Dijxhoorn, Adriaan Quirinus Hendrik (1889-1953)

 
English | Nederlands

DIJXHOORN, Adriaan Quirinus Hendrik (1889-1953)

Dijxhoorn, Adriaan Quirinus Hendrik, minister van Defensie (Rotterdam 10-9-1889 - De Steeg, gem. Rheden 22-1-1953). Zoon van Adriaan Carel Dijxhoorn, verffabrikant, en Maria Elisabeth van Voorthuijsen, Gehuwd op 4-10-1913 met Geertruida Albertine Johanna IJbes. Uit dit huwelijk werd 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Dijxhoorn, Adriaan Quirinus Hendrik

Dijxhoorn groeide op in een doopsgezind fabrikantengezin in Rotterdam, waar hij de lagere school en de HBS doorliep. Zijn pertinente keuze voor een loopbaan in het Nederlandse leger stuitte -hoewel dit ongebruikelijk was in dit milieu - niet op bezwaren. Op 16 september 1908 werd hij als cadet geplaatst op de Koninklijke Militaire Academie (KMA) te Breda. Op 29 juli 1911 trad hij als tweede luitenant in dienst bij het 8e Regiment Infanterie. Op 3 mei 1914 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant. Vanaf 1916 was hij docent aan de KMA. Gezien zijn capaciteiten en belangstelling werd hem in 1920 toestemming verleend zijn opleiding voort te zetten aan de Hoogere Krijgsschool te 's-Gravenhage. Na deze studie in 1923 met succes te hebben afgesloten, werd hij toegevoegd aan de commandant Veldleger. Van 1927, het jaar waarin hij tot kapitein werd bevorderd, tot 1929 studeerde hij aan de École Supérieure de Guerre te Parijs, waarna hij tot 1934 als docent aan de Hoogere Krijgsschool was verbonden. Tot januari 1938 werd Dijxhoorn afwisselend bij het veldleger en bij de Generale Staf van het ministerie van Defensie geplaatst. Ten departemente was hij als hoofd Bureau Organisatie direct betrokken bij diverse mobilisatievraagstukken. Van 1931 tot 1938 was hij tevens lid van de tactische reglementencommissie van de Koninklijke Landmacht. Zijn kennis van en belangstelling in 't bijzonder voor tactische vraagstukken blijkt ook uit diverse publikaties in De Militaire Spectator, aan welk periodiek hij van 1932 tot 1938 als redacteur was verbonden, en uit zijn activiteiten als bestuurslid (1930-1937) van de Vereeniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap. In januari 1938 werd de in 1936 tot majoor bevorderde Dijxhoorn benoemd tot hoofd van de Afdeeling Generale Staf van het ministerie van Defensie. Eind 1938 volgde zijn bevordering tot luitenant-kolonel.

Gezien zijn brede kennis van de Nederlandse defensievraagstukken werd hem gevraagd als partijloos minister van Defensie in het kabinet-De Geer zitting te nemen. Op 10 augustus 1939 aanvaardde hij deze functie. Verschil in inzicht betreffende het te voeren militair-strategische beleid en de toepassing van de wet op de Staat van Oorlog leidde, naast persoonlijke tegenstellingen, tot conflicten met de opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, generaal I.H. Reynders. Dijxhoorn besloot in februari 1940 na enige aarzeling Reynders door generaal H.W. Winkelman te vervangen. Deze laatste deelde al snel Dijxhoorns mening dat bij een Duitse inval Nederland hoofdweerstand bij de Grebbelinie moest bieden en niet bij de meer westelijk gelegen Nieuwe Hollandse waterlinie. Reynders' ontslag zou overigens nog in de jaren 1945/46 tot een felle polemiek tussen de oud-opperbevelhebber en de gewezen minister van Defensie leiden.

Te zamen met de overige ministers arriveerde Dijxhoorn na de Duitse inval in Nederland op 14 mei 1940 in Londen. In november 1940 volgde zijn bevordering tot kolonel. Kort daarna, op 11 juni 1941, zag hij zich genoodzaakt zowel zijn ontslag als minister en als militair aan te bieden. De reden hiervoor was een conflict met koningin Wilhelmina over het interneringsbeleid van de Centrale Inlichtingen Dienst en de personele bezetting van het Bureau Bijzondere Aangelegenheden van het ministerie van Defensie.

In december 1941 trad hij echter op aandrang van de regering weer in actieve dienst. Hij werd bevorderd tot generaal-majoor en vertegenwoordigde van januari 1942 tot april 1945 de Nederlandse regering bij de Combined Chiefs of Staff te Washington. Aldus was hij nauw betrokken bij de vraagstukken betreffende de oprichting, uitrusting en opleiding van de expeditionaire macht en de gezagsbataljons die bestemd waren voor de bevrijding van Nederlands-Indië.

Hoewel hij tot april 1945 officieel als regeringsvertegenwoordiger in functie bleef, was hij vanaf oktober 1944 werkzaam bij het ministerie van Oorlog te Londen, waar hij de opbouw van het naoorlogse Nederlandse leger en het departement van Oorlog voorbereidde. Vanaf 25 mei 1945 zette hij deze werkzaamheden voort in de functie van waarnemend chef van de Generale Staf. Na zijn bevordering op 19 oktober 1945 tot luitenant-generaal werd hij echter tot zijn spijt op 1 november 1945 in deze functie vervangen door luitenant-generaal H.J. Kruls.

Dijxhoorn sloot zijn loopbaan binnen de Nederlandse krijgsmacht af als lid van het Hoog Militair Gerechtshof, van welk college hij van november 1945 tot aan zijn dood deel uitmaakte.

Dijxhoorn spreidde tijdens zijn loopbaan een scherp inzicht in de Nederlandse defensievraagstukken ten toon. Tevens bleek echter dat hij als bewindsman in crises- of conflictsituaties soms besluiteloos was, wat een te weinig weloverwogen of doortastend optreden tot gevolg kon hebben. Hij heeft vooral vanaf 1942 met de door hem ontworpen blauwdrukken van het naoorlogse leger grote invloed op het defensiebeleid uitgeoefend.

A: Collectie-Dijxhoorn bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam.

P: 'Benige beschouwingen over onze tactische reglementen en voorschriften', in Orgaan der Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap (1936-1937) 315-408; Antwoord van A.Q.H. Dijxhoorn. Luitenant-generaal van den Generalen Staf oud-minister van defensie op De Wisseling in het opperbevel van Land- en Zeemacht in Februari 1940 van Generaal b.d. I.H. Reynders oud-opperbevelhebber van Land- en Zeemacht ('s-Gravenhage, 1946).

L: Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1946-1973. 8 dl. in 19bd. en register) IC, 25-53, 292-293, 561-594, IIC, 11-12, 82-96, 437-438, 442, 544-549, 596-598, VIIIC, 29-52, 846-861; Keesings Historisch Archief (1953-1954) 10438; Honderdvijftig Jaar Generale Staf. Overzicht van de ontwikkeling van de Koninklijke Landmacht ('s-Gravenhage, 1964) 143-145; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969) I, 684-686, II (1969) 194-222, IX (1979) 177-196.

I: Honderdvijftig jaar Generale Staf, 1814 - 11 maart - 1964 ('s-Gravenhage 1964) 145.

Mw. P.M.H. Groen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013