Goudriaan [jr.], Jan (1893-1974)

 
English | Nederlands

GOUDRIAAN [JR.], Jan (1893-1974)

Goudriaan [jr.], Jan, ingenieur en econoom (Amsterdam 5-12-1893 - Amsterdam 22-3-1974). Zoon van Jan Goudriaan, onderwijzer, en Johanna Christina Margaretha Krantz. Gehuwd op 25-7-1918 met Geertruida Margaretha Maria Heijenbrock. Uit dit huwelijk werden 3 dochters geboren. afbeelding van Goudriaan [jr.], Jan

In zijn geboorteplaats doorliep de leraarszoon Jan Goudriaan de HBS om vervolgens technische wetenschappen te Delft te studeren. Aan de Technische Hoogeschool behaalde hij in 1915 het diploma werktuigkundig ingenieur. In 1922 volgde zijn promotie met lof bij J.G.C. Volmer op een veeleer economisch dan technisch onderwerp: De doelmatigheid van de Amsterdamsche broodvoorziening (Delft, 1922). Goudriaans belangstelling voor economische en maatschappelijke vraagstukken was al in zijn studententijd aan het licht getreden. Op het Delftse studentenmilieu drukten rond de eeuwwisseling radicale sociale bewogenheid en maatschappelijk engagement een geheel eigen stempel. In 1904 was daaruit de oprichting voortgevloeid van de Sociaal-Technische Vereeniging van Democratische Ingenieurs en Architecten (STV), die zich tot doel stelde op socialistische wijze gestalte te geven aan het ingenieursberoep. Mede door zijn publicistische activiteit behoorde Goudriaan, die in 1912 tot de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was toegetreden, met andere socialisten als de latere minister J. W. Albarda, tot omstreeks 1920, in de bloeiperiode der vereniging, tot haar leidinggevende figuren. Zijn optreden bracht hem het lidmaatschap van de SDAP-commissie die in 1920 het rapport Het socialisatievraagstuk (Amsterdam, 1920) uitbracht. Voor het eerst was daarmee sprake van een socialistische oppositie die maatschappijhervorming door middel van constructieve maatregelen bepleitte. Het instrumentele denken van de STV-leden Is. P. de Vooys, Th. van der Waerden en Goudriaan had daarbij kennelijk de doorslag gegeven: socialisatie van het bedrijfsleven werd althans opgevat als een technisch vraagstuk, waarbij 'het welbewuste organiseeren van de produktie tot de hoogst-mogelijke doelmatigheid' zonder meer tot heil der mensheid werd verklaard. Met deze zienswijze oefende het rapport grote invloed uit. Het bleef in de daaropvolgende decennia richtinggevend voor het denken binnen SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV).

Goudriaans eigenzinnig karakter en onafhankelijk denkvermogen stonden intussen toch zijn ontwikkeling als man van de partij in de weg. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog week hij - volgens eigen zeggen na 'cartesiaanse twijfel' - af van de partijlijn door voor een sterke landsverdediging te kiezen. Hij trok er de persoonlijke consequentie uit door het vaandrigsexamen af te leggen. Toch duurde het nog tot 1939 eer Goudriaan als officier in de rang van majoor - zijn positie bij de Nederlandse Spoorwegen bracht dat mee - door de opperbevelhebber in eigen persoon werd beëdigd. Inmiddels had hij naar aanleiding van de houding der SDAP ten aanzien van de muiterij op de 'Zeven Provinciën' de partij in 1933 verlaten. Ook in ander opzicht had Goudriaan moeite met de partijlijn. Terwijl bijvoorbeeld de STV steeds aan arbei-derszijde stond behoorde Goudriaan tot een groep ingenieurs, met o.a. Ernst Hijmans, die de belangen van arbeid en kapitaal juist op één noemer wilde brengen. Wetenschappelijke bedrijfsleiding, rationalisatie van het produktieproces en doeltreffende organisatie leken daartoe het juiste middel. Reeds in zijn dissertatie stelde Goudriaan voor de term 'economische politiek' maar te vervangen door het begrip 'technische economie', waarmee hij zijn geloof beleed in de mogelijkheid maatschappelijke vraagstukken met behulp van een wetenschappelijk doordacht instrumentarium op te lossen. Dat maakt het begrijpelijk dat hij er niet de minste moeite mee had zijn functie van Inspecteur van de Arbeid - eerst te Amsterdam, later in Den Haag (1916- 1922)-te verruilen voor die van directeur van het Centraal Normalisatiebureau (1922-1924) om vervolgens de overstap naar het bedrijfsleven te maken. Eerst was hij hoofdingenieur bij de Maatschappij Feijenoord te Rotterdam (1924-1928). Zijn volle ontplooiing in het wetenschappelijke bedrijfsbeheer vond evenwel plaats bij de NV Philips Gloeilampenfabriek te Eindhoven, eerst als hoofd van de bedrijfsorganisatie, later als onderdirecteur (1928-1938). Samen met bedrijfseconomen als M.J. van der Ploeg, P. Bakker en J.G. Stridiron verrichtte hij baanbrekend werk op het gebied van de wetenschappelijke bedrijfsvoering, o.m. op het terrein van de bedrijfsadministratie en kostencalculatie. Ook als medeoprichter en bestuurslid van het Nederlands Instituut voor Efficiency (1925) fungeerde hij zo als grondlegger van de moderne bedrijfskunde, die in Nederland pas tijdens de jaren zestig tot ontplooiing kwam. Goudriaans wetenschappelijke kwaliteiten hadden in 1926 reeds erkenning gevonden door zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar in de bedrijfsleer aan de toenmalige Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam; in 1936 volgde een zelfde extraordinariaat in Delft.

Een en ander maakte geenszins een eind aan zijn politieke activiteiten. Zijn vertrek uit de SDAP liet hij volgen door zijn Socialisme zonder dogma's (Haarlem, 1933), waarin hij rekening en verantwoording over zijn politiek standpunt aflegde. Liefde tot de mensheid rekende hij tot zijn ideaal; hij achtte het bereikbaar door gebruik te maken van de kritische, wetenschappelijke redelijkheid. Deze houding bracht hem in de jaren dertig haast vanzelfsprekend in het front van de actieve crisis-bestrijding. De gevoerde aanpassingspolitiek was hem een gruwel, vooral omdat hij er niet aan twijfelde de oorzaak van alle ellende te kennen. Al in oktober 1931 publiceerde hij in het blad Economisch-Statistische Berichten een artikel in twee af leveringen waarin hij het verstoren van het prijsevenwicht op grondstoffenmarkten als de schuldige aanwees. Het was het begin van een ware kruistocht voor de hervorming van het internationale geldwezen. De oplossing van de malaise was immers heel eenvoudig: valorisatie van de grondstoffen en koppeling van de geldwaarde aan een 'representatief grondstoffenpakket' in plaats van aan het goud. Maar zijn publikaties en voorstellen daaromtrent maakten tot zijn verbitterde teleurstelling geen indruk. En nooit heeft deze 'onbesuisde economist' (Dullaart, 262) willen inzien dat verwezenlijking van zijn voorstellen in de gespannen verhoudingen van de jaren dertig de geldwaarde zou hebben uitgeleverd aan de troebele en wankele internationale politieke machtsverhoudingen van toen. Vanzelfsprekend behoorde Goudriaan tevens tot de groep economen die het deflatoire monetaire beleid van de regering-Colijn bestreed en op devaluatie van de gulden aandrong. In september 1934 trad deze groep in de openbaarheid met het oprichten van de Vereeniging voor Waardevast Geld. Aan de propagandistische arbeid van deze vereniging nam Goudriaan als bestuurslid actief deel. Ook tegen het opkomende nationaal-socialisme nam hij al vroeg met al zijn strijdbaarheid stelling. Reeds een maand na de bezetting van het Rijnland door Duitsland in 1936 publiceerde Goudriaan op 4 april in De Groene Amsterdammer een artikel onder de veelzeggende titel 'Te Wapen!' Hij trad toe tot de beweging 'Eenheid en Democratie', die in juni 1935 was opgericht als reactie op het succes van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) bij de Statenverkiezingen van dat jaar. De organisatie stelde zich het bevorderen van de democratische strijdvaardigheid tot doel en telde meer dan 30.000 leden. Goudriaan schreef hiervoor in 1937 de brochure De eenheid der Nederlandsche democratie [Utrecht, 1937], die vier drukken beleefde en waarin hij zich keerde tegen nationaal-socialisme en communisme. De brochure zou in vele tienduizenden exemplaren verspreid worden. In 1937 ook fungeerde hij na een intern conflict binnen de beweging tijdelijk als voorzitter tot hij als zodanig werd opgevolgd door W. Schermerhorn, die na de oorlog minister-president zou worden.

Goudriaans loopbaan in het bedrijfsleven scheen in 1938 zijn bekroning te vinden in zijn benoeming tot president van de Nederlandse Spoorwegen NV. Maar zijn als autoritair, eigengereid en wispelturig ervaren optreden riep binnen dit nog sterk door tradities beheerste bedrijf onlust en tegenstand op, te meer daar zijn benoeming reeds met argwaan was ontvangen. Een en ander drong blijkbaar niet of nauwelijks tot Goudriaan zelf door. Na de Duitse bezetting bereikten de spanningen een hoogtepunt. Hem werd verweten tijdens de meidagen van 1940 zijn gezin met de trein uit Hilversum naar Den Haag te hebben laten komen, terwijl evacuatie van gezinnen van spoorwegpersoneel niet was toegestaan. De oproep van de directie op 20 mei 1940 tot loyale samenwerking met de Duitse autoriteiten wekte voorts kwaad bloed. Bovendien verzette Goudriaan zich volgens zijn critici onvoldoende tegen tewerkstelling van spoorwegarbeiders in Duitsland en toonde hij ook in andere opzichten gebrek aan ruggegraat. Het nam niet weg dat hij door de Duitsers tot tweemaal toe als gijzelaar (7-10-1940-23-5-1941 te Buchenwald; 13-7-1942 - 25-10-1943 te Haaren en Gestel) werd vastgezet, terwijl hij in juli 1941 door hen als president van de spoorwegen werd ontslagen. Kort voor de bevrijding van Noord-Brabant bereikte Goudriaan op eigen initiatief deze provincie, waar hij weldra de leiding van het gekortwiekte spoorwegbedrijf, voor zover doenlijk, hernam. Het werd echter al snel duidelijk dat hij in deze voor de wederopbouw essentiële functie niet te handhaven was, gezien de door hem in kringen van het spoorwegpersoneel opgeroepen weerstanden. Op ministerieel verzoek nam hij vrijwel onmiddellijk na de bevrijding ontslag. Hoewel hij daarna nog optrad als regeringsadviseur, in de zuivering van blaam vrij werd bevonden en ook zijn beide professoraten kon hervatten, verliet hij Nederland in 1949 als een verongelijkt en teleurgesteld man. Aan de economische faculteit van de Universiteit van Pretoria aanvaardde hij de leerstoel voor de bedrijfseconomie. In Zuid-Afrika begon hij een nieuwe carrière, die hem o.a. commissariaten van verschillende maatschappijen bezorgde. Hij bracht het er voorts tot lid van de Electriciteitsraad (1954) en de Wetenschappelijke Navorsingsraad (1959). Zijn vroegere ideeën over de grondstoffenpolitiek kon hij kwijt als voorzitter van de Committee on International Commodity Trade van de Verenigde Naties (1953), maar zij vonden ook toen nauwelijks weerklank. In Nederland deed de manager-wetenschapsman nog eens van zich spreken met zijn publikatie Economie in zestien bladzijden..., waarmee hij wilde aantonen dat 'al wat er aan werkelijke exacte wetenschappelijke waarheid op economisch gebied bestaat' zich inderdaad in dit korte bestek liet samenvatten. Mogelijk. Maar het boek telde toch liefst 249 bladzijden! Toch bleek eens te meer dat Goudriaans belangstelling in wezen zich meer richtte op algemeen-economische dan bedrijfseconomische vraagstukken; de bedrijfseconomie gold hem slechts als middel ter verhoging van de welvaart, die op haar beurt vrijheid en vrede moest brengen. Het boeiendste hoofdstuk uit het boek draagt dan ook de veelzeggende titel 'De regulatie van de economische activiteit'. De doelmatige regulatie van de economische activiteit tot heil der mensheid was en bleef het thema dat deze man van kleine gestalte en haastige tred tot het eind van zijn dagen bleef boeien. Zijn laatste artikel, bestaande uit vier afleveringen, uit 1973 over de kwaal van de chronische inflatie in de Economisch-Statistische Berichten getuigt daarvan.

P: o.a. Prae-adviezen over de vraag: Is, voor het herstel van de voortbrenging en beperking van de werkeloosheid, verdere verlaging van de arbeidsloonen noodzakelijk ? ('s-Gravenhage, 1925). Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek; Bedrijfsleer als theoretische en als toegepaste wetenschap. Rede te Rotterdam, 23 April 1926 (Rotterdam, 1926); How to stop deflation... (Londen, 1932); Waardevast geld en de Nederlandsche gulden (Arnhem, 1934); De oorzaken der werkloosheid en de middelen ter bestrijding. Rede... te Delft 12 Februari 1936 (Haarlem, 1936); Waardevast geld. De eerste voorwaarde voor het behoud van welvaart, vrijheid en cultuur (Haarlem, 1937); De toekomst der Nederlandsche Spoorwegen (Rotterdam, [1939]); Die ontwikkeling van die bedryfsekonomie. Rede... [te] Pretoria op 24 Maart 1949 (Pretoria, 1949); Economie in zestien bladzijden of inleiding tot de analytische economie (Amsterdam, 1952); Vriend en vijand. Herinneringen aan de Nederlandse Spoorwegen 1938-1948 (Amsterdam, 1961).

L: Ch. Driessen, Uitspraken, handelwijze en karakter van prof.dr.ir. J. Goudriaan jr. [S.l., 1945]; A.J.C. Rüter, Rijden en staken. De Nederlandse spoorwegen in oorlogstijd ('s-Gravenhage, 1960); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969-. dl.) I, II en IV; R. Burgert, in Economisch-Statistische Berichten 59 (1974) 313; H. Lintsen, 'De Delftse Polytechnische School als bakermat van socialisme 1900- 1925', in Het Tweede Jaarboek voor het democratisch socialisme. Onder red. van Jan Bank, Martin Ros en Bart Tromp (Zwolle, 1980); N. Disco, H. Lintsen, 'De vervlechting van ingenieursberoep en industrie 1890 - 1925 ', in Tijdschrift voor sociale geschiedenis 9 (1983) 32 (november) 343 - 369; M.H.J. Dullaart, Regeling of vrijheid, Nederlands economisch denken tussen de wereldoorlogen ([S.l.: s.n.], 1984); W.A. Buddingh', 'Een idealist met passer en lineaal, Jan Goudriaan (1893-1974)', in Het zevende jaarboek voor het democratisch socialisme. Onder red. van M. Krop [et al.] (Amsterdam, [1986]) 104-131.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 547.

P.W. Klein


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013