Haeringen, Coenraad Bernardus van (1892-1983)

 
English | Nederlands

HAERINGEN, Coenraad Bernardus van (1892-1983)

Haeringen, Coenraad Bernardus van, taalkundig neerlandicus en hoogleraar (Werkendam 16-5-1892 - Utrecht 21-6-1983). Zoon van Jan van Haeringen, predikant, en Geziena Bernarda Schoenmakers. Gehuwd op 30-12-1920 met Annigje Nederlof. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (19-10-1951) gehuwd op 19-7-1967 met Maria Nizia 't Hart. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Haeringen, Coenraad Bernardus van

Van Haeringen was van huis uit gereformeerd; zijn eerste vrouw was christelijk gereformeerd. Beiden zijn, vooral onder invloed van de Haagse predikant J.J. Creutzberg, later toegetreden tot de Nederlandsche Hervormde Kerk. Hij is in Den Haag ouderling geweest, zoals later ook in Utrecht, toen bij de studentengemeente.

Hoewel Van Haeringen aanvankelijk plannen had gehad in de richting van medicijnen of chemie, heeft hij na zijn staatsexamen gymnasium-B in 1910 (1909 eindexamen HBS) de studie in de Nederlandse letteren te Leiden gekozen. Meer dan door de kenner van het Middelnederlands, J. Verdam, werd hij geboeid door C.C. Uhlenbeck, die zijn gehoor tot ver buiten het Indo-europees voerde (zonder overigens ooit Van Haeringen tot dit vak te kunnen overhalen), maar vooral beslissend beïnvloed door de slavist-baltist N. van Wijk. Nadat hij zijn doctoraal examen op 7-4-1916 behaald had, bezorgde Van Wijk hem, met het oog op verdere ontwikkeling tot germanist, een stipendium voor een tweejarig verblijf in Kopenhagen en Uppsala. Dat is voor Van Haeringen van zeer grote betekenis geweest. Vooral de heldere geest van Otto Jespersen, die ruim baan vroeg voor de controleerbare feiten van de levende talen, beïnvloedde hem wezenlijk. Ook werd hij getroffen door Jespersens oog voor doelmatigheid in de taal, al zag Van Haeringen hiervan duidelijk de betrekkelijkheid en verviel hij niet in de optimistische evolutietheorie van Jespersens Progress in language (Londen [etc.], 1894). Hij zou er later uitdrukkelijk op terugkomen in zijn artikelen 'De taalbeschouwing van Jespersen' (De Nieuwe Taalgids 16 (1922) 206-215), 'Rationalisering en efficiency in taal' (Gramarie..., 220-236) en '"Taaleconomische" tendenties in het Duits en het Nederlands', ibidem, 237-246. Ook in 'Eenheid en nuance in beschaafd-Nederlandse uitspraak' (Neerlandica, 9 - 30) sloot hij bij Jespersen aan. Duidelijk onderscheidde hij ondertussen (toelaatbare) provincialismen van (ongeoorloofde) Vulgarismen en formuleerde hij het standpunt dat het beste Nederlands degene spreekt wiens uitspraak ook van provincialismen vrij is, een formulering waarbij enige ruimte gelaten werd, die hij overigens voor zichzelf niet wenste te gebruiken. Zijn proefschrift onder leiding van prof. Uhlenbeck De germaansche inflexieverschijnselen (,,umlaut" en ,,breking") phoneties beschouwd (1918) kreeg het judicium cum laude en is gedeeltelijk een vrucht van dit verblijf in Kopenhagen.

Na gepromoveerd te zijn werd hij leraar bij het middelbaar onderwijs, maar reeds in 1921 docent aan een cursus ter opleiding voor de akte Nederlands MO te Utrecht, welke lessen hij later voortzette in Den Haag. Dit docentschap heeft er zeker toe bijgedragen dat zijn studie zich gaandeweg minder in de vergelijkend (indo-)germanistische richting bewoog en zich meer tot de neerlandistiek beperkte. Dat hij echter tot verdere vergelijking alleszins competent was, blijkt uit zijn Supplement bij het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal van Franck-Van Wijk (1936). Het supplement bracht nieuwe trefwoorden (waarbij voor bastaardwoorden een grote plaats werd ingeruimd) en opmerkingen en toevoegingen bij de bestaande. Nieuw was de sterke aandacht voor woordchronologische en woordgeografische zaken evenals voor betekenisontwikkeling; nieuw waren ook de literatuurverwijzingen. Minder aandacht werd aan het (indo-)germanistische deel besteed.

In 1945 werd Van Haeringen benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse taalkunde te Utrecht. In 1946 trad hij toe tot de redactie van De Nieuwe Taalgids. Van 1955 tot 1969 was hij secretaris van die redactie. Ook daarna ging hij door met het schrijven van artikelen, recensies, bladvullingen en bijdragen van de vaste rubrieken. Terwijl hij zijn studie begonnen was in een tijd waarin de historische taalwetenschap domineerde, vond hij op den duur toch geen bevrediging in de onzekere etymologische conclusies van vele indogermanisten. Zijn belangstelling werd getrokken door het hedendaags Nederlands. Dat heeft hij op vele terreinen beschreven: zijn algemene kenmerken - o. a. in 'Eenheid en nuance in beschaafd-Nederlandse uitspraak', 'Gedistingeerdheid in taal' (Gramarie. .., 24 - 37) en 'Beschaafde uitspraak' (zie P) -, de syntaxis en heel in het bijzonder de morfologie, hierin vooral de woordvorming. Hij heeft veel en juist geobserveerd en beschreven met een steeds aanwezige drang tot verklaren. En daarbij liepen naar zijn eigen woorden (Neerlandica, 187) het historische en het contemporaine in elkaar over. Steeds echter zocht hij naar vaste feiten en hield hij, volgens zijn eigen zeggen, zijn waarnemingen grotendeels binnen wat in een mensenleven te overzien en te controleren is (Neerlandica, 37). Vanuit zo'n terugblik bestudeerde hij de genusverandering bij stofnamen, zodat bijv. cement een de-woord werd, en de herverfransing, die i.p.v. medalje medaille herinvoerde ('Herverfransing', in Gramarie..., 247-279). Toch leverde hij ook in studies over de uitspraak van het Middelnederlands een belangrijke taalhistorische bijdrage (Gramarie..., 152-182). Met zijn diachronische kennis was hij ook bij uitstek geschikt om bezadigd over barbarismen te schrijven. Aansluiting bij een vreemde taal, zolang niet in strijd met de structuur van het Nederlands, vond hij geoorloofd: zo wees hij hun die woorden als dominicaner als germanismen beschouwden, op oude Nederlandse voorbeelden als kapucijner en sodemieter, en vroeg hij de aandacht voor ingeburgerde gallicismen tegenover de gallofobie. Hoewel hij soms ook tot de kennis van de dialecten, mede steunend op herinneringen van twaalf jaren in zijn prilste jeugd in Dedemsvaart, een wezenlijke bijdrage leverde, stond de standaardtaal toch in het centrum van zijn belangstelling.

Van Haeringen bezat een imposante kennis en een bezonken oordeel. Hij wilde bewust geen theoretische koploper zijn, maar hij zette zich ook niet af tegen vernieuwingen. Hij aanvaardde het structuralisme en had een gereserveerde belangstelling voor de generatieve grammatica. Hij was echter trots op het persoonlijke van zijn werk. Zijn vele artikelen, die als welhaast 'klassiek' gekarakteriseerd zijn en vaak het karakter van een overzicht hadden, munten uit door een veelheid van eigen observaties die hij aan het reeds gepubliceerde toevoegde, alles geschreven in voorbeeldig Nederlands.

Onder een onbewogen uiterlijk ging een warm en speels hart schuil, dat zich kon uiten in neomiddelnederlandse verzen en een licht kwajongensachtige humor en ironie. In zijn recensies was hij hoffelijk. Hij verbloemde niets van wat hem onjuist leek, maar bracht ook steeds de goede eigenschappen van de schrijver naar voren. Het is waar dat hij, zoals hij zelf zegt, zijn studenten niet in een bepaalde richting heeft willen drijven, maar hij heeft ze, misschien ook omdat hij vertrouwde paden bewandelde, ook minder kunnen bezielen. Hij klaagde dan ook dat hij meer belangstelling bij zijn MO-cursisten dan bij zijn studenten aan de universiteit ondervonden had (Gramarie..., 4-5).

Zijn werk genoot groot gezag in en buiten de kringen van vakgenoten. Zijn benoemingen tot (mede)voorzitter van diverse commissies inzake de schrijfwijze van de Nederlandse taal, in 1934, 1935, 1938, 1945 en 1947, getuigen daarvan. In laatstgenoemd jaar werd hij voorzitter van de Nederlandse delegatie naar een Nederlands-Belgische commissie, die de Woordenlijst van de Nederlandse Taal ('s-Gravenhage, 1954) tot stand bracht.

P: Behalve het in de tekst genoemde o.a.: Genus en geslacht (Amsterdam, 1954); Netherlandic language research 1e en 2e dr. (Leiden, 1954, 1960); Nederlands tussen Duits en Engels (Den Haag, [1956]), en veel artikelen, ten dele gebundeld in Neerlandica ('s-Gravenhage, 1949) en Gramarie. Keur uit het werk van zijn hoogleraarstijd (Assen, 1962; ongew. herdr. Utrecht, 1979) met een bibliografie t/m 1961.

Verder verschenen nog: 'Oude toponiemen', in De Nieuwe Taalgids 54 (1961) 89-95; 'Bij en om het prefix her-', ibidem, 55 (1962) 313-321; 'Het achtervoegsel -ing: mogelijkheden en beperkingen', ibidem, 64 (1971) 449-468; 'Komen en kommen', ibidem, 70 (1977) 424; 'Aanvaarde gallicismen', ibidem 71 (1978) 514-522; 'Beschaafde uitspraak', ibidem, 72 (1979) 553-563; '"Dichterlijke" d -deletie', ibidem, 74 (1981) 389-403.

L: In zijn afscheidsrede, getiteld 'Afsluiting', in Gramarie..., l - 10, geeft hij een wetenschappelijke autobiografie. Zie verder: 'Ten geleide', in Van-Haeringen nummer (Groningen, 1970); Red., 'In memoriam C.B. van Haeringen', in De Nieuwe Taalgids 76 (1983) 289; Ada Deprez, in Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde NR (1983) 512-514; W.P. Gerritsen, 'Een middelnederlands gedicht van C.B. van Haeringen', in Vooys. Instituutblad van het Instituut de Vooys 2 (1983) 1 (oktober) 24-29.

I: Prof.dr.C.B. van Haeringen, Gramarie. Keur uit het werk van zijn hoogleraarstijd (Assen 1962) afbeelding tegenover titelblad.

A.A. Weijnen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013