Gelder, Jan Gerrit van (1903-1980)

 
English | Nederlands

GELDER, Jan Gerrit van (1903-1980)

Gelder, Jan Gerrit van, kunsthistoricus (Alkmaar 27-2-1903 - Utrecht 9-12-1980). Zoon van Hendrik Enno van Gelder, archivaris en museumdirecteur, en Johanna Helena Scalongne. Gehuwd op 10-1-1928 met Nannette Françoise Schrijver. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (12-6-1956) gehuwd op 3-7-1956 met Emilie Engelberts. Na haar overlijden (5-4-1961) gehuwd op 5-7-1963 met Ingrid Isolde Edith Jost. Beide laatste huwelijken bleven kinderloos. afbeelding van Gelder, Jan Gerrit van

Van Gelder groeide op in Den Haag, waar zijn vader in 1906 benoemd was tot gemeentearchivaris. Na de gymnasiumopleiding begon in 1923 de studie kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht onder leiding van W. Vogelsang. Reeds per 1 mei 1924 werd Van Gelder benoemd bij het Museum Boymans te Rotterdam, waar hij aanvankelijk als assistent en later als conservator belast was met het beheer over het prentenkabinet en de bibliotheek. Deze functie belette hem niet in snel tempo zijn studie voort te zetten, zodat hij in 1927 het doctoraal examen kon afleggen. Nog geen zes jaar later, op 9 juni 1933, promoveerde hij bij Vogelsang op het proefschrift Jan van de Velde, 1593-1641, teekenaar-schilder. Intussen waren reeds tal van kunsthistorische en kunstkritische artikelen van zijn hand verschenen en had hij in De Wereldkroniek in de jaren 1931 - 1933 tientallen filmrecensies gepubliceerd. In 1935 trad hij toe tot de redactie van Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift en vanaf 1937 tot 1942 redigeerde hij samen met A.M. Hammacher het door H.P. Bremmer opgerichte tijdschrift Beeldende Kunst. In 1936 werd hij tevens privaatdocent in de kunstgeschiedenis te Leiden.

Met ingang van 1 december 1940 werd Van Gelder benoemd tot waarnemend directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag ter vervanging van de met ziekteverlof naar zijn vaderland teruggekeerde Zwitser H. Schneider. In de oorlogsjaren besteedde Van Gelder onder andere veel aandacht aan het behoud van kunstcollecties, o.a. het kunstbezit van Frits Lugt, een der grondleggers van het RKD, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland en Amerika verbleef. Het was de bedoeling dat hij in 1941 tevens zou worden benoemd tot directeur van het Mauritshuis als opvolger van prof. W. Martin, maar in verband met de joodse afkomst van zijn schoonvader werd de benoeming opgehouden en bleef Martin als directeur aan. Eerst op 27 juni 1945 volgde Van Gelders aanstelling tot directeur van het Mauritshuis en werd hij tevens als opvolger van Schneider benoemd tot directeur van het RKD. In het Mauritshuis organiseerde hij twee tentoonstellingen, Nederlandsche kunst van de XVde en XVIde eeuw... 1 September tot 15 Oktober 1945 en Herwonnen Kunstbezit... Maart-Mei 1946, de eerste exposities die in dit museum werden gehouden. Gedurende Van Gelders korte directoraat overleed de vroegere directeur A. Bredius, waardoor het museum de reeds jarenlang in bruikleen aanwezige schilderijen in eigendom verwierf. Bij het RKD werden onder leiding van Van Gelder nieuwe initiatieven genomen, waaronder de uitgave van een eigen mededelingenblad, de Kunsthistorische Mededeelingen (1946). Ook buiten de beide Haagse instellingen ontplooide hij allerlei activiteiten, zoals de oprichting van het Nederlandsch Kunsthistorisch Jaarboek (1947), waartoe hij het initiatief nam.

Aan het dubbele directoraat kwam reeds een einde in 1946, toen Van Gelder op aandrang van de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen de benoeming tot hoogleraar in de kunstgeschiedenis te Utrecht als opvolger van zijn leermeester Vogelsang, die met emeritaat ging, aanvaardde. Op 18 november 1946 hield hij zijn intreerede Kunstgeschiedenis en kunst.

Onder zijn leiding onderging het Utrechtse Kunsthistorisch Instituut een grote uitbreiding, o.a. door de aandacht die werd besteed aan de hulpmiddelen voor het ikonografisch onderzoek, en werd het voordien sterk op de Duitse kunsthistorische school georiënteerde apparaat verbreed door het leggen van contacten in Engeland en de Verenigde Staten. Deze contacten leidden ook tot een toeloop van jonge buitenlandse, vooral Amerikaanse, geleerden, die naar Utrecht kwamen voor het schrijven van hun proefschrift of voor ander voortgezet wetenschappelijk onderzoek. In de periode tot 1976 trad Van Gelder 33 maal op als promotor bij proefschriften over een grote verscheidenheid van kunsthistorische onderwerpen, terwijl hij bovendien herhaaldelijk een belangrijk aandeel had in de voorbereidingen van elders verdedigde dissertaties en andere wetenschappelijke publikaties. Dank zij zijn grote kennis, zijn enthousiasme en zijn open opstelling tegenover vakgenoten en leerlingen was hij een belangrijk stimulator voor binnen- en buitenlandse kunsthistorici. Inmiddels verschenen ook vele publikaties van zijn eigen hand over diverse onderwerpen, waaronder artikelen over de schilders van de Oranjezaal, over Rubens en Van Dijck en hun invloed in Holland, over de vroegste ontwikkeling van Rembrandt, over de tekenaar Jan de Bisschop en, samen met zijn tweede echtgenote Ingrid van Gelder-Jost, over Adam Elsheimer en Aelbert Cuyp. Van 1946 tot 1976 had Van Gelder zitting in de redactie van het tijdschrift Oud-Holland, van 1947 tot 1962 tevens in die van het Nederlands(ch) Kunsthistorisch Jaarboek. Bovendien had hij dank zij zijn bestuurlijke kwaliteiten zitting in tal van besturen en commissies, veelal als voorzitter, ook binnen de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, waarvan hij in 1951 lid was geworden. Genoemd kunnen verder worden de Fondation Custodia en het Institut Néerlandais in Parijs, het Istituto Olandese te Florence, de Stichting Openbaar Kunstbezit en de Vereniging Rembrandt.

In verband met een conflict binnen het Kunsthistorisch Instituut te Utrecht verruilde hij in 1966 zijn functie binnen dit instituut voor die van directeur van het toen opgerichte Centrum voor Voortgezet Kunsthistorisch Onderzoek, dat tot zijn emeritaat in 1973 bleef bestaan.

Door zijn warme belangstelling voor de onderzoekingen van leerlingen en andere kunsthistorici en door de genereuze wijze waarop hij zijn brede kennis, vooral op het terrein van de 17e-eeuwse schilderkunst in de Nederlanden, ter beschikking stelde heeft Van Gelder jarenlang een centrale plaats ingenomen in de Nederlandse kunsthistorische wereld en bovendien een belangrijke rol gespeeld op internationaal niveau. Het inspireren en enthousiasmeren van anderen vormt, te zamen met zijn omvangrijke en belangrijke eigen wetenschappelijke oeuvre, een blijvende bijdrage aan de beoefening van de kunstgeschiedenis in ons land in de periode sinds de Tweede Wereldoorlog.

P: Bibliografie door E. Verwey over de jaren 1925- 1961 in Album Discipulorum aangeboden aan Prof.Dr. J.G. van Gelder ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag 27 februari 1963 (Utrecht, 1963) 187 - 205; addenda en vervolg over de jaren 1962-1972 in Album Amicorum J.G. van Gelder. Onder red. van J. Bruyn [et al.] (The Hague, 1973) 361 - 364; addenda en vervolg over de jaren 1973 - 1981 in het hieronder genoemde In Memoriam..., 69-76.

L: In Memoriam J.G. van Gelder 1903 - 1980. Met bijdragen van J. Bruyn [et al.] (Utrecht, 1982).

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1980 (Amsterdam 1981) 186 [Foto: E. de Jongh, 1972].

R.E.O. Ekkart


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013