Geer, jhr. Dirk Jan de (1870-1960)

 
English | Nederlands

GEER, jhr. Dirk Jan de (1870-1960)

Geer, jhr. Dirk Jan de, christelijk-historisch staatsman (Groningen 14-12-1870 - Soest 27-11-1960). Zoon van jhr. Lodewijk de Geer, Ned. Herv. predikant, en Petronella Elisabeth Beckeringh. Gehuwd op 11-8-1904 met Maria Voorhoeve. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Geer, jhr. Dirk Jan de

De Geer bracht zijn jeugd door in Groningen, Rotterdam en Velp. In Rotterdam en Arnhem ging hij op het gymnasium. Een studie in de rechten te Utrecht kon in 1895 bij M.S. Pols als promotor met een promotie cum laude over De grenslijn tusschen opzet en schuld worden afgesloten. Een jaar tevoren was hij in Rotterdam redacteur geworden van het latere christelijk-historische dagblad De Nederlander. Er volgde een vlotte politieke en ambtelijke loopbaan: in 1901 lid van de Rotterdamse gemeenteraad, gedeputeerde van Zuid-Holland (1908 -1920) en daarop het burgemeesterschap van Arnhem. Inmiddels was hij in 1907 in de Tweede Kamer gekomen.

Tot in 1940 afwisselend kamerlid, minister en minister-president, werkte De Geer zich op tot de onbetwiste leider van de christelijk-historischen, hoewel hij zich aan de partij en aan zijn partijgenoten weinig gelegen liet liggen en daarmee een ruime interpretatie gaf aan de christelijk-historische opvattingen omtrent het in wezen losse en niet-mandatoire verband van de Christelijk-Historische Unie (CHU). De Geer was een zakelijk ingesteld, eigenzinnig en zelfbewust mens, die op den duur meende alles beter te weten, scherper in te zien en helderder te formuleren. Hij bemoeide zich met de kleinste dingen, en overleg met anderen, zelfs in de belangrijkste aangelegenheden, zocht hij niet. Had hij eenmaal een standpunt ingenomen, dan dienden de anderen zich daarnaar te richten; in de confrontatie met de Staten-Generaal greep hij als minister dan ook snel naar het machtsmiddel van 'onaanvaardbaar' om zijn zin door te drukken, ook bij minder gewichtige zaken. In de omgang met mensen was hij bepaald stug, en het gebrek aan soepelheid maakte hem kwestbaar voor negatieve oordelen over hem. Vrienden bezat hij niet, maar daar had hij ook geen behoefte aan. Ook al bleef hij bij anderen de indruk wekken hooghartig patriciër te zijn en toonde hij een neiging tot zelfoverschatting, zijn prestige in christelijk-historische kring leed er weinig onder; in eruditie, bekwaamheid, werkkracht en welbespraaktheid had hij nauwelijks zijns gelijke.

De binnenlandse politiek werd zijn hartstocht; de buitenlandse had zijn belangstelling niet. Dat maakte hem tot een benepen provinciaal. De verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog verdiepten zijn pacifistische inslag. Geweldstoepassing vond hij strijdig met het christendom. Van de Volkenbond had hij hooggestemde verwachtingen. En wat Nederland betreft, achtte hij een stipte neutraliteitshouding, zoals het ministerie-Cort van der Linden die in 1914-1918 aan de dag had gelegd, de beste waarborg om het land buiten de oorlog te houden. In deze opvattingen roestte hij vast, en dat zou hem blind maken voor de agressieve aard van het Derde Rijk.

In de Kamer gold De Geer spoedig als financieel specialist. Handhaving van het begrotingsevenwicht lag hem na aan het hart. De staat, zo vond hij, moest het toonbeeld van zuinigheid zijn, ook en zeker op het gebied van de defensie. Een groot minister van Financiën zou hij echter niet worden; daarvoor miste hij in moeilijke tijden volharding en doorzettingskracht. Toen hij in de zomer van 1921 voor het eerst minister van Financiën werd, als opvolger van de tussentijds afgetreden S. de Vries Cz. - hij gaf er het burgemeesterschap van Arnhem voor op - hamerde hij weliswaar bij voortduring op het aambeeld van de bezuiniging, maar een duidelijk program tot herstel van het financieel evenwicht bezat hij niet. Twee jaar later trad hij af uit protest tegen de hervatting van de in april 1922 geschorste behandeling van het ontwerp-Vlootwet. Ook al had De Geer in de boezem van het kabinet meer dan eens bezwaar aangetekend tegen het ontwerp en heeft hij in de brochure Een Voorloopige Memorie van Antwoord (Arnhem, 1923) zijn standpunt ook in het openbaar kenbaar gemaakt, toch mag men betwijfelen of het ontwerp wel oorzaak van zijn heengaan was; eerder lijkt het dat hij niet opgewassen was tegen de financiële problemen en de Vlootwet een prachtkans bood om de aftocht te dekken. Hij bevestigde er zijn reputatie van pacifist mee, en ongewild versterkte hij de oppositie tegen de Vlootwet, waarvan de verwerping kort daarna leidde tot een ingewikkelde kabinetscrisis.

In het in 1925 door Colijn geformeerde kabinet keerde De Geer terug als minister, nu op Binnenlandse Zaken. Dit kabinet struikelde al na enige maanden over de Vaticaanse kwestie. Het was De Geer die in 1926 na tal van vergeefse pogingen van anderen de crisis tot een oplossing bracht. In luttele dagen formeerde hij zijn eerste kabinet. Het werd een extraparlementair kabinet van de zuiverste soort: op de ministersposten zette De Geer personen van confessionele en liberale richting die politiek onbeschreven waren, en tijdens de formatie, die in het geheim verliep, meed hij ieder contact met de politieke leiders. Zelfs zijn collega-ministers liet hij onkundig van zijn opdracht. Colijn was zo ontstemd dat De Geer achter zijn rug om zijn terugkeer blokkeerde dat hij nog op het laatste moment heeft gepoogd de formatie te laten mislukken. Colijn ervoer De Geer, niet voor het laatst, als een echte rivaal in de politiek. Maar deze, aan wie - in tegenstelling tot Colijn - eerzucht vreemd was, liet zich leiden door de nuchtere constatering dat de breuk in de rechtse coalitie te diep was om daarop een parlementaire meerderheid te baseren. Bij de presentatie van zijn kabinet in de Tweede Kamer kondigde De Geer aan dat hij plaats zou maken, zodra een nieuwe parlementaire meerderheid zich aandiende. Maar het helen van de wonden, aan de rechtse coalitie door de Vaticaanse kwestie toegebracht, duurde zo lang dat dit intermezzo-kabinet, zoals De Geer het noemde, de volle rit kon uitzitten.

Zelf nam De Geer Financiën weer op zich. Belangrijkste wapenfeit in deze periode werd de reeds jaren noodzakelijke herziening van de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten. De Geer wilde de gemeentelijke inkomstenbelasting afschaffen en daarvoor een gemeentefondsbelasting instellen. De opbrengst daarvan en die van opcenten op de vermogensbelasting zouden in een gemeentefonds worden gestort, waaruit de gemeenten jaarlijks naar draagkracht middelen toegewezen zouden krijgen. Dit systeem, in 1931 van kracht geworden, maakte een einde aan de exorbitante verschillen in belastingdruk tussen de gemeenten. Hoewel de inperking van het eigen belastinggebied vooral van sociaal-democratische zijde - al bestond hier geen eensgezindheid - beschouwd werd als een aantasting van de gemeentelijke autonomie, oogstte De Geer voor zijn stelsel toch alom bewondering.

Na de voortzetting van het ministerschap van Financiën in het derde kabinet-Ruijs de Beerenbrouck (1929-1933), waarin hij nauwelijks uit de voeten kon met de gevolgen van de economische wereldcrisis, verklaarde De Geer nooit meer minister te willen zijn. Hij werd in 1933 benoemd tot minister van Staat, en daarmee had hij zijn politieke loopbaan waardig kunnen afsluiten. Maar evenals Colijn beschouwde hij zich een van de natuurlijke leidslieden van het Nederlandse volk. Daarom nam hij in 1933 het voorzitterschap van de christelijk-historische fractie in de Tweede Kamer op zich. In die functie toonde hij zich loyaal tegenover Colijn, tot zomer 1939 de minister-president. Zo bracht de voor de christelijk-historischen kenmerkende dualistische instelling hem in 1939 ertoe niet voor de befaamde motie-Deckers te stemmen. Deze motie was erop gericht het vijfde door Colijn op omstreden wijze geformeerde kabinet naar huis te sturen. De Geer wenste het kabinet op zijn daden te beoordelen en noemde de motie een ernstige misgreep. Even kenmerkend voor De Geer was het evenwel om, toen hem na aanvaarding van de motie de formatieopdracht toeviel, een kabinet te vormen, waarin hij ook personen opnam uit groeperingen die tot de voorstemmers van de motie behoorden.

Voor de aanvaarding van dit tweede premierschap heeft De Geer zwaar moeten boeten. Kennelijk zag men in hem de aangewezen man om een zo nationaal mogelijk kabinet in elkaar te zetten, met voor het eerst in de parlementaire geschiedenis twee sociaal-democraten in de persoon van J. van den Tempel (Sociale Zaken) en J.W. Albarda (Waterstaat), en de onvermijdelijk tot uiting komende tegenstellingen in de hand te houden. Zijn leeftijd, 69 jaar toen, was geen bezwaar, maar men dient zich af te vragen of de raadslieden van de Koningin wel voldoende hebben beseft dat deze 'grijsaard', met zijn kijk op de wereld en pacifistische inslag die niet meer bij de tijd waren, bepaald niet de juiste leider was, nu de oorlogsdreiging voor Nederland toenam. De Geer zelf was zich daarvan overigens wel bewust; veel liever had hij Colijn in zijn plaats gezien, maar deze, daartoe door De Geer aangezocht, paste voor een kabinet van die samenstelling.

Op 10 mei 1940 stortte De Geers wereldbeeld volledig in. Een overval van de Duitsers had hij in zijn voorstellingen voortdurend buitengesloten. Hij voelde zich lam geslagen, en in die psychische toestand kon hij zijn rol van regeringsleider niet aan. Hij gedroeg zich nerveus, betoonde zich besluiteloos en onthield zich in die spannende dagen van enig optreden in het openbaar. In grote verwarring viel de beslissing dat de ministers naar Londen zouden uitwijken, in nog grotere verwarring vond op 14 mei het vertrek zelf plaats, zonder dat zaken van primair belang geregeld waren; op de valreep pas tekende De Geer de blancovolmacht voor de opperbevelhebber H.G. Winkelman. Overigens deed menige minister in radeloosheid niet voor De Geer onder, maar juist van een minister-president had men in deze noodlottige dagen blijken van wilskracht mogen verwachten.

Eenmaal in Londen, waar hij zich volslagen ontheemd voelde, bleek De Geer de grootste defaitist van het Nederlandse gezelschap te zijn. ledere dag dat de oorlog voortduurde, was hem een dag te veel. Al op 20 mei maande hij via de BBC, zonder zijn collega's erin te kennen, het Nederlandse volk tot kalmte en ordelijk gedrag en riep hij de administratieve diensten op tot samenwerking met de Duitse autoriteiten. Kort daarop tekende hij bezwaar aan tegen het eerste door zijn kabinet in Londen te nemen wetsbesluit waarmee de buitenlandse bezittingen van Nederlanders in bezet gebied uit Duitse handen gehouden werden. Toen hij ook nog begon te pleiten voor onderhandelingen met de Duitsers, desnoods buiten Engeland om, was de maat vol. Hij verloor definitief het vertrouwen van de Koningin. Zij dwong De Geer eind augustus 1940 tot ontslag; zelfs als minister van Financiën, welk ambt hij tevens weer bekleedde, wenste zij hem niet te handhaven. Zijn collega's wisten nog gedaan te krijgen dat naar buiten toe het ontslag mede in verband met zijn gezondheid werd gebracht, en ook bezorgden zij hem een regeringsopdracht die hem naar Indië zou brengen, waar hij dan familieleden zou kunnen bezoeken. Eenmaal in Lissabon aangekomen, besloot hij echter naar Nederland terug te keren, en benaderde hij daartoe de Duitse autoriteiten, teneinde via Berlijn het bezette gebied te kunnen bereiken, terwijl juist de ministers met hun regeringsopdracht zulk een terugkeer hadden willen voorkomen. P.S. Gerbrandy, de nieuwe Nederlandse premier, beschuldigde hem daarop over de radio van desertie.

In Nederland ontmoette De Geer slechts afkeuring. Zowel in de kring van de CHU als in zijn kerk keerden velen hem de rug toe, vaak letterlijk. Toen hij in april 1942 de brochure De synthese in den oorlog (Rotterdam, 1942) in een grote oplage liet verschijnen en daarin weer aandrong op het sluiten van vrede met de Duitsers, had hij ook als persoon bij de Koningin afgedaan. Zij liet hem weten dat van hem na de oorlog rekenschap gevraagd zou worden. Daarop vooruitlopend schreef hij de brochure Verantwoording (Den Haag, 1946). Op 29 oktober 1947 heeft de Bijzondere Raad van Cassatie het door De Geer ingestelde beroep tegen de sententie van het Bijzonder Gerechtshof van 23 mei 1947 verworpen. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met de bijzondere voorwaarde dat hij in genoemde periode zonder voorkennis van de procureur-fiscaal zich niet buiten zijn woonplaats Soest mocht begeven. Eind 1947 werd hij ontslagen door de Kroon als minister van Staat. In mei 1950 werd hem bij KB met toepassing van de Wet zuivering Nederlandse ridderorden 1946 (Stbl. no G 261) zijn lidmaatschap van de orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje Nassau ontnomen. Door dit alles werd zijn eergevoel ernstig geknakt en leek zijn leven in puin te zijn gevallen. In grote verbittering en door zijn omgeving genegeerd, al bleven zijn naasten hem trouw, sleet hij zijn lange levensavond, al schrijvend op zoek naar rechtvaardiging.

A: Collectie-De Geer in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; strafdossier-De Geer in het ministerie van Justitie te 's-Gravenhage.

P: 'Jhr.mr. A.F. de Savornin Lohman', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen. Levensschetsen en portretten. XXXIX Bijeengebr. door H. van der Mandele (Haarlem, 1909); Hoe te stemmen ('s-Gravenhage, 1918); De staatsfinanciën ('s-Gravenhage, 1924); De toekomst van den Volkenbond ('s-Gravenhage, 1938); Religie en staatkunde ('s-Gravenhage, 1939); Uit de nevelen. Rede gehouden voor het Bijzonder Gerechtshof ('s-Gravenhage, 1947); Van lang vervlogen dagen ('s-Gravenhage, 1949); Avondmijmering ('s-Gravenhage, 1950); Collectieve veiligheid of collectieve zelfmoord ('s-Gravenhage, 1950); Hou en trouw tot het einde ('s-Gravenhage, 1953); Als de avondklok luidt ('s-Gravenhage, 1955); Herinneringen ('s-Gravenhage, 1959); Evenwicht of rechtsgemeenschap (Rotterdam, 1960).

L: Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1949) 2a/b en 2c; J.A. Diepenhorst, in Anti-revolutionaire staatkunde 31 (1961) 1 - 3; P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1940. 2e dr. (Assen, 1968. 6 dl.); G. Puchinger, Tilanus vertelde mij zijn leven (Kampen, 1969); Idem, Colijn en het einde van de coalitie. I (Kampen, 1969) en II (Kampen, 1980); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969- dl.) I, II, III, IX; H. Heide en T. Pen, 'Het ontslag van jhr. De Geer in september 1940', in Intermediair 13 (1977) 15 (15 april) 43-47; P.J. Oud, Honderd Jaren 1840-1940. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland. Bew. en voor de periode na 1940 aangevuld door J. Bosmans 9e dr. (Assen, 1987).

I: Website Parlementair Documentatie Centrum: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [19-7-2007].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013