Geerdinck, Johannes Antonius (1902-1977)

 
English | Nederlands

GEERDINCK, Johannes Antonius (1902-1977)

Geerdinck, Johannes Antonius, officiaal van het aartsbisdom Utrecht (Groenlo 8-4-1902 - Utrecht 16-5-1977). Zoon van Johannes Antonius Geerdinck, landbouwer, en Gesina Margaretha Hofman.

Geerdinck bezocht de lagere school te Groenlo, de seminaries te Culemborg en Rijsenburg, werd op 25 juli 1926 priester gewijd, en promoveerde 6 juli 1929 in het Seminarie Maggiore al Laterano te Rome tot doctor utriusque juris. Hiervoor was geen proefschrift vereist. Na zijn terugkeer in Nederland volgde zijn benoeming tot kapelaan te Jutphaas en op 2 januari 1931 tot secretaris van aartsbisschop G. Jansen. Aartsbisschop J. de Jong handhaafde hem in deze functie tot hij hem op 10 oktober 1947 tot vicaris-generaal aanstelde.

Geerdinck heeft zeer intensief samengewerkt met aartsbisschop De Jong. Deze had een sterke neiging beleidskwesties steeds van alle kanten te bekijken en kon daarom niet snel tot een besluit komen. Hij miste de voortvarendheid en praktische besluitvaardigheid van zijn secretaris en huisgenoot Geerdinck. Zeer waarschijnlijk heeft de aartsbisschop alle belangrijke beleidskwesties steeds met zijn secretaris besproken. Aan diens oordeel hechtte hij zeer grote waarde.

Naarmate de positie van de aartsbisschop binnen het Nederlandse bisschoppencollege sterker werd en De Jong de leider werd van het verzet van de Nederlandse katholieke kerk tegen de bezetter, groeide ook de betekenis en het aanzien van Geerdinck. Als vertrouwensman en adviseur van De Jong was hij immers op de hoogte van de uitkomst van het overleg dat de aartsbisschop in de oorlogsjaren vaak met bestuurders van verenigingen en organisaties, bovendien met protestantse kerken, voerde. Het antwoord op de vragen die Geerdinck door de leiding van de suffragane bisdommen werden gesteld, was doorgaans kort en bondig en gaf blijk van een grote kennis van zaken. Soms bezocht hij in opdracht van De Jong de bisschoppen persoonlijk om het te voeren beleid te bespreken.

Tijdens de ziekte van de aartsbisschop, als gevolg van een hersenbloeding sinds november 1942, voerden zij in feite het bestuur van het aartsbisdom. De brief van het Nederlandse episcopaat, op 21 februari 1943 in de katholieke kerken voorgelezen, is zeer waarschijnlijk van de hand van Geerdinck en van zijn vriend D. Huurdeman, vicaris-generaal van het aartsbisdom Utrecht. In genoemd schrijven stelde het Nederlandse episcopaat de onrechtvaardige maatregelen van de bezettende macht buitengewoon scherp aan de kaak. De bisschoppen protesteerden tegen de gewelddadige deportatie van jonge mensen en van de joden, alsook van de katholieke joden. De passage waarin de bisschoppen de autoriteiten, de ambtenaren en de bestuurders van inrichtingen voorhielden dat medewerking aan deze maatregelen van de bezetter in geweten ongeoorloofd was, werd op aandrang van het aartsbisdom Utrecht ingelast. Van Geerdinck en Huurdeman, die even doortastend was als de secretaris, kon zo'n dringend advies tot een duidelijk principiële stellingneming verwacht worden. Zij waren van oordeel dat zelfs het laatste offer van een persoon gevraagd kon worden, als het belang van de gemeenschap zulks eiste.

Sinds 27 juli 1944, toen de aartsbisschop na een auto-ongeluk tot begin oktober van dat jaar in het ziekenhuis te Apeldoorn verbleef, werd Geerdinck in feite medebestuurder van het aartsbisdom. Zijn benoeming tot vicaris-generaal in 1947 bevestigde de bestaande situatie. Volgens Geerdinck moest de aartsbisschop in alle omstandigheden op zijn medewerkers kunnen rekenen. Hij zelf was dan ook bereid het meest zware en verantwoordelijke werk op te knappen en als de goede zaak dat van hem zou eisen, ook de volledige verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. Van de diocesane priesters verwachtte Geerdinck hetzelfde. Vaak heeft hij de aarzelende aartsbisschop aangespoord tot streng optreden tegen priesters die te kort schoten. Wanneer deze dan harde maatregelen trof, was Geerdinck vaak degene die de betrokkene ervan in kennis stelde.

Als vertegenwoordiger van een gesloten katholicisme bevorderde Geerdinck na de oorlog de restauratie van de katholieke organisatie. Hij was van mening dat de clerus binnen de katholieke gemeenschap een aparte rol te vervullen had. Voor vernieuwingstendensen had hij weinig oog, voor experimenten nauwelijks begrip. Toen in 1951 B.J. Alfrink tot coadjutor van de aartsbisschop werd benoemd, was de periode De Jong-Geerdinck definitief afgesloten. Hoewel hij de titel van vicaris-generaal van de aartsbisschop tot de dag waarop De Jong overleed bleef behouden, oefende hij de daaraan verbonden functie niet meer uit. Hij trok zich ruiterlijk terug en gaf de coadjutor alle kansen. Op 15 augustus 1951 werd Geerdinck tot officiaal van het aartsbisdom benoemd. Hij zou deze functie tot 1 september 1973 vervullen. Zijn aandacht ging nu in de eerste plaats uit naar kerkrechtelijke aangelegenheden. Op dit gebied werd hij de belangrijkste adviseur van het aartsbisdom en van de nieuwe aartsbisschop Alfrink. Zo gaf ook Geerdinck met andere priesterdocenten van de seminaria van het aartsbisdom adviezen aan Alfrink, die hiervan gebruik zou maken bij zijn bekende interventies in mei 1962 in de Commissio Preparatoria van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962 - 1965), toen hij de leer van de collegialiteit van de paus met de bisschoppen verdedigde.

Als officiaal van het aartsbisdom werd Geerdinck in de loop der jaren met een steeds groeiend aantal aanvragen tot huwelijksontbinding geconfronteerd. Hij bleek de vernieuwingen op het terrein van het kerkelijk recht redelijk goed te kunnen volgen en was ook bereid een soepeler beleid te ontwikkelen. Zijn stelregel was dat hij als officiaal alle mogelijkheden van het kerkelijk recht moest benutten om mensen in nood te helpen. Veel innerlijke tegenstand moest hij telkens overwinnen wanneer hij aanvragen van priesters tot opheffing van hun celibaatsverplichting moest behandelen. Doorgaans gaf hij betrokkene de schuld; deze had in zijn ogen bewezen niet geschikt te zijn voor het ambt. Geerdinck vond dat De Jong, Alfrink en ook andere bisschoppen te veel begrip toonden voor deze priesters.

Geerdinck bleef trouw aan zijn principes bij de aanvaarding van de benoeming tot president van het groot-seminarie te Rijsenburg op 1 februari 1958. Hij deed wat zijn aartsbisschop van hem vroeg, ook al besefte hij dat hij voor deze functie niet de meest aangewezen persoon was. In de vier jaar die volgden, zou hij ervaren dat de priesterkandidaten zijn gezagsopvatting niet deelden. Zij waren niet geneigd de kerkelijke overheid onvoorwaardelijk als meester en zichzelf als dienaren te beschouwen. Ook vonden de studenten de traditionele praktijken en gebedsoefeningen, waarin hun president was opgeleid en die hij zeer trouw vervulde, minder zinvol. Zij vroegen Geerdinck hen in te leiden in een eigentijdse priesterlijke vroomheid, maar daartoe was hij niet in staat. Toen de spanningen tussen de studenten en de autoritair optredende president te groot werden, nam hij op 8 januari 1962 ontslag. Alfrink benoemde hem daarop tot zijn vicaris-generaal. Deze functie heeft Geerdinck evenwel niet meer uitgeoefend.

Tot op het einde van zijn leven bleef Geerdinck de mening toegedaan dat er eerder te weinig dan te veel harde besluiten waren genomen. De Utrechtse diocesane clerus had respect, maar sympathiseerde niet met hem. Men vond hem te rechtlijnig in zijn oordelen en in zijn beslissingen.

A: Archief-Geerdinck in het archief van het Aartsbisdom Utrecht.

L: H.W.F. Aukes, Kardinaal De Jong (Utrecht [etc.], 1956) passim; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1974) V, 386, 391-392; G.A.M. Abbink, in Analecta voor het aartsbisdom Utrecht 50(1977)247-266.

M.G. Spiertz


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013