Donner, Jan (1891-1981)

 
English | Nederlands

DONNER, Jan (1891-1981)

Donner, Jan, minister van Justitie en president van de Hoge Raad (Assen 3-2-1891 -'s-Gravenhage 2-2-1981). Zoon van Andreas Mathias Donner, predikant, en Gezina Hessels. Gehuwd op 13-6-1916 met Golida Wilhelmina van den Burg. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Donner, Jan

Jan Donner kwam uit de kring van afgescheidenen/ gereformeerden en was van antirevolutionairen huize. Zowel zijn vader, A.M. (1859-1937), als zijn grootvaders J.H. Donner (1824- 1903), en J. Hessels (1836-1907), waren afgescheiden/ gereformeerd predikant. Ds. J.H. Donner was bovendien antirevolutionair lid van de Tweede Kamer tussen 1880 en 1901. Jan Donner volgde het gymnasium te Amersfoort en behaalde het einddiploma op het Gereformeerd Gymnasium in Kampen. Daarna, in 1908, koos hij voor de rechtenstudie aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waar hij 16 oktober 1912 op stellingen bij J.Ph. Suyling promoveerde. In Leiden zette hij zijn studie voort in de staatswetenschap. Op 1 juli 1919 volgde bij H. Krabbe zijn tweede doctorsgraad, eveneens op stellingen. Intussen was hij zijn ambtelijke loopbaan reeds begonnen: in 1916 commies-redacteur bij de secretarie van de gemeente Deventer, in 1917 hoofdcommies op de secretarie van Rotterdam en in 1920 directeur van het Centraal Bureau voor voorbereiding van ambtenarenzaken in Den Haag. Op 1 januari 1922 werd Donner door de a.r. minister Th. Heemskerk (1852-1932) tot raadadviseur ten departemente van Justitie benoemd, een opmerkelijke promotie voor een man van dertig jaar. Nadat hij tevergeefs was gepolst voor een hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit kwam onverwachts tijdens de kabinetscrisis 1925/1926 de mogelijkheid voor Donner minister van Justitie te worden. Daartoe aangezocht door jhr. D.J. de Geer (1870-1960) van de Christelijk-Historische Unie (CHU), die als demissionair minister van de Koningin een geheime formatieopdracht had gekregen, aanvaardde hij, na aanvankelijke weigering, o.a. om zijn politieke leider H. Colijn (1869- 1944) niet voor het hoofd te stoten, de portefeuille. Op 8 maart 1926 trad hij in De Geers extraparlementair kabinet als bewindsman bij Justitie aan.

Donners ministerschap was uit wetgevend oogpunt vruchtbaar en de verhouding met zijn collega's, de ambtenaren en de Kamers uitstekend. Om zijn jonge leeftijd werd hij wel badinerend betiteld als 'Kind van Staat'. Zijn werkkracht, fabelachtig goed geheugen, helder inzicht in de werking van wettelijke maatregelen in de praktijk en virtuositeit in het vinden van oplossingen werden alom geprezen. Daartegenover stonden een afmattende radheid van spreken en van voorlezen, alsmede een nauwelijks verholen irritatie over opponenten wanneer die zijns inziens niet ter zake waren. In de zeven jaren van zijn ministerschap kwam een groot aantal wetten en regelingen tot stand: zoals wetten inzake de TBR (de psychopatenwetten), de NV's, het muziekauteursrecht, de collectieve arbeidsovereenkomst, en voorts de ambtenarenwet 1929 en de emotioneel omstreden wet op smalende godslastering. Kritiek kreeg ook Donners beslissing goedkeuring te onthouden aan de statuten van de Nieuw-Malthusiaansche Bond - de latere Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming - omdat zijn werkzaamheid en de effecten ervan door hem een gevaar werden geacht voor de openbare orde en de goede zeden.

Na de verkiezingen van 1929 was Donner op 10 augustus teruggekeerd als minister van Justitie in het extraparlementair kabinet dat door jhr. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck (1873 - 1936) geformeerd was. Dit kabinet kwam in 1933 aan zijn einde, omdat het de kabinetskwestie verbond aan het wetsontwerp op de rechterlijke herindeling van Donner, waarin uit bezuinigingsoverwegingen vier arrondissementsrechtbanken en een veertigtal kantongerechten werden opgeheven. Donner aarzelde aanvankelijk over de te volgen gedragslijn, maar de overtuiging dat de Tweede Kamer - en vooral daarin de c.h.-fractie - onvoldoende bereid was in deze crisis- en werkloosheidsperiode medewerking te verlenen aan de bezuinigingspolitiek van de regering, bracht Donner en de meerderheid van het kabinet ertoe in februari 1933 de kabinetskwestie te stellen en, na schorsing bij motie van de beraadslaging over dit ontwerp, over te gaan tot kamerontbinding en vervroegde verkiezingen uit te schrijven.

Donner werd niet opnieuw minister - de formateur Colijn had de portefeuille aan de katholiek J.R.H. van Schaik (1882-1962) toegedacht en Donner zelf wilde ook niet langer in de praktische politiek werkzaam zijn. Op 31 juli 1933 volgde Donners benoeming tot raadsheer in de Hoge Raad, waar hij deel uitmaakte van de strafkamer en van de belastingkamer. Daarnaast aanvaardde hij in 1933 het curatorschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. In 1936 werd hij bovendien voorzitter van de Commissie van beroep inzake wachtgelden, van het Controleorgaan over hypotheekbanken en van de crisispachtwetcommissie.

Na de Duitse inval in 1940 groeiden Donners betekenis en invloed, vooral binnen eigen partij en kerkelijke kring. Hij stelde zich op het standpunt dat 'principieel ieder contact met de Duitsers uit den boze' was. Toen hij zich 13 juli 1940 terugtrok uit het zg. Nationaal Comité ter ondersteuning van de Nederlandsche Unie, lieten de initiatiefnemers J.E. de Quay (geb. 1901) en J. Linthorst Homan (geb. 1903) hun comitéplan varen. Hij werd in oktober 1940 vertegenwoordiger van de gereformeerde kerken in het zg. Convent der kerken, het overlegorgaan van de protestantse kerken. Vanaf januari 1941 fungeerde hij als voorzitter van dit Convent. Zijn vastberaden afwijzing van de maatregelen tegen de joden en tegen levensbeschouwelijke instellingen, zoals caritatieve en het bijzonder onderwijs, leidde in maart 1941 tot zijn arrestatie. Na enkele dagen vrijgelaten, werd hij begin april - ten onrechte verdacht van contact met de verzetsgroep-Stijkel - weer gevangen gezet. Men hield hem twee maanden vast. Voor de derde maal werd hij opgepakt op 30 juni 1941 in het kader van een actie van de Duitsers tegen bijeenkomsten van antirevolutionairen. Nu bleef hij als gijzelaar gevangen tot april 1943, achtereenvolgens in Schoorl, Buchenwald, Haaren en Sint-Michielsgestel (klein seminarie 'Beekvliet'). In Beekvliet was Donner actief, o.a. als leider van een adviescommissie voor de kampleiding en van een kring waarin leden van de ARP en CHU'ers politieke vraagstukken bespraken met het oog op de naoorlogse situatie. 'Van Hogendorpje spelen', noemde Donner dat.

Na zijn vrijlating nam Donner met enige aarzeling - de Hoge Raad was in veler ogen te lijdzaam geweest tegenover vele maatregelen van de bezetter -zijn plaats weer in. Voorts werd hij lid van het zg. Seniorenconvent, dat illegaal de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) bleef leiden. Ook liet hij zich door Willem Drees (geb. 1886) in de zomer van 1943 overhalen de leiding op zich te nemen van het Vaderlands Comité, bestaande uit enkele politici en topfiguren uit het bedrijfsleven die zich tot taak stelden adviezen te geven inzake een vernieuwde staatsinrichting na de bevrijding. Dit Comité wilde bijvoorbeeld aan de regering meer en aan het parlement minder bevoegdheden verleend zien. Er ontstond een moeilijke verhouding tussen dit Comité en een deel van de illegaliteit, vooral de groep rond Het Parool en Vrij Nederland. Men stond hier wantrouwend tegenover Donner, omdat hij raadsheer bleef in de Hoge Raad. Omwille van de goede zaak legde hij na een persoonlijk beroep op hem van G.J. van Heuven Goedhart en H.M. van Randwijk in januari 1944 zijn voorzitterschap van het Vaderlands Comité neer. Op 4 februari vroeg hij vervolgens ontheffing van zijn ambt. Hij werd daarop door de rijkscommissaris A. Seyss-Inquart (1892- 1946) uit al zijn openbare functies ontslagen (6 maart), mede op advies van de toenmalige NSB-secretaris-generaal van het departement van Justitie, J.J. Schrieke (1884-1976), die hem 'wars van de beginselen der samenwerking en blind voor de eischen van dezen tijd' noemde. Donners vertrek vergrootte overigens het risico dat het 'goede' deel van de Hoge Raad zijn meerderheid verloor. Onder druk van de illegaliteit zou in oktober 1944 de regering te Londen de overgebleven leden van de Hoge Raad ontslaan, schorsen of opdragen hun werkzaamheden te staken. Hiertegen protesteerde Donner en hij richtte met de eveneens door de bezetter ontslagen procureur-generaal W.J. Berger een rekest tot de Koningin, waarin zij de ongrondwettigheid van deze maatregel benadrukten. Ook het Vaderlands Comité stelde zich achter dit standpunt. Enkele weken na de bevrijding, in juni 1945, trok de regering-Gerbrandy de maatregel dan ook in.

Het laatste jaar voor de bevrijding besteedde Donner, mede in overleg met de verzetsorganisatie Ordedienst (OD) en het College van Vertrouwensmannen, zijn aandacht aan de voorbereiding van de na de bevrijding te verwachten Nederlandse samenleving, waarin de wezenstrekken van de rechtsstaat behouden dienden te blijven. Zo verzetten het Vaderlands Comité en het Interkerkelijk Overleg zich, geïnspireerd door Donner, tegen het invoeren van de doodstraf met terugwerkende kracht en de instelling van lekentribunalen. Na de bevrijding koos Donner in de strijd om de doorbraak voor een herstel van de vooroorlogse staatkundige toestand en steunde hij ook het standpunt van de ARP, die geen deel wenste uit te maken van een zogenaamd nationaal kabinet. Donner weigerde de post van Justitie in het kabinet-Schermerhorn-Drees en waarschuwde zelfs tegen een zijns inziens te geforceerde fusie van ARP en CHU. Wel accepteerde hij in 1945 het voorzitterschap van de Centrale Raad voor de zuivering van het bedrijfsleven. Hoewel hij zeer principieel was in de beoordeling van onvaderlands gedrag, ging zijn zorg vooral uit naar het vermijden van excessieve straffen en naar het toepassen van clementie.

Aan de slepende discussie over de houding van de Hoge Raad in de oorlog kwam in november 1946 een einde, toen Donner - als verzetsfiguur voor alle partijen aanvaardbaar - met voorbijgaan van oudere leden tot president van de Hoge Raad werd benoemd (kb 8-11-1946, nr. 27). In die functie gaf hij via de burgerlijke kamer leiding aan een ontwikkeling van de jurisprudentie in het privaatrecht waardoor de wetboeken van 1838 bruikbaar bleven. De jurisprudentie over de zogeheten onrechtmatige overheidsdaad droeg zijn stempel. Omwille van de eenheid van rechtspraak coördineerde hij zoveel mogelijk het overleg tussen de drie kamers van de Hoge Raad. Eind februari 1961 ging hij met pensioen. Naast zijn werk in de Hoge Raad bleef hij actief in de ARP, zij het veelal achter de schermen. De pogingen van a.r.-zijde in de zomer van 1945, in 1948 en in 1951 Donner tot formateur te laten benoemen, vonden geen doorgang. Donner en zijn medestanders zorgden er wel voor dat het onder de antirevolutionairen dreigende gevaar van burgerlijke ongehoorzaamheid jegens de overheid in het fel verzet tegen de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië bezworen werd. Ook van een volkspetitionnement inzake deze kwestie wilde Donner uit respect voor de parlementaire beslissingsbevoegdheid niets weten. Met gezag en tact hielp hij de partij bijeen te houden. In oktober 1961 werd hij door het Centraal Comité benoemd tot erelid van de ARP. Tot het opgaan van de partij in het Christen Democratisch Appèl woonde hij de bestuursbijeenkomsten geregeld bij.

Tot op hoge leeftijd bleef Donner werkzaam als bestuurder van talrijke algemene instellingen en vooral antirevolutionaire of gereformeerde organisaties. Opvallend waren zijn werkkracht en zijn onveranderlijk dominerende houding. Ten behoeve van het onderwijs was hij actief als curator van de Rijksuniversiteit Utrecht tot 1962, maar vooral als president-curator van de Vrije Universiteit van 1945 tot 1966 - een periode waarin deze aanvankelijk kleine universiteit sterk begon te groeien. Ook voor de Theologische Hogeschool te Kampen stelde hij zich beschikbaar door op het einde van de jaren zestig de overheidssubsidiëring en de herziening van het reglement als gevolg van de democratiseringsgolf voor deze school in goede banen te leiden. Voor de gereformeerde kerken spande hij zich in door verschillende deputaatschappen, bijv. als voorzitter van het interkerkelijk overleg voor het contact met andere kerkgenootschappen. Van de Stichting tot bevordering van de Christelijke Pers was hij bestuurslid. Op sociaal gebied werkte hij als voorzitter van de Gereformeerde bond van verenigingen en stichtingen van barmhartigheid, als voorzitter van het Christelijk psychiatrisch centrum te Bloemendaal, als voorzitter van de Federatie van instellingen voor ongehuwde moeders (FIOM).

Ook ten behoeve van het bedrijfsleven en het overheidsbeleid werd veelal op Donners bestuurs-bekwaamheid een beroep gedaan. In het bedrijfsleven was hij actief als president-commissaris (1955 - 1967) van de Nationale Nederlanden. Van vele regeringscommissies en -raden maakte hij deel uit, zoals de Kiesraad (vanaf 1945 lid, van 1966 tot 1976 voorzitter), de Staatscommissie tot advies omtrent een wettelijke regeling voor de politieke partijen (voorzitter) en de Commissie voor de culturele betrekkingen Nederland - Zuid-Afrika (voorzitter). In deze laatste functie waarschuwde hij voor de verwijdering tussen Nederland en 'zijn stamverwanten' door ongenuanceerde veroordelingen en het afbreken van de dialoog.

Evenmin als Jan Donner hebben zijn zoons de theologische familietraditie voortgezet. De zoons A.M. en R. werden hoogleraar rechten, resp. geneeskunde, de zoon J.H. schaker en schrijver.

Uit dank voor al zijn verdiensten werd Donner in 1971 benoemd tot Minister van Staat. Eervol was ook voor deze man, uit de rechts- en bestuurspraktijk, in 1946 de benoeming tot lid van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen. Hij was immers een man die praktisch werk meer aantrok dan abstraherende wetenschappelijke reflexie. Daarom wees hij hem aangeboden leerstoelen aan de vu en aan de Rechtshoogeschool te Batavia af en voltooide hij nimmer een voorgenomen dissertatie.

Donners betekenis ligt niet alleen in zijn verrichtingen voor de Nederlandse samenleving, maar vooral in het houvast dat hij de antirevolutionaire en gereformeerde gemeenschap in het bijzonder wist te geven door de koppeling van beginselvastheid aan nuchtere werkelijkheidszin in de onzekere tijden van de bezetting, Indonesisch nationalisme en naoorlogse verschuivingen in het traditionele waardenpatroon.

A: Collectie-Donner onder beheer van prof.mr. A.M. Donner (Groningen).

P: Naast enige tekstuitgaven van wetboeken schreef hij preadviezen, zoals Rechtsbescherming tegen de overheid (1934) en Plaats en taak van de Hoge Raad der Nederlanden (1962). Deze zijn uitgegeven door de Calvinistische Juristenvereniging; enige juridische beschouwingen in Antirevolutionaire Staatkunde, jrg. 1 - 14; met Th. Delleman, J.J.C. van Dijk en A.A.L. Rutgers, 'Het kerkelijk verzet', in Opdat wij niet vergeten. Samengest. door Th. Delleman (Kampen, 1949) 70-130; 'Rechtsbestek en rechtsbedeling', in Anti-revolutionair bestek (Aalten, 1964) 119-130; 'Groen en de "Afgescheidenen'", in Een staatsman ter navolging [Samengest. en eindred. C. Bremmer et al. 's-Gravenhage, 1976] 130-134.

L: J.M. van Bemmelen, 'Mr.dr. Jan Donner, mens en jurist van formaat', in De Telegraaf, 28-2-1961; P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918 - 1940 2e dr. (Assen, 1968. 6 dl.); L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1972- 1988)IV-Xb,XII-1;D. Bosscher, Om de erfenis van Colijn (Alphen aan de Rijn, 1980); G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie II. De geschiedenis van de kabinetsformaties 1925-1929 (Kampen, 1980); I.A. Diepenhorst, in CDActueel 1 (1980-1981) 18 (7 februari) 16; G. Puchinger, Ontmoetingen met anti-revolutionairen (Zutphen, 1981) 285-298; idem, in Vu-Magazine 10 (1981) 87 - 89; G.J. Wiarda, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1981 - 1982, 197 - 203; W.F. de Gaay Fortman, 'Donner had tot het einde een onverflauwd gezag', in Trouw, 4-2-1981; G.E. Langemeijer, 'Mr.dr. J. Donner negentig jaar', in Nederlands Juristenblad 56 (1981) 113-116; L.G. Karper, 'Mr.dr. Jan Donner. Een lang leven in gerechtigheid', in De 21 ministers van justitie... 2e dr. ('s-Gravenhage, 1983) 50-52; P.E. Mazel, In naam van het recht. De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog (Arnhem, 1984); De Afgescheidenen van 1834 en hun nageslacht. [Samengest. door Th. Schelhaas et al.] (Kampen, 1984).

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1981-1982 (Amsterdam 1982) 196.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013