Drion, Jan (1915-1964)

 
English | Nederlands

DRION, Jan (1915-1964)

Drion, Jan, jurist ('s-Gravenhage 30-12-1915 - Leiden 1-3-1964). Zoon van Franciscus Johannes Wilhelmus Drion, lid van de Tweede Kamer, directeur Nationaal Bureau voor Documentatie over Nederland, en Elisabeth Maria Josepha Beguin. Gehuwd op 5-11-1955 met Elisabeth Johanna van Rooijen. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren. afbeelding van Drion, Jan

Drion kwam uit een intellectueel bevoorrecht milieu. Als de vierde van zes kinderen groeide hij op in een gezin met een hechte familieband, onder meer voortvloeiend uit gemeenschappelijke belangstelling voor litteratuur, kunst en politiek. Zijn ouderlijk huis was bovendien een middelpunt voor verwanten en vrienden, aangetrokken zowel door de geest van oorspronkelijkheid die er heerste, als door hartelijkheid en huiselijkheid. Behalve hijzelf kozen en voltooiden alle vier zijn broers een universitaire studie.

De lagere school en het gymnasium doorliep hij in Den Haag. In 1935 behaalde hij het diploma gymnasium-B, waarna hij zich in september van hetzelfde jaar liet inschrijven voor de rechtenstudie in Leiden. Voor het door hem op 2-12-1939 afgelegde doctoraal examen kende de faculteit hem het judicium cum laude toe. Hetzelfde judicium kreeg hij voor de bewerking en de verdediging van het proefschrift Administratie contra rechter tot de intrekking van het conflictenbesluit ('s-Gravenhage, 1950), waarop hij op 28-6-1950 promoveerde bij E.M. Meijers.

Van zijn Leidse leermeesters onderging Drion tijdens en ook na zijn studie vooral de invloed van Meijers en J.C. van Oven. Met beiden groeide bovendien de verhouding tussen leermeester en leerling later uit tot een zeer persoonlijke band. Aan Van Oven ontleende hij het voorbeeld van levendig en inspirerend onderwijs. Verder had hij met hem eigenschappen gemeen als innerlijke bewogenheid, heldere en directe manier van uitdrukken en ook muzikaal gevoel. Meijers' invloed onderging Drion, als vele van diens studenten, allereerst door de heldere en bevattelijke wijze waarop hij college gaf. Meer nog doordat Meijers zijn promotor was en hem in dezelfde jaren waarin hij zijn proefschrift voltooide (tussen 1947 en 1950) als medewerker betrok bij het voorbereidend werk voor een ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek.

In de oorlogsjaren leverden Jan Drion en zijn broer Huib, met gevaar voor hun leven, een belangrijke bijdrage aan het verzet tegen de bezettende macht. Al op 4 oktober 1940 kwamen zij met het eerste nummer van het illegale studentenblad De Geus, dat geheel door henzelf geschreven en aanvankelijk gestencild - sinds november 1942 in druk - verscheen en waarvan in en buiten studentenkringen een groot gezag uitging. In de jaren 1940,1941 en 1943 verscheen het blad één keer per maand, later onregelmatiger. In de laatste twee oorlogsjaren was Jan Drion bovendien lid van de Grote Adviescommissie der Illegaliteit, als hoedanig hij een grote invloed uitoefende op de besluitvorming in de ondergrondse organisaties en op het contact daarvan met de regering in Londen. Geen van beide broers heeft zich ooit op dit illegale verleden laten voorstaan.

Bij KB van 15 september 1950 werd Drion als opvolger van Meijers benoemd tot hoogleraar in het burgerlijk recht en het internationaal privaatrecht. Met grote voortvarendheid begon hij aan zijn nieuwe taak. Boeiend onderwijs, enkel aan de hand van de wetstekst gegeven en verlucht met casuïstiek, bezorgde hem al spoedig volle zalen. Naast andere didactische vernieuwingen was een van zijn blijvende successen de oprichting van het studententijdschrift Ars Aequi, bestemd voor allen die werkten bij of studeerden aan een van de juridische faculteiten. Met Drions annotaties bij recente arresten stond het al direct bij zijn verschijnen op hoog peil, en dat is zo gebleven. Met ingang van 1954 trad Drion ook op als annotator van burgerrechtelijke arresten in de Nederlandse Jurisprudentie. Zijn juridische geschriften betreffen o.a. onderwerpen van burgerlijk recht; zijn dissertatie echter ook van staats- en bestuursrecht. Kenmerkend voor al zijn werk is de duidelijke begrenzing van het onderwerp aan de hand van, naar geldend recht onbeantwoord gebleven of omstreden, concrete vragen. Door middel van een nieuwe analyse herschikt hij die tot hoofd- en bijvragen, waarvan de beantwoording vervolgens leidt tot geheel oorspronkelijke oplossingen.

Nog geen vier jaren nadat hij als hoogleraar was begonnen kwam er, als gevolg van het plotselinge overlijden van Meijers op 25 juni 1954, opnieuw een wending in zijn leven. Op aandrang van L.A. Donker, minister van Justitie, gaf hij, na veel aarzeling, gevolg aan de uitnodiging om samen met J. Eggens (later vervangen door G. de Grooth) en F.J. de Jong de taak van Meijers voort te zetten. Gehecht aan zijn succesvolle onderwijs en aan de mogelijkheden en stimulansen die de universiteit bood voor wetenschappelijk werk, voelde hij aan de andere kant sterk dat de voortzetting van Meijers' werk voorrang moest hebben. Hij koos, naar zijn aard, de weg van de meeste weerstand: aanvaarding van de grote veeleisende taak zonder zijn werk in Leiden geheel op te geven. Zo bleef hij, formeel ontheven, nog zoveel bij het onderwijs betrokken dat er soms nauwelijks iets veranderd leek.

Het werk aan het nieuwe wetboek leverde al spoedig resultaten op. In 1955 verscheen het ontwerp voor boek 5 (Zakenrecht). In de daarop volgende jaren vonden de schriftelijke behandeling, het mondeling overleg en de openbare behandeling van de ontwerpen voor de boeken 1 en 2 plaats. Drions optreden als regeringscommissaris naast de ministers van Justitie I. Samkalden (1957 en 1958) en A.C.W. Beerman (1958) maakte grote indruk. Hij bleek de materie tot in details te beheersen en, waar nodig, te kunnen terugvallen op een fenomenale algemene rechtskennis. Mede daaraan was het te danken dat de ingediende ontwerpen zonder ingrijpende wijzigingen werden aanvaard. Ook trof het hoezeer hij Meijers nabijkwam in gemak van optreden, bescheidenheid en gevoel voor humor. Hierna restten nog de voorbereiding van de parlementaire behandeling van de boeken 3 en 4 van het Ontwerp-Meijers en van de nog in te dienen ontwerpen voor de overige boeken. Van de leden van het driemanschap maakte alleen Drion deel uit van alle daarvoor ingestelde werkgroepen. Maar ook in Leiden bleef hij actief, o.m. met colleges voor afgestudeerden over onderwerpen van rechtsvergelijking.

Midden in al dit, hem dierbare, maar ook zijn fysieke krachten te boven gaande werk werd hij op 20 februari 1964 getroffen door een dodelijke hartaanval. In zijn namens de regering uitgesproken afscheidswoord bracht minister Y. Scholten de wijd verbreide ontsteltenis aldus onder woorden dat Nederland een van zijn grootste zonen had verloren.

P: Bibliografie in Verzamelde geschriften van J. Drion [Uitg. door A.R. Bloembergen et al.] (Leiden [etc.], 1968)337-340.

L: J.F. Glastra van Loon, in Ars Aequi 13 (1963) 5 (febr.) 73 - 76; J.F. Glastra van Loon en I. Samkalden, in Het Parool, 2-3-1964; C.H.F. Polak, in Leids Universiteitsblad 29 (1964) 22 (maart) 1-3; K. Wiersma, in NRC, 4-3-1964 en in Verzamelde geschriften van J. Drion, IX-XXV.

I: Verzamelde geschriften van J. Drion [Uitg. door A.R. Bloembergen et al.] (Leiden [etc.], 1968) afbeelding tegenover titelblad.

K. Wiersma


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013