Hans, Doe (1882-1946)

 
English | Nederlands

HANS, Doe (1882-1946)

Hans, Doe, (parlementair) journalist (Hellevoetsluit 4-12-1882 - 's-Gravenhage 4-1-1946). Zoon van Bastejaan Hans, zeeloods, en Johanna Maria van den Berg. Gehuwd op 16-5-1907 met Johanna Hendrika van Hattem. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Hans, Doe

Hans groeide op als een echte Rotterdammer. Na de vroege dood van zijn vader in 1889 verhuisde de familie van Maassluis naar Rotterdam, en daar moest zijn moeder op haar eentje voor een groot gezin zorgen. Hans, door haar opvoeding sterk religieus georiënteerd gebleven, behield een grote bewondering voor wat zijn moeder had gepresteerd. De jeugdervaring bracht hem tot de overtuiging dat de taak van de vrouw bovenal in het gezin ligt, en zijn eigen vrouw sterkte hem daarin.

Aanvankelijk leek het erop dat Hans onderwijzer zou worden, maar door zijn belangstelling voor de sport kwam hij, na zijn opleiding aan de Rotterdamse Vormschool voor Onderwijzers en daarop volgende jaren voor de klas als kwekeling, in de journalistiek terecht. Op 11 september 1903 schreef hij zijn eerste bijdrage voor Het Sportblad over de Zilveren-Voetbalwedstrijden. Van 1904 tot 1905 was hij hoofdredacteur van dit blad. Van 1905 tot 1918 had hij dezelfde functie bij De Rotterdamsche Sport, waarvan de naam werd veranderd in De Sport. In dit destijds populaire blad schreef hij vervolgens tot 1921 als medewerker de vaak geestige en humoristische, maar dikwijls ook zeer scherpe 'Bescheiden Opmerkingen' van 'Interviewer' en de leesbare sonnetten van 'Elly'. Eenmaal in de parlementaire journalistiek werkzaam bleef hij de voetbalsport nog lange tijd kritisch volgen. Zo wijdde hij in de Sportkroniek, sinds 1919 het officiële orgaan van de Nederlandsche Voetbal-Bond (NVB) - later KNVB -, een serie artikelen aan Sparta, de Rotterdamse voetbalvereniging die hem met het erelidmaatschap vereerde. In 1929 kreeg Hans van de NVB de eervolle opdracht een boek ter gelegenheid van het veertigjarig jubileum samen te stellen.

Toch zou hij niet als sportjournalist de grootste bekendheid krijgen. Op 1 augustus 1904 had het Amsterdamse dagblad De Telegraaf Hans tot redacteur-verslaggever benoemd, en zo kwam hij van 17 september 1905 af voor deze krant op de perstribune van de beide kamers van de Staten-Generaal terecht. Behalve de verslagen en overzichten uit de Kamers schreef Hans bovendien dikwijls hoofdartikelen, feuilletons en parlementaire schetsen voor De Telegraaf. Ook droeg hij als 'tooneelreferent' het zijne bij aan de toneelrubriek. Vanaf september 1907 was hij weer één jaar redacteur-verslaggever voor De Telegraaf in Amsterdam om daarna naar Den Haag terug te keren. Toen hij in 1922 als parlementair verslaggever van De Telegraaf, na zakelijke meningsverschillen met de directie, die ook niet gelukkig was met zijn voorzitterschap van de journalistenvereniging, terugtrad, was hij naar dienstjaren de oudste van de parlementaire journalisten. Daarna was hij hoofdredacteur van verschillende tijdschriften, onder meer van Hollands Jeugd (1923) en De Olympiade (1924-1926), een omvangrijk weekblad van het bestuur van het Comité Olympische Spelen 1928 ter ondersteuning van een actie om een miljoen gulden voor de Spelen bij elkaar te brengen. Hans redigeerde ook het geïllustreerde weekblad Week-End (1923 - 1925) en het Weekblad De Middenstandsbond (1918-1930). Bovendien was hij van 1914 tot 1928 medewerker van het dagblad De Locomotief (Semarang, Ned.-Indië), verder van De Vrijheid, een orgaan van de Vrijheidsbond, De Dameskroniek en een aantal lokale kranten waarvoor hij als parlementair overzichtschrijver opnieuw - na een onderbreking in het zittingsjaar 1922/1923 - op de perstribune kwam.

Reeds in 1910 was hij lid geworden van de redactiecommissie van Mededeelingen van den Nederlandschen Journalisten-Kring, met ingang van 2 oktober 1919 De Journalist. Orgaan van den Nederlandschen Journalisten-Kring geheten . In 1911 kwam Hans in het bestuur van de Nederlandsche Journalisten-Kring (NJK), in 1917 werd hij tot vice-voorzitter en in 1920 tot voorzitter gekozen. Hij vertegenwoordigde in de vereniging de stroming die aandacht vroeg voor de vakbelangen, de 'economische' richting van C.K. Elout van het Algemeen Handelsblad. Hans heeft dan ook grote moed getoond bij het verwezenlijken van betere arbeidsvoorwaarden, pensioen- en vakantieregelingen en emancipatorische strevingen van journalisten, zowel ten opzichte van de directie als in maatschappelijk opzicht. Tegelijkertijd gaf hij de NJK geen eenzijdig vakbondskarakter door ook aandacht te schenken aan de aspecten van gezelligheidsvereniging en standsorganisatie. Dit leidde tot een stijging van het aantal leden: toen de op 1 februari 1924 het veertigjarig bestaan vierde, waren er vijfhonderd NJK'ers, onder wie ook vele katholieken, hetgeen de ironisch ingestelde Hans zeer belangrijk vond. Op 4 april 1936 schonk de Kring uitgebreid aandacht aan het feit dat Hans vijfentwintig jaar bestuurslid was. Op 20 maart 1937 legde Hans, die zich op medisch advies in zijn activiteiten moest beperken, het voorzitterschap van de NJK en het redacteurschap van De Journalist echter neer. Zijn inzet voor de geestelijke en materiële belangen van journalisten werd beloond met het erelidmaatschap van de NJK. Het aanzien van het beroep van journalist, alsmede dat van de journalistiek, was onder het voorzitterschap van Hans opmerkelijk gestegen, hetgeen onder meer bleek uit een in opdracht van koningin Wilhelmina door haar particulier secretaris aan het bestuur van de NJK geschreven brief van 16 maart 1937 (zie De Maasbode, 21-3-1937). Ook voor de ontwikkeling van de perswetenschap waren de vooroorlogse werkzaamheden van Hans van groot belang. Zeer veel publiceerde hij over talrijke aspecten van problemen bij de dagbladpers en de journalistiek.

Inmiddels was Hans in 1930 benoemd tot hoofdredacteur, tevens parlementair overzichtschrijver, van De Avondpost, dagblad voor stad en land, zoals de ondertitel luidde. Toen dit in 's-Gravenhage uitgegeven dagblad op 14 mei 1940 voor het laatst in de oude vorm verscheen was Hans al door de directie van het Sijthoff-concern, dat De Avondpost uitgaf, ontslagen omdat hij te Oranjegezind was. Voor hem begonnen vijf moeilijke oorlogsjaren, waarin hij voornamelijk van zijn publikaties moest leven. Kort na de Duitse bezetting was Hans nog door de NJK verzocht zitting te nemen in een Commissie van Advies en een Commissie voor het Orgaan (De Journalist), maar dat had hij om - vaag aangeduide - redenen van algemene en particuliere aard afgewezen. De daarop volgende reorganisaties van het perswezen onder Duitse druk behoefde Hans, die een fel tegenstander van het nationaal-socialisme was, daardoor niet meer mee te maken.

Na de Tweede Wereldoorlog maakte Hans, ondanks zijn leeftijd, een come-back in de journalistiek. Op 1 augustus 1945 werd hij waarnemend en op 15 augustus 1945 hoofdredacteur van het Haagse dagblad De Telex. Tot aan zijn overlijden zou Hans voorzitter van de Nederlandsche Protestanten-Bond, afdeeling 's-Gravenhage, blijven. Bij zijn dood besefte men in journalistenkringen het grote verlies. Bij een groter publiek had Hans vooral vóór de oorlog bekendheid gekregen door diverse voordrachten die hij hield, ook voor de radio, waarvoor hij bovendien de reportages bij de opening van de Staten-Generaal had verzorgd. Aan eerbetoon tijdens zijn leven heeft het de onbaatzuchtige, liberaal denkende en bescheiden Hans niet ontbroken: binnen journalisten kring bij jubilea en afscheid, in het land en daarbuiten door hoge onderscheidingen. Ondanks de moeilijke bezettingsperiode, waarin hij geestelijk en lichamelijk zwaar heeft geleden, bleef hij publicistisch actief op staatkundig, godsdienstig, cultureel en sportgebied.

A: Onvolledig archief-Hans onder berusting van de zoon, D. Hans, woonachtig te 's-Gravenhage.

P: Behalve talloze artikelen in Mededeelingen van den Nederlandschen Journalisten-Kring (1910- 1919) en De Journalist (1910- 1940): Het Nederlandsche parlement (Amsterdam, [1911]); De Nederlandsche Journalisten-Kring. Schets van Zijn geschiedenis (1884-1919) ([S.l.], 1919); Parlements-film. Figuren en momenten uit de Nederlandsche Volksvertegenwoordiging (Scheveningen, [1924]); 'Journalist-worden', in Haagsch Maandblad (1925) I, 296-305; Annie van der Lügt Melsert - van Ees (Rotterdam, 1926); Prinses Juliana ('s-Gravenhage, 1927); Economische toestanden en vooruitzichten in de Nederlandsche journalistiek ([Amsterdam], 1927); 'Journalistik in den Niederlanden', in Holland für und von Journalisten. Den ausländischen Kollegen anlässlich der Olympischen Spiele 1928 vom Amsterdamerpresse Verein angeboten [S.l., s.a.] 62-66; aanwezig in de bibliotheek van Het Persinstituut te Amsterdam; De knalclub van 3A (Rotterdam, [ca. 1930]); Thorbecke ('s-Gravenhage, 1932); Journalistiek (Leiden, [1932]); Zonnebloem. Nieuwe lotgevallen van de knalclub van 3A (Rotterdam, [ca. 1932]); Holland's bruidspaar (Leiden, 1936); Parade der politieke partijen. Korte schets van het partij-wezen in Nederland (Putten, [1937]); Het verschooningsrecht van den Journalist. Verslag van de commissie, ingesteld door het bestuur van den Nederlandschen Journalistenkring ([S. l., 1939]); Ons vaderland (Wageningen, [1941]).

L: Behalve gelegenheids- en overlijdensartikelen in knipselarchief van het Nederlands Persmuseum te Amsterdam alsmede in persoonlijke verzameling van Joan Hemels te Malden: H.G. Cannegieter, 'Karakterschets van D. Hans', in Morks Magazijn (1925) 169-179; J.J. van Bolhuis, 'D. Hans, 1882 - 1946', in Bekende Rotterdammers door hun stadgenoten beschreven. [Onder red. en met inl. van Ch.A. Cocheret en W.F. Lichtenauer] (Rotterdam, 1951) 131-133; J. Hemels, De journalistieke eierdans. Over vakopleiding en massacommunicatie (Assen, 1972); idem, De krant in bedrijf. 75 jaar samenwerking en samenleving (Baarn, 1983).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 603.

J.M.H.J. Hemels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013