Elias, Eduard Maurits (1900-1967)

 
English | Nederlands

ELIAS, Eduard Maurits (1900-1967)

Elias, Eduard Maurits (pseud. o.a. Flaneur, Praetvaer, Hendrik Hagenaar) journalist (Amsterdam 12-9-1900 - Delft 14-1-1967). Zoon van Liepman Elias, schoenfabrikant, en Mathilde Estèphe van den Bergh. Gehuwd op 24-1-1935 met Virginie Jeannette Slijper. Na echtscheiding (29-11-1944) gehuwd op 5-7-1950 met Joanna Henrica Smit. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren. afbeelding van Elias, Eduard Maurits

In 1920 begon Elias, na het gymnasium in Den Bosch te hebben doorlopen, rechten te studeren in Leiden. Hij nam actief deel aan het studentenleven en frequenteerde de sociëteit Minerva, toonde grote belangstelling voor literatuur en publiceerde al in 1924 zijn eerste teksten. Tijdens de studie kreeg Elias, die zich Israëliet in plaats van jood noemde, belangstelling voor het zionisme en werd hij redacteur van De Joodsche Wachter. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij als gewoon soldaat. Spoedig na zijn afstuderen in 1927 begon Elias in februari 1928 zijn loopbaan in de journalistiek als aankomend redacteur binnenland bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hoewel zijn werk nog hoofdzakelijk van redigerende aard was schreef hij ook zelf, wanneer hem daartoe de kans werd geboden. Hij leverde vooral bijdragen aan de filmrubriek, die toen juist een eigen plaats kreeg en aan belang won onder leiding van Coen Graadt van Roggen. In september 1929 werd Elias hoofdredacteur van de noodlijdende Provinciale Groninger Courant. Zijn blijvende liefde voor de film bleek uit de oprichting van de afdeling Groningen van de Nederlandsche Filmliga. In 1933 verbrak Elias het vaste dienstverband met zijn krant, maar hij bleef er als medewerker - vooral voor de hoofdartikelen - aan verbonden, totdat ze op 1 juli 1935 werd opgenomen in het Nieuwsblad van het Noorden. Inmiddels hadden zijn bezigheden zich uitgebreid tot literaire besprekingen in weekbladen en begon hij op gang te komen met het schrijven van kroniekjes over de dingen van de dag. 'Hoekjes en stukjes' noemde hij deze bijdragen bij voorkeur. Sinds eind 1934 was hij vast medewerker van het Haagse dagblad Het Vaderland en schreef hij onder het pseudoniem Hendrik Hagenaar zijn cursiefjes met melancholieke, badinerende en levenswijze mijmeringen. Later werd hij tevens de Flaneur van Het Vaderland en de schrijver van 'Flitsen' iedere zaterdag op pagina 3 in hetzelfde dagblad. Scherper dan vele collegae en anderen zag Elias in de jaren dertig het dreigende oorlogsgevaar, en in 1939 nam hij het besluit uit Europa te vertrekken. Toen de Duitsers Nederland binnenvielen verbleef hij in de Verenigde Staten. Tijdens de oorlogsjaren was hij als ambtenaar in voorlichtingsfuncties werkzaam op Curaçao, voor het Netherlands Information Bureau in New York en in Londen. Vooral in de Antillen beleefde hij een interessante tijd. Na de bevrijding teruggekeerd in Nederland werd hij redacteur/ vaste medewerker van het op 27 oktober 1945 voor het eerst verschenen opinieweekblad Elseviers Weekblad, waarvoor hij iedere week de omvangrijke rubriek 'Praetvaeria' schreef. Bovendien bleef hij als kroniekschrijver aan verscheidene dag-, week- en maandbladen teksten leveren. Hij werd volgens Anton Koolhaas (in De Tijd van 18 januari 1967) een 'stukjesfabriek'. Wanneer hij op reis ging leverde hij soms dertig 'Hendrik Hagenaars' bij de redactie van Het Vaderland in . In juni 1965 begon hij nog met een nieuwe rubriek in het Algemeen Dagblad, 'Maandag...' geheten en bij wijze van uitzondering ondertekend met zijn eigen naam. De teksten voor de maandagkrant van dit dagblad vormen een voor zijn hele wezen bijzonder kenmerkend samenstel van overdenkingen en losse invallen. Het schrijven ging Elias gemakkelijk af, maar hij was wars van slordige teksten. Geen komma mocht ontbreken en elk woord moest op de juiste plaats staan. Hij had een grote gevoeligheid voor het ritme van de taal. Zijn onderwerpen vond hij tijdens wandelingen door zijn geliefde stad Den Haag, door de bossen, langs de zee en in buitenlandse en Nederlandse kranten die hij nauwgezet bijhield. Hij verzorgde ook enkele gedenkboeken en teksten bij fotoboeken. In 1947 was hij een van de oprichters (met onder meer Charles Boost, Henri Knap, Bob Steinmetz en Kees Zijlstra) van het satirische tijdschrift Mandril, dat bijna vier jaar bestond. Toen hij in opdracht van de Nederlandse regering in Londen op Curaçao voorlichter was geweest, had hij ook al meegewerkt aan het literaire tijdschrift De Stoep.

Elias, die zich, behalve van de genoemde pseudoniemen, ook bediende van de schrijversnamen Broer Jan, Tartarin, Edouard Bouquin, Canteclaer, Doesje, Bellenblazer, Pietje Pienter en Bernard Buitenhof, voelde en noemde zich echter uitdrukkelijk journalist. Zijn vakgenoten wilden hem eerder als een cursiefjesschrijver beschouwen, de bij hen nog niet steeds hoog aangeschreven columnist, wiens produktie bovendien meermalen voor een grote lezersschare in boekvorm werd herdrukt. Zelf kon Elias voor collegae attent en complimenteus zijn. De naar zijn mening optredende veranderingen in de journalistiek verontrustten hem echter, wanneer die tot vervlakking en sensatiezucht schenen te leiden. Elias was en bleef een liberaal in hart en nieren en schreef dan ook jarenlang met het onderschrift 'deze burger' beschouwende stukjes in het orgaan van de liberale partij na de oorlog, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Als liberaal koesterde Elias uiteraard eigen vaste overtuigingen, en dat zou hem er in 1966 toe brengen voor de VVD te bedanken, toen het hoofdbestuur het Amsterdamse gemeenteraadslid J.P.A. Gruyters kapittelde, omdat deze geweigerd had op de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van prinses Beatrix in Amsterdam te verschijnen. Zijn keuze voor het zionisme en de oorlogsherinneringen maakten hem bovendien tot een warm verdediger van de nieuwe staat Israël.

De keuze van Elias voor de schuilnaam Floris Flaneur onder vele stukken wekte de indruk dat hij zelf een 'flaneur' zou zijn, iemand die met een zee van tijd luchtig door het leven stapte. Dit was echter slechts schijn. Hij moest een strakke dagindeling hanteren om zijn vele en verschillende bijdragen op tijd en handgeschreven te kunnen inleveren. Er verschenen alleen al bijna elfhonderd 'Praetvaeria's'. Om de lezer moeiteloos te laten genieten van zijn teksten schreef Elias zeer minutieus en met fijne nuances zijn spitse gedachten en gevoelige beschouwingen op. Hij was niet alleen stijlvol met de pen, maar was dat ook in de omgang. Hij was gesteld op zijn vrijheid, zijn vrienden en zijn werk. Na zijn dood werd hij vooral getypeerd als integer, briljant van geest en gevoelig zonder ooit sentimenteel te worden. Dit levenseinde kwam even onverwacht als tragisch. Juist in Den Haag in de trein gestapt voor een reportagereis naar Tunesië werd de gevierde en toch rusteloze levenskunstenaar op 14 januari 1967 door een hartaanval getroffen. De noodrem werkte niet en bij aankomst in Delft bleek Elias al te zijn overleden. Een 'Flaneur-Comité' zamelde geld in om de gedachte aan hem levendig te houden. Aan het Lange Voorhout kwam een zwierige Flaneur in brons te staan. Ook werd geld ingezameld voor het planten van bomen (het 'Elias-woud') in Israël. Postuum ontving Elias in 1967 een extra prijs voor het op publicistische wijze bevorderen van toerisme, beschikbaar gesteld door de ANWB, voor zijn gehele oeuvre en in het bijzonder voor zijn tekst in het fotoboek over Delft van fotograaf Ed van Wijk (verschenen in 1964 en herdrukt in 1969). Van de jury voor de ANWB-prijzen had Elias zelf tien jaar deel uitgemaakt.

A: Knipselarchief in de biografieënverzameling van het Nederlands Persmuseum te Amsterdam.

P: Tijdgenoten. Getekend met lijnen door Willem van Schalk, met woorden door E. Elias (Amsterdam, 1937); Van den Hagenaar en zijn stad. Met tekeningen van Piet van der Hem (Amsterdam, 1938); Paradijs in cellophaan. Uit een journalistiek dagboek (Maastricht, 1947); Peredrups en paprika (Maastricht, 1949); De stille glimlach (Antwerpen [etc.], 1951); Portret van Toon. Het leven van een humorist. Met tekeningen van Toon Hermans en foto's ('s-Gravenhage, 1951); 1/2 gare varia (Amsterdam, 1956); Nieuwe praetvaeria (Amsterdam, 1958); De wereld door een rose bril (Amsterdam [etc.], 1964); Hendrik Hagenaars herinneringen, waarbij opgenomen enige 'Flitsen van Flaneur' (Den Haag, 1967).

Verder een vijftiental publikaties waaronder fotoboeken waarvoor hij teksten schreef, gelegenheidsuitgaven voor jubilerende ondernemingen zoals Wij zijn 75 jaar zoet (Amsterdam, 1957) t.g.v. het 75-jarig bestaan van de NV Centrale Suiker Mij. en promotieboeken over Groningen-Drenthe, 's-Gravenhage, Nederland, Leiden en Delft. Het vaakst herdrukt werden Praetvaeria, Peredrups en paprika, alsmede Paradijs in cellophaan. Een goede indruk van zijn werk biedt de postuum verschenen bloemlezing met teksten over Elias Veertig jaar cursief. Een keuze uit het werk van mr. E. Elias, Praetvaer, Hendrik Hagenaar, Edouard Bouquin, Flaneur. Verz. door F. van der Molen. Met bijdr. van Godfried Bomans [et al.] (Amsterdam [etc.], 1967 en 1968).

L: Herdenkingsartikelen o.a. in: NRC, 16-1-1967; Het Parool, 16-1-1967; De Tijd De Maasbode, 16-1-1967; Algemeen Handelsblad, 16-1-1967; Het Vaderland, 16-1-1967, de Volkskrant, 16-1-1967; Elseviers Weekblad, 21-1-1967 en 28-1-1967.

I: em>Hendrik Hagenaars herinneringen, waarbij opgenomen enige 'Flitsen van Flaneur' (Den Haag, 1967) omslagfoto.

J.M.H.J. Hemels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013