Emma (Adelheid Emma Wilhelmine Therese) (1858-1934)

 
English | Nederlands

EMMA, koningin der Nederlanden (1858-1934)

Emma (Adelheid Emma Wilhelmine Therese), prinses van Waldeck en Pyrmont, Koningin der Nederlanden en Koningin-Regentes (Arolsen (Duitsland) 2-8-1858 - 's-Gravenhage 20-3-1934). Dochter van Georg Victor, vorst van Waldeck en Pyrmont, en Helene Wilhelmine Henriette Pauline Marianne, prinses van Nassau. Gehuwd op 7-1-1879 met Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, prins van Oranje-Nassau, als Willem III sinds 1849 Koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

afbeelding van Adelheid Emma Wilhelmine Therese, prinses van Waldeck en Pyrmont, Koningin der Nederlanden en Koningin-Regentes Emma ontving samen met haar vijf zusters en jongere broer huisonderwijs onder toezicht van een kordate moeder. De strenge en tevens veelzijdige opvoeding accentueerde bij de nuchtere Emma eigenschappen als plichtsbesef en zelfdiscipline. De tuberculose van haar oudste zuster wekte haar belangstelling voor de TBC-bestrijding en de moderne ziekenverpleging. De weldadigheid van haar familie bracht haar vroeg in contact met sociaal werk. Het ouderwetse hofje van haar ouders leerde haar gemoedelijke omgangsvormen; innemendheid en tact gaven haar een rol in de familiekring.

Het was deze jeugdige prinses van een weinig aanzienlijk Duits regerend vorstenhuis die door de inmiddels weduwnaar geworden koning Willem III ten huwelijk werd gevraagd. Over het grote leeftijdsverschil van 41 jaar tussen de toekomstige echtgenoten werd blijkbaar heengestapt uit dynastieke overwegingen. Voor koning Willem III was een tweede huwelijk gewenst in verband met nageslacht voor de troonopvolging, al waren nog op het moment van de verloving twee zoons uit het eerste huwelijk in leven. Voor prinses Emma moeten gehoorzaamheid aan haar ouders en gelovig roepingsbesef haar ertoe hebben gebracht dit gearrangeerde huwelijk te aanvaarden. Na het huwelijk volgde Emma dan ook haar echtgenoot naar Nederland en deed zij alle moeite zich als koningin aan de nieuwe omgeving aan te passen. Zij leerde zich vlot uitdrukken in de hoftaal en in het Nederlands. Die laatste taal sprak zij evenwel altijd met een accent. Tijdens zijn laatste jaren leefde Willem III wegens zijn slechte gezondheid in een betrekkelijke afzondering. Hoewel zij zich sinds 1886 voorbereidde op haar toekomstige staatstaak, was zij niet stelselmatig daarvoor opgeleid. Sommigen vroegen zich destijds dan ook af in hoeverre Emma de intellectuele vorming en de maatschappelijke ervaring kon verworven hebben om het regentschap met succes uit te oefenen.

Bij haar huwelijk leek Emma een onzekere toekomst tegemoet te gaan. Twee ongehuwde zoons uit 's konings eerste huwelijk en zijn jongere broer Hendrik waren nog in leven. Teneinde zijn tweede vrouw en dochtertje een passend onderkomen te garanderen voor het geval hij vóór zijn zoon Alexander zou overlijden, kocht Willem III in 1881 te Renkum Oranje-Nassau's Oord aan; het werd particulier eigendom van Emma en haar dochter. In 1901 kon Emma er met een royaal gebaar de bestemming van sanatorium aan geven. Want wegens het kinderloos overlijden van de prinsen Hendrik en Willem in 1879 en van Alexander in 1884, en dank zij de geboorte van Wilhelmina in 1880, werd het enige jaren na haar huwelijk duidelijk dat alleen door Emma de erfopvolging veiliggesteld zou worden. In 1884 werd Emma aangewezen als eventuele Regentes. Vier jaar later werd de toekomstige voordij over Wilhelmina ten gunste van Emma geregeld; zij zou worden bijgestaan door een raad van voogdij waarin ervaren staatslieden zoals jhr. J. Röell en jhr. G.C.J. van Reenen zitting hadden. Het Nederlandse nationale gevoel verzette zich tegen een rol hierbij van buitenlandse familieleden des Konings; het werkte zodoende ten gunste van Emma. Zij slaagde erin, hoewel dat in de eerste jaren voor het regentschap niet meteen verwacht werd, de geschonden reputatie van het koningschap te herstellen en de publieke opinie ontvankelijk te maken voor het optreden van een vrouw als staatshoofd.

Emma werd op 20 november 1890 beëdigd als Regentes voor Willem III, die drie dagen daarna overleed; de volgende maand moest zij reeds als Regentes en voogdes voor haar dochter optreden. Zij ving haar functie aan op tweeëndertig jarige leeftijd; toen zij als veertigjarige in 1898 terugtrad, had zij haar belangrijkste levenstaken reeds vervuld. Vrij spoedig na 's konings overlijden begon Emma met de studie van de staatsstukken; in de volgende jaren nam zij gewetensvol de documenten door die haar werden voorgelegd; soms vroeg zij om nadere informatie en een enkele maal liet zij de redactie van stukken wijzigen. Tevens herstelde zij het regelmatige mondelinge overleg tussen staatshoofd en ministers. Met haar innemendheid en tact wist zij nu veel politici voor zich te winnen: 'zij vereenigt een vasten wil met zachte vormen, waaraan wij niet verwend waren', aldus 's konings adjudant J.E.N, baron Sirtema van Grovestins in december 1890. De kwestbaarheid van Emma's positie als een niet in Nederland geboren vorstin maakte het onvermijdelijk dat zij haar kracht zocht in een verzoenende ambtsuitoefening en in een strikt constitutioneel, onpartijdig standpunt. Toch ging de Regentes enkele confrontaties over constitutionele kwesties niet uit de weg. Meningsverschillen met ministers over de positie van het Kabinet der Koningin en over de bevordering van haar adjudanten in rang, leidden ten slotte tot compromissen die zeker geen overwinning van het ministeriële standpunt betekenden.

Het was ook Emma die besliste dat de haar en Willem III sympathieke Amsterdamse burgemeester G. van Tienhoven (en niet J.P.R. Tak van Poortvliet) in 1891 met de kabinetsformatie werd belast. Het kabinet-Van Tienhoven struikelde over de kiesrechtuitbreiding. Toen Tak van Poortvliet op 9 maart 1894 onverhoeds zijn kieswetsontwerp introk en de ministers, met uitzondering van Van Tienhoven, de Regentes kamerontbinding adviseerden, was Emma onaangenaam verrast te meer omdat de formateur haar destijds niet in kennis gesteld had van het befaamde 'amicebriefje' en het daarop aansluitende protocol waarbij Tak en zijn collega's zich tegenover elkaar verbonden hadden eventueel zo'n ontbinding te adviseren. Emma vreesde dat de Kroon beperkt werd in haar beslissingsvrijheid. Omdat een alternatief ontbrak, stemde zij toe in kamerontbinding - met de mededeling dat zij de overwegingen van de ministers niet in alle opzichten kon aanvaarden. Toen Taks medestanders haar beslissing als een ondersteuning van hun standpunt wilden uitleggen, liep naar Emma's mening (zij was met Taks ontwerp bepaald niet ingenomen) haar bovenpartijdige positie als Regentes gevaar. Om eventuele demonstraties ten gunste van haar te voorkomen zegde zij het jaarlijkse bezoek aan Amsterdam af; ook stond zij de afscheidsreceptie voor de demissionaire ministers niet toe.

Op advies van de kamervoorzitters liet Emma vervolgens in 1894 de verzoenende J. Röell een liberaal minderheidskabinet formeren. De nieuwe ministers moesten haar hun program voorleggen alvorens zij hen beëdigde. Vooral dank zij Van Houtens bekwame parlementaire verdediging van een desbetreffend wetsvoorstel wist dit kabinet een gematigde kieswet tot stand te brengen, die op dat moment de enig mogelijke was. Emma was er zozeer mee ingenomen, dat zij S. van Houten meteen had willen decoreren. Bij de in 1897 volgende formatie van het kabinet-Pierson liet zij weten dat zij de twee liberale fracties in het ministerie vertegenwoordigd wilde zien; voorts verlangde zij een realistisch program, handhaving van o.a. Van Houtens kieswet en voortzetting van de energieke Atjehpolitiek. Bij zijn gesprekken met Emma viel het Röell in deze tijd op hoe goed zij op de hoogte was geraakt van het politieke leven.

Uit de proclamatie die Emma bij haar terugtreding als Regentes, toen haar dochter Wilhelmina als Koningin op haar achttiende jaar op 6 september 1898 werd ingehuldigd, bleek dat zij zich had leren vereenzelvigen met haar Nederlandse omgeving. In haar toen uitgesproken wens dat Nederland groot zou blijken te zijn in de dingen waarin een klein land groot kan zijn, valt het morele zendingsbesef te beluisteren dat omstreeks die tijd het nationale bewustzijn doordrong. Aanvaardt men de stelling dat Europese monarchieën in de 20e eeuw onder de drang van de omstandigheden strikt constitutioneel, nationaal en populair wensen te zijn, dan kan men Emma's regentschap beschouwen niet alleen als een herstel van de staatkundige functie van het koningschap ter voorbereiding van Wilhelmina's regering, maar ook als het begin van een nieuwe fase in de ontwikkeling van de monarchie. Het uitgesproken Nederlandse karakter van het koningschap werd door Emma beklemtoond met koninklijke deelneming aan nationalistische manifestaties als de viering van militaire successen behaald in Nederlands-Indië. Ook bediende Emma zich opzettelijk van het Nederlands in het maatschappelijk verkeer. Systematisch doorbrak zij het isolement van de Kroon door middel van bezoeken aan provincies en steden en door deelname aan openbare plechtigheden op een in Nederland ongekende schaal. Begunstigd door het nationalisme schonk zij zodoende de samenleving een unificerend nationaal symbool.

Emma had ook betekenis als opvoedster van een staatshoofd dat op haar achttiende zelfstandig beslissingen kon nemen. Bewust werd daartoe Wilhelmina's zelfvertrouwen gestimuleerd; vanaf haar veertiende jaar werd zij door een stoet van geleerden onderwezen. Ook maakte Emma haar dochter deelgenoot van de problemen waarmee zij als Regentes werd geconfronteerd. Nadien bleek dat zo'n opvoeding geen onverdeeld gelukkig effect had. Zij werpt echter licht op Emma's door omstandigheden nogal krampachtige opvatting van haar taken. In verband hiermee meende zij er goed aan te doen de hofhouding van haar man grotendeels te handhaven. Mede op grond hiervan heeft men wel eens verondersteld dat zij door haar omgeving conservatief werd beïnvloed. Maar voorshands dient te worden aangenomen dat Emma toch zoveel mogelijk zelfstandig besliste en handelde.

Na Wilhelmina's inhuldiging bleef Emma bij haar dochter wonen tot deze in 1901 in het huwelijk trad; evenals voorheen traden de beide vorstinnen nog gezamenlijk bij officiële plechtigheden op. Ook later zou de populair blijvende Koningin-Moeder, al betrok zij toen het huis aan het Lange Voorhout in Den Haag, haar dochter en schoonzoon vaak in het openbaar vergezellen. Emma leefde in de dertig jaren na haar terugtreden als Regentes bepaald niet afgezonderd. Zij reisde graag, ontving politici en diplomaten en steunde in gesprekken loyaal haar dochter, wier staatkundige activiteiten zij nauwgezet volgde. Voor het grote publiek was Emma na 1898 de Koningin-Moeder die zich vooral profileerde als 'koningin der weldadigheid'. Emma heeft de stichting van het eerste grote Nederlandse sanatorium voor lijders aan tuberculose financieel mogelijk gemaakt. Met haar morele steun bevorderde zij het werk van het Emmafonds en de verbetering van de ziekenverpleging. Haar grote naam als weldoenster bleek uit de stroom van brieven gericht aan haar Bureau van Weldadigheid. Stipt en kritisch werden daar de verzoeken om financiële bijstand getoetst aan de door Emma gestelde normen. Tijdens haar laatste levensfase werd Emma, die vroegtijdig verouderd was, het frêle dametje dat zich kleedde volgens een tijdloze mode met vaste attributen als een kanten weduwenkapje en een dito parasol. Als liefste oude dame van Europa bleef zij na haar dood in de eenzijdige herinnering van het grote publiek voortleven.

A: Archief-Kabinet der Koningin, Geheim Archief in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; collectie-Dumonceau waarin levensherinnermgen van C.H.F, graaf Dumonceau, ibidem; collectie-J. Röell met kort dagregister crisis 1894, ibidem; collectie-Weitzel waarin gedenkschriften van generaal-majoor A.W.P. Weitzel, ibidem; collectie-Pierson met dagboek N.G. Pierson in Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.

L: Officieel gedenkboek van de feestelijke ontvangst en de inhuldiging van... Wilhelmina binnen Amsterdam in 1898 (Amsterdam, 1898); G.L. Kepper, Het regentschap van koningin Emma ('s-Gravenhage, [1898]); De Koningin-Moeder 1879-1929. Gedenkboek ter herinnering aan den zeventigsten verjaardag... (Leiden, 1928); Jubileumnummer rond koningin Emma, in NRC, 9-1-1929 av.; D. Hans, Koningin Emma (Leiden, 1934); N. Japikse, De geschiedenis van het Huis Oranje-Nassau ('s-Gravenhage, 1937-1938. 2 dl.); A.W.J. Mulder, 'Emma van Waldeck-Pyrmont, 1858- 1934', in Moeders uit ons Vorstenhuis door E. van Beusekom [et al.] (Amsterdam, 1938) 261-272; W.J. van Weideren Rengers en C.W. de Vries, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland ('s-Gravenhage, 1948) II; G.J. Lammers, De kroon en de kabinetsformatie (IJmuiden, 1952); Wilhelmina, Eenzaam maar niet alleen (Amsterdam, 1959); Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1848-1919. Tweede periode 1871-1898. Uitg. door J. Woltring ('s-Gravenhage, 1965-1972) II - VI; Derde periode 1899- 1903. Uitg. door C. Smit ('s-Gravenhage, 1957-1968) I-III en VI. RGP grote serie: 118, 122, 126, 132, 138; 100, 102, 106, 128; Alice, Princess, Countess of Athlone, For my grandschildren. Some reminiscenses... (Londen, 1966); E. van Raalte, Staatshoofden ministers. Nederlands constitutionele monarchie historisch-staatsrechtelijk belicht (Zwolle, 1971); A.J. Onstenk, "Ik behoor bij mezelf". Cornelis Elisa van Koetsveld, 1807-1893 (Assen, 1973); M.W. Jurriaanse, De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken, 1813 - 1900 ('s-Gravenhage, 1974); J. van Doorn, Willem III, Emma en Sophie: geluk en ongeluk in het huis van Oranje (Zaltbommel, 1977); G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1901 ('s-Gravenhage, 1980); M.E. Verburg, 'De laatste ziekte van koning Willem III en de waarneming van het koninklijk gezag', in Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 56 (1988) 185-198.

I: http://home.planet.nl/~hoven584/oranje/Emma.JPG

C.A. Tamse


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013