Goes, Franc van der (1859-1939)

 
English | Nederlands

GOES, Franc van der (1859-1939)

Goes, Franc van der, journalist en politicus (Amsterdam 13-2-1859 - Laren (Nh) 5-6-1939). Zoon van Willem van der Goes, kapitein infanterie en assuradeur, en Johanna Cnoop Koopmans. Gehuwd op 2-3-1893 met Marie Koens. Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren. afbeelding van Goes, Franc van der

Van der Goes was - hoewel zelf niet geadeld - afkomstig uit een regentengeslacht. Hij doorliep de HBS (eindexamen 1878) in Amsterdam en ging vervolgens in de leer bij een assurantiekantoor. Toen zijn vader in 1881 stierf, nam hij als commissionair in assurantiën diens zaken over. Sinds zijn eindexamen schreef hij toneelkritieken voor het radicaal-liberale blad De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland ('De Groene'). Tevens was hij verbonden als leraar in declamatie aan het Amsterdamsch Conservatorium en aan de Tooneelschool. Hij ontpopte zich als een van de belangrijkste voortrekkers van de letterkundige vernieuwingsbeweging van de Tachtigers. In 1885 stichtte hij met Frederik van Beden, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey De Nieuwe Gids. Zijn medewerking aan dit toonaangevende orgaan van de Beweging van Tachtig was vruchtbaar. Onder het pseudoniem 'Ph. Hack van Oudheusden' schreef hij in vrijwel elke aflevering een literatuurkritiek of een essay over een sociaal-politiek thema, zich kenmerkend door een verzorgde stijl en een bezonken oordeel.

Halverwege de jaren tachtig begaf hij zich ook in de politiek. Hij werd actief in de Amsterdamse radicaal-liberale propaganda vereniging 'De Unie', die ijverde voor algemeen kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging. In 1886 verwierf hij in het hele land bekendheid met de brochure Majesteitsschennis. Het geding tegen den heer F. Domela Nieuwenhuis (Amsterdam, 1886). Hierin hekelde hij de politieke tendens van het requisitoir dat de socialistenleider Domela een jaar gevangenisstraf zou bezorgen. Het pamflet wekte woedende reacties: Van der Goes kreeg ontslag bij de toneelschool en werd als commissionair door collega's en bezoekers van de effectenhoek uit het Amsterdamse Beursgebouw verjaagd.

De omvangrijke, in 1889 ter herdenking van de Franse revolutie verschenen literatuur bracht hem tot de opvatting dat de idealen van het liberalisme slechts door de arbeidersbeweging gerealiseerd konden worden. In 1891 sloot hij zich aan bij de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Door deze overgang kwam hij in conflict met de zuiver-esthetisch gerichte leiders van de Tachtigers. In hetzelfde jaar distantieerde hij zich nadrukkelijk van deze beweging, door in het artikel 'Over socialistische aesthetiek' in De Nieuwe Gids 6 (1891) I, 369-404 en 7 (1892) II, 113 - 140 hun gebrek aan sociaal engagement aan de kaak te stellen. Bovendien verloor hij in 1892 zijn broodwinning. Toen hij in Amsterdam het woord had gevoerd op een werklozendemonstratie werd hij opnieuw als 'oproerkraaier' van de Beurs gedrongen, waardoor zijn handelszaak voorgoed verliep. Ook viel voor hem toen het ontslag als docent aan het conservatorium. Sindsdien wijdde hij zich geheel aan propagandistische en theoretische werkzaamheden voor de socialistische beweging, hierin financieel gesteund door enkele vrienden.

Bestudering van sociologische, economische en geschiedkundige vraagstukken had hem toen al tot de best onderlegde sociaal-democraat in Nederland gemaakt. Tot aan zijn dood is hij een orthodoxe marxist gebleven, een volgeling van de Duitse partijtheoreticus Karl Kautsky. Het deterministische karakter van deze wereldbeschouwing manifesteerde zich in zijn in 1892 geschreven werk Organische ontwikkeling der maatschappij (Amsterdam, 1894): een door Darwin geïnspireerde evolutietheorie paste hij hierin toe op de maatschappelijke ontwikkelingen. Zijn marxistische opvattingen bracht hem in botsing met de leiding van de SDB, waar destijds het anarcho-syndicalisme de overhand kreeg. Reeds na enkele maanden werd hij, in 1892, als partijlid geroyeerd. Vanaf de zijlijn bleef hij het gebeuren in de SDB volgen en ijverde hij voor een heroriëntatie van de partijkoers, in de richting van parlementaire agitatie. Toen de SDB op zijn congres in 1893 elke vorm van parlementarisme afwees, wist hij enkele jongere socialisten, onder wie P.J. Troelstra en H. Polak, te overtuigen van de noodzaak van een scheuring. Van de in 1894 opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was hij de geestelijke vader. In het opstellen van het onorthodox-marxistische partijprogramma (1895), dat grote gelijkenis vertoonde met het Erfurter programma van Kautsky, had hij het grootste aandeel.

Vanaf de oprichting tot omstreeks 1905 was Van der Goes de belangrijkste theoreticus in de SDAP. In 1896 richtte hij het marxistische maandblad De Nieuwe Tijd op, waarin politieke, sociaal-wetenschappelijke en culturele beschouwingen van een vaak opvallend oorspronkelijk gehalte verschenen. Met H. Gorter, H. Roland Holst en P. Wiedijk (pseudoniem J. Saks) was hij hiervan tot 1916 redacteur. Bovendien doceerde hij van 1899 tot 1912 als privaatdocent in de staathuishoudkunde aan de Universiteit van Amsterdam de grondslagen van de marxistische politieke economie.

In de SDAP behoorde hij steeds tot de linkervleugel. In de woelige jaren van 1905 tot 1909, toen de strijd tussen de reformisten en revisionisten enerzijds en de marxisten anderzijds woedde, bevocht hij, in samenwerking met de overige Nieuwe Tijd- redacteuren, het standpunt dat de partij beginselen het richtsnoer dienden te zijn van elk politiek handelen. Toch was het partijverband hem zó dierbaar, dat hij op het hoogtepunt van het conflict in dubio raakte. Toen het SDAP-congres van Deventer in 1909 enkele van zijn strijdlustigste geestverwanten-de 'Tribunisten'- royeerde, behoorde hij niet tot die marxisten die de partij verlieten.

Deze splitsing was voor hem een traumatische ervaring. In de SDAP raakte hij op de achtergrond. Zijn produktie van theoretische bijdragen nam af, en van vooraanstaand partij-ideoloog degradeerde hij tot één van de journalisten in de snel groeiende sociaal-democratische pers. Samen met F.M. Wibaut redigeerde hij van 1910 tot 1919 het gematigd-marxistische Weekblad, de wekelijkse bijlage van de partij krant Het Volk. Van 1912 tot 1925 was hij redacteur-buitenland van Het Volk, in welke hoedanigheid hij dagelijks een internationaal overzicht schreef. Bovendien was hij van 1916 tot 1929 redacteur van De Socialistische Gids, het populair-wetenschappelijke maandblad dat binnen de SDAP de functie van de radicalere Nieuwe Tijd overnam. Zijn belangrijkste en tevens laatste invloedrijke optreden in de SDAP na de scheuring van Deventer deed zich voor in de 'ministerialisme'-debatten op het congres van Zwolle in 1913. Hij trad daar succesvol op als leider van de opposanten die zich keerden tegen deelneming van de SDAP aan de landsregering.

In 1927, kort na zijn pensionering als journalist bij Het Volk, sloot hij zich aan bij een groep linkse opposanten die zich verenigd hadden rond het blad De Socialist, Deze oppositie ijverde voor samenwerking met de communisten en keerden zich tegen de bereidheid van de SDAP om met de katholieken en vrijzinnig-democraten te gaan regeren. In 1932 verliet hij met deze groepering de partij en stichtte hij de Onafhankelijk Socialistische Partij. Toen deze partij in 1935 fuseerde met de trotskisten, trok hij zich terug in een kleine propagandaclub van getrouwen: de Bond van Revolutionaire Socialisten.

Aldus was Van der Goes in de laatste jaren van zijn leven opnieuw beland in de rol waarin hij in de jaren negentig had geglansd: die van leermeester, omringd door een kleine kring van volgelingen. Zijn vertrek uit de SDAP markeerde een historische cesuur in de ontwikkeling van die partij: deze stap symboliseerde het sluitstuk van een geleidelijk proces waarin de Nederlandse sociaal-democratie haar marxistische beginselen achter zich liet. Van deze ideologie heeft Van der Goes steeds gefungeerd als bewaker. Als politicus heeft hij in de SDAP overigens zelden een rol van betekenis gespeeld. Hij miste de capaciteiten om op te treden als parlementariër, volksleider of bestuurder. Vaak heeft hij gekandideerd bij verkiezingen, maar met uitzondering van zijn verkiezing als raadslid van Hilversum in 1909 heeft hij nooit voldoende stemmen getrokken. Ook in theoretisch opzicht had hij beperkingen. In het algemeen was hij meer literair-journalistiek dan wetenschappelijk begaafd: voor onderzoek was hij te slordig en ongeduldig, terwijl hij zijn theorievorming vaak oppervlakkig onderbouwde. Een zeker gemis aan oorspronkelijkheid heeft er bovendien toe bijgedragen dat hij omstreeks 1905 zijn leidende rol als marxistisch theoreticus moest prijsgeven aan een jongere generatie.

A: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam. Naast omvangrijke door Van der Goes verzamelde documentatie over letterkunde, toneel, politiek en sociale toestanden is dit archief vooral waardevol wegens een grote collectie van brieven.

P: Verzamelde opstellen (Amsterdam, 1898); Grootkapitaal en kleinhandel (Amsterdam, 1902); Litteraire herinneringen uit den Nieuwe-Gids-Tijd (Santpoort, 1931); Uit het werk van Frank van der Goes (Amsterdam, 1939); Journalistiek werk uit de jaren 1933/1938 (Amsterdam, 1940).

L: Behalve herdenkingsartikelen in De Nieuwe Gids 54 (1939) I, 283 - 290; in De Groene Amsterdammer, 11-2-1939; in Socialisme en democratie 1(1939) I, 166-175; in NRC , 12-2-1939 ocht., in Groot-Nederland 37 (1939) II, 74-75 en in Het Volk, 6-6-1939 av. Haarlemsche editie: W.H. Vliegen, 'F. van der Goes', in De Dageraad der Volksbevrijding (Amsterdam, 1905) II, 119- 137; idem, 'F. van der Goes', in Die onze kracht ontwaken deed (Amsterdam, 1925)1,155-162; G. Stuiveling, 'Van der Goes als essayist', in Rekenschap (Amsterdam, 1941) 185-200; G.H. 's-Gravesande, De geschiedenis van De Nieuwe Gids (Arnhem, 1955) met supplement; B. Ram, 'Frank van der Goes. De literator en socialist, 1859-1939', in Socialisme en democratie 16 (1959) 103 -107; M. Grunell en B. de Vroom, 'Frank van der Goes 1859 - 1939', in Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 1 (1974) 2 (,) 77-94; Y. Botke, 'Franc van der Goes, 1859- 1939',in Jaarboek voor het democratisch socialisme 1 (1979) 137-171; Fr. de Jong Edz., 'Marxistisch dubbelportret. Het leven van Frank van der Goes en F.M. Wibaut', in Socialisme en democratie 37 (1980) 209-220.

I: Florian Diepenbrock, Eensgezinde tweedracht. Organisatievorming van Nederlandse musici in de Tweede Gouden Eeuw, 1890-1920 (Amsterdam 2007) 116 [Portret: Jan Veth].

H. de Liagre Böhl


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013