjown ta gelegenheit fan syn hûndertfyftichste bertedei (Leeuwarden, 1971); Wâldman en wrâldboarger. Tsjibbe Gearts van der Meuten (1824-1906) [door F. Dam et al.] (Leeuwarden, 1974) passim; Sj. van der Schaaf, Skiednis fan de Fryske Biweging (Leeuwarden, 1977) passim; K. Dijkstra, Lyts Hândboek fan de Fryske Literatuer (Leeuwarden, [1977]) 50-53; Tobeksjen op 't oulein paed. Fiifentwintich jier Fryske winterjounenocht. Joop Boomsma yn petear mei Waling Dijkstra [Menaldum, 1978]; Ph.H. Breuker, 'De fryske literatuer tusken 1820 en 1980 fan ütjowerskant bisjoen', in Mear as jiske bleau der oer. Freone-album foar Tabe Beintema [Onder red. fan Freark Dam, Teake Hoekema, Martin Hopman] (Leeuwarden, 1980) 31-49; D.A. Tamminga, Fan hearren en sizzen. Anekdoaten oer Fryske skriuwers fan earder en letter (Leeuwarden, 1981) 57-66; J. van der Kooi, Volksverhalen in Friesland. Lectuur en mondelinge overlevering. Een typencatalogus (Groningen, 1984) passim; S.J. van der Molen, 'En ús Harke mei syn kleare kop' (65 jier Winter-jûnenocht) (Augustinusga [etc.], 1984) passim; T. Riemersma, Proza van het platteland. Een onderzoek naar de normen en waarden in het grotere Friese proza van 1855-1945 (Bolsward, 1984) passim.

G.R. Zondergeld


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013