Dillen, Johannes Gerard van (1883-1969)

 
English | Nederlands

DILLEN, Johannes Gerard van (1883-1969)

Dillen, Johannes Gerard van, historicus (Amsterdam 20-9-1883 - Amsterdam 26-12-1969). Zoon van Cornelis van Dillen, gemeenteontvanger, en Femia Petronella de Voogt. Gehuwd op 30-3-1948 met Adriana Johanna Stephanie Jens. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Dillen, Johannes Gerard van

Van Dillen is zijn leven lang sterk aan Amsterdam verbonden gebleven: hij woonde er vanaf zijn jeugd op de Ruysdaelkade, hij studeerde er, en hij maakte zijn geboortestad tot voornaamste onderwerp van zijn studies. Na het gymnasium liet hij zich in 1903 inschrijven aan de Universiteit van Amsterdam in de juridische faculteit. Na het kandidaatsexamen koos hij voor de in 1921 afgeschafte specialisatie der staatswetenschap, waar hij de lessen bijwoonde van M.W.F. Treub en waar zijn belangstelling in de economische geschiedenis haar centrum vond. Zijn meesterschap bewees hij met zijn proefschrift over Het economisch karakter der middeleeuwsche stad (Amsterdam, 1914), een kritisch onderzoek van de theorie der gesloten stadhuishouding verdedigd door Karl Bücher. De dissertatie verwierf niet alleen het predikaat cum laude, maar vestigde ook aanstonds in binnen- en buitenland de aandacht op de schrijver.

Maatschappelijk gezien leefde de jonge geleerde op smalle basis: al voor het doctoraal examen begonnen als repetitor, kreeg hij in 1915 toestemming zich aan de Amsterdamse universiteit te vestigen als privaatdocent. Tevens begon hij les te geven aan de School voor Maatschappelijk Werk te Amsterdam, een bezigheid die hij een dertig jaar zou volhouden. In 1920 werd hij aangesteld als onderdirecteur van het Bureau voor 's-Rijks Geschiedkundige Publicatiën. Hoewel het bureau gevestigd was in Den Haag, kreeg Van Dillen verlof in Amsterdam te werken, vooral omdat zijn opdracht het uitgeven van bronnen betreffende de wisselbanken inhield. De gegevens daarvoor lagen op het Amsterdamse Gemeentearchief. De hem toevertrouwde taak heeft hij op eminente wijze vervuld: samen met andere boeken en artikelen deden de twee delen van die bronnenuitgave (in 1925 verschenen) hem kennen als een specialist op het gebied van de geschiedenis van geld- en bankwezen. In het bijzonder mogen hier nog worden genoemd zijn publikaties over de betekenis van Amsterdam als wereldmarkt van edele metalen in de zeventiende en achttiende eeuw.

Intussen had hij ook al een organisatorische en administratieve taak aangevangen die hij gedurende meer dan veertig jaar met veel toewijding zou vervullen: in 1920 werd op initiatief van enkele jongere historici het Tijdschrift voorgeschiedenis, land- en volkenkunde omgezet in een nieuw algemeen historisch tijdschrift: de land- en volkenkunde verdween uit de titel, en Van Dillen werd secretaris der redactie. Juist in deze functie kwamen zijn geduld en gestage werkkracht hem zeer van pas: het is immers geen geringe opdracht als secretaris van een tijdschrift de contacten naar buiten te onderhouden. Zijn verknochtheid aan het blad kwam ook in de oorlogsjaren naar voren, toen hij vrijwel op z'n eentje probeerde de uitgave te redden.

De crisis der jaren dertig bracht een moeilijke periode. Na de publikatie van het tweede deel van zijn Bronnen tot de geschiedenis van het bedrijfsleven en het gildewezen van Amsterdam (Den Haag, 1929-1933) in 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën viel zijn betrekking ten offer aan de bezuinigingsijver van die tijd. Voor de tweede maal aanvaardde hij nu een privaatdocentschap, ditmaal te Utrecht. Van Dillen heeft nog geruime tijd op academische erkenning van zijn bekwaamheden moeten wachten: in 1943 werd hij benoemd tot lector, in 1949, vijfenzestig jaar oud, tot hoogleraar in de economische en sociale geschiedenis te Utrecht. Bij die laatste gelegenheid hield hij zijn belangrijke inaugurele rede over Omstandigheden en psychische factoren in de economische geschiedenis van Nederland. Daarin kwam het oude probleem van de economische achteruitgang in de achttiende eeuw ter sprake. Volgens Van Dillen waren het vooral de tijdsomstandigheden geweest die de rol van de Republiek in economisch opzicht hadden beperkt, en speelden psychologische factoren als 'Jan Salie-geest' een secundaire rol. In haar aanpak toont deze rede al iets van het evenwichtige van de schrijver: hoewel hij een duidelijke mening naar voren brengt, is hij wars van alle eenzijdigheid of geestdrijverij. Dat bleek ook uit zijn politieke keuze: zijn overgang tot het marxisme vóór de Eerste Wereldoorlog werd hem ingegeven door het hart. Een overtuigd aanhanger van het historisch materialisme was hij zeker niet. De excessen van de Russische revolutie beletten hem ook de ontwikkelingen daar met sympathie te volgen. Dat neemt niet weg dat hij zich zijn leven lang met de Sovjetunie heeft beziggehouden, het laatst nog in zijn artikel uit 1953 'Overeenkomst en verschil tussen de Franse en Russische revolutie'. Het afgewogen oordeel was hem altijd liever dan de ideologische of politieke zuiverheid: naar eigen zeggen wilde hij vooral 'een middenman' zijn.

Erkenning voor zijn verdiensten kreeg Van Dillen o.a. door het erelidmaatschap van de Vereniging 'Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief'; gedurende zijn laatste levensjaar was hij tevens erelid van de redactie van het Tijdschrift voor geschiedenis. Op latere leeftijd zette hij zich aan het schrijven van een handboek voor de economische en sociale geschiedenis van Nederland tijdens de Republiek, Hoewel hij er alleszins de juiste man voor was heeft hij, mede door zijn tanende gezondheid, er wel mee geworsteld. De voltooiing van dit magnum opus mocht hij niet meer beleven: de uitgave is bezorgd door W.M. Zappey, die het publiceerde onder de titel Van Rijkdom en regenten (Den Haag, 1970). Dit en andere werken houden echter de herinnering levend aan een bescheiden geleerde, die weliswaar betrekkelijk laat op de voorgrond trad, maar wiens eigenlijke gaven als mens en als wetenschapsbeoefenaar vanaf zijn eerste optreden werden erkend en gehuldigd.

P: Zie de bibliografie in de verzamelbundel J.G. van Dillen, Mensen en achtergronden (Groningen, 1964).

L: H.A. Enno van Gelder, in Tijdschrift voor geschiedenis 76 (1963) 273-274; T.S. Jansma, in Amstelodamum 47 (1970) 32-34; Th. van Tijn, in Tijdschrift voor geschiedenis 83 (1970) 343 - 345; I.J. Brugmans, in Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek 33 (1971) 265-270; I. Schöffer, 'Onder H.A. Enno van Gelder en J.G. van Dillen. Het Tijdschrift voor Geschiedenis van 1920 tot I960', in Tijdschrift voor geschiedenis 99 (1986) 391-429.

I: J.G. van Dillen, Mensen en achtergronden (Groningen, 1964) afbeelding tegenover titelblad [Portret: M.J. de Haas, 1947].

H. van der Hoeven


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013