Fokker, Timon Henricus (1880-1956)

 
English | Nederlands

FOKKER, Timon Henricus (1880-1956)

Fokker, Timon Henricus, consulair ambtenaar en kunsthistoricus (Batavia (Ned.-Indië) 8-3-1880 - Rome (Italië) 6-1-1956). Zoon van Anthony Herman Gérard Fokker, pres. Factorij der Ned. Handel-Mij., en Suzanna Alida der Kinderen. Gehuwd op 11-12-1933 met Geertruida Reineker. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Timon Fokker, een neef van Anthony H.G. Fokker, volgde lager onderwijs in Nederlands-Indië en middelbaar onderwijs in Nederland. Hij volgde een rechtenstudie in Leiden, die hij op 19 september 1907 in Amsterdam afsloot met de verdediging van een proefschrift (zie P) bij D. Josephus Jitta. Daarna werkte hij als advocaat in Amsterdam.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam de reislustige Fokker in 1917 als consul in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij trad op in de Bulgaarse hoofdstad Sofia; eind 1918 werd hij als consul-generaal voor Nederland in Kiev geplaatst. Na de bolsjewistische staatsgreep in Leningrad en Moskou heerste in de Oekraïne grote politieke en militaire verwarring en werd, zoals Fokker het zelf omschreef, Kiev daardoor 'het allerbelangrijkste centrum van Oost-Europa'. Bij ontstentenis van o.a. Poolse en Engelse vertegenwoordigers moest Fokker ook de belangen van hun landen in deze stad behartigen. Fokkers rapporten muntten uit door de reële en intelligente wijze waarop hij over de verschillende stromingen en groeperingen schreef die naar de macht in Rusland dongen. Kiev was daarvoor ook een belangrijke observatiepost. Deze rapportage onderscheidde zich in gunstige zin van die der overige Nederlandse vertegenwoordigers, die in hun afschuw van de bolsjewieken weinig realistisch waren over de kansen van hun succes. Toen Moskou de Oekraïne in de op de Oktober-revolutie gevolgde burgeroorlog onder controle kreeg, werd alle buitenlandse vertegenwoordigers verder verblijf in Kiev ontzegd, en dat betekende ook voor Fokker het vertrek uit de Sovjet-Unie, nog gedramatiseerd door het feit dat hij als zieke met een dubbele longontsteking naar Constantinopel vervoerd moest worden. In juli 1919 daar aangekomen, kon hij toch nog enigszins de ontwikkelingen in Zuid-Rusland volgen en bleef hij daarover rapporteren. Ook in Den Haag waren Fokkers verdiensten niet onopgemerkt gebleven, het ministerie van Buitenlandse Zaken overwoog een plaatsing van Fokker in Perzië, maar men zag daar om financiële redenen van af. De secretaris-generaal deelde hem op 1 maart 1921 mee dat er aan zijn tijdelijke relatie tot het departement spoedig een einde zou moeten komen.

In 1921 vestigde Fokker zich in Rome, waar hij de rest van zijn leven zou doorbrengen. Hij wijdde zich verder aan de kunstgeschiedenis. Daarnaast was hij actief in de kunsthandel. Hij vatte een studie aan die leidde tot de publikatie van Werke niederländischer Meister in den Kirchen Italiens ('s-Gravenhage, 1931). Hij droeg dit boek op aan de directeur van het Nederlandsch Historisch Instituut in Rome, G.J. Hoogewerff, met wie hij nauw bleef samenwerken. De mecenas Doria Pamphilj benoemde Fokker in 1932 tot directeur van zijn kostbare kunstcollectie. Dit gaf hem ruim gelegenheid tot verdere studie, die uitmondde in de publikatie van twee delen Roman baroque art. The history of a style (Londen, 1938). Dit boek mag gelden als Fokkers hoofdwerk.

Na de Tweede Wereldoorlog had Fokker veel minder financiële mogelijkheden; naast zijn benoeming tot directeur van de galerij Doria Pamphilj in 1947 werd hij in hetzelfde jaar aangezocht als tijdelijk lector in de Nederlandse taal aan de Sapienza te Rome. Hij vervulde deze functie tot 1952, toen hij 70 jaar werd. Zijn opvolgster werd mw. G. van Woudenberg.

Fokkers hart was verpand aan de schilderkunst. Daarover had hij zeer uitgesproken voorkeuren, bijvoorbeeld voor de barok, en die ventileerde hij graag. Hij werd erkend als de Nederlandse specialist op kunsthistorisch gebied in Rome. In 1957 - een jaar na zijn overlijden - werd er in de hal van het Nederlands Historisch Instituut een marmeren gedenkplaat aan de muur geplaatst met een Latijnse tekst van S. Tromp s.j. Zijn weduwe heeft 1300 foto's en reprodukties die hij tijdens zijn leven verzameld had, geschonken aan het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag.

A: Archief-Buitenlandse Zaken, Kabinet, nr. 792, en dossier B 139 (Rusland, Algemeen 1919-1921), beide berustend bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag.

P: Naast de al genoemde publikaties en artikelen in o.a. De Gids, Elsevier's Maandschrift, Bollettino d'arte, The Burlington Magazine en Gazette des beaux-arts; Bijdrage tot de internationaal gelijkvormige regeling der scheepsvoorrechten (Leiden, 1907). Proefschrift Amsterdam; Jan Siberechts, peintre de la paysanne flamande (Bruxelles, 1931); Catalogo sommario dei quadri della Galleria Doria Pamphilj in Roma (Rome, 1951). Verschillende herdr.

L: 'Jaarverslagen', in Mededelingen van het Nederlands Historisch Instituut te Rome 3e reeks, dl. VI (1950) XXIX en dl. VIII (1954) 25; Haagsche Courant, 16-1-1956; O.K.W. Mededelingen van het departement voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen 20 (1956) 27 (7 juli) 347; Mededelingen van het Nederlands Historisch Instituut te Rome. Derde reeks. Deel 9 (1957) 7-8; Ben Knapen, De lange weg naar Moskou (Amsterdam [etc.], 1985) 48-52.

W.J.M. Klaassen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013