Heeckeren tot Kell, Willem baron van (1815-1914)

 
English | Nederlands

HEECKEREN TOT KELL, Willem baron van (1815-1914)

Heeckeren tot Kell, Willem baron van (ook bekend onder de naam Van Heeckeren van Kell), directeur Kabinet des Konings en minister van Buitenlandse Zaken (Ruurlo 1-7-1815 - Ruurlo 10-2-1914). Zoon van Willem Hendrik Alexander Carel baron Van Heeckeren, heer van Ruurlo en Keil, lid van de Tweede Kamer, gouverneur van Gelderland, en jkvr. Geertruid Sara Agatha van Pabst, vrouwe van Bingerden. Gehuwd op 19-10-1843 met Sophia Johanna Justina barones Taets van Amerongen. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon die jong overleed, 2 zoons en 3 dochters geboren. Na haar overlijden (25-4-1861) gehuwd op 3-12-1868 met Albertina Maria gravin Van Limburg Stirum. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren, van wie 1 jong overleed. afbeelding van Heeckeren tot Kell, Willem baron van

Willem stamde uit een oud adellijk geslacht van Gelderse protestantse grootgrondbezitters/ regenten in Zutphen en de Graafschap, welk geslacht in 1819 bij Koninklijk Besluit de vanouds gedragen titel van baron erkend kreeg. Na privé-onderricht ontvangen te hebben werd hij op 22 februari 1834 tot de Universiteit van Utrecht toegelaten als student rechten, waar hij op 22 juni 1839 cum laude bij prof. J.R. de Brueys promoveerde op de rechtshistorische dissertatie De jure, quo Gelriae Trajecti et Transisalaniae regiones, postquam a° 1672 ab hoste fuerant occupatae, in antiquum foedus recipi debuissent (Utrecht, 1839). Op 30 augustus van hetzelfde jaar werd hij door de gouverneur van Gelderland - zijn vader - benoemd tot adjunct-commies der tweede klasse bij het provinciaal bestuur, teneinde zijn toen 65-jarige vader op inspectietochten in de provincie en tijdens vergaderingen te assisteren. Hij behield deze functie tot eind juni 1843. In deze periode kon hij veel tijd besteden aan reizen naar bijv. Parijs en Londen en aan het vervaardigen van daguerreotypen, een toen exclusieve hobby. Daarnaast trad hij vanaf januari 1840 op als advocaat bij het provinciaal gerechtshof te Arnhem en werd hij in 1843 voor de ridderschap lid van de Provinciale Staten tot 1849.

Na zijn huwelijk in oktober 1843 vestigde hij zich in huize Bingerden in de gemeente Angerlo, waar hij reeds in 1842 dijkgraaf (van het polderdistrict Baarbroeksche Dijk en Angerlosche Zomerdijken) geworden was, in 1844 gemeenteraadslid werd en in 1845 burgemeester (jaarsalaris 325,-), welke laatste functie hij in 1849 bovendien combineerde met het gemeentesecretariaat ter plaatse. In 1845 werd hij benoemd tot lid van de Militieraad te Arnhem en in 1848 tot voorzitter ervan. In 1856 werd hij wederom in de Provinciale Staten gekozen. Hij legde in 1860 zijn burgemeestersambt neer in verband met zijn benoeming tot lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland; aandachtsvelden waren statistiek en weg- en waterbouw. In het bijzonder ijverde hij voor de aanleg van spoorwegen in Gelderland. Na zijn benoeming tot directeur van het Kabinets des Konings (februari 1868) verliet hij het provinciaal bestuur en vertrok hij naar Den Haag. Deze benoeming (jaarwedde 5.000,-) had hij mede te danken aan zijn goede contacten met koning Willem III, met wie hij vaak op jacht ging.

In december 1868 hertrouwde Van Heeckeren, en wel met een twintig jaar jongere vrouw, dochter van de commissaris des Konings in Gelderland, L.G.A. graaf Van Limburg Stirum (1802- 1884), die hem aanbevolen had voor de functie in 's Konings Kabinet. Zijn voorganger als directeur, jhr. F.L.W. de Koek (1818-1881), had moeten heengaan omdat hij klem kwam te zitten tussen de Koning en zijn ministers, machten die nogal eens botsten, waarbij De Koek bovendien naar het oordeel van nu eens Willem III, dan weer de ministers te eigengereid zou zijn opgetreden. Ook Van Heeckeren kwam in een niet gemakkelijke positie, hoewel de onberekenbare en onbeheerste koning veelal uiteindelijk zwichtte voor de goede raad van tactvol volhardende adviseurs. Net als zijn voorgangers in dit ambt - A.G.A. ridder Van Rappard (1799-1869) en De Koek - , was hij een directeur die niet alleen adviseur en administrateur was, maar directe politieke invloed uitoefende en zelfs maatregelen nam of naliet tegen 's Konings bevelen in. In 1872 bijv. liet de Koning zich leiden door het - gezien de liberale kamermeerderheid begrijpelijke - advies van zijn directeur de conservatief J. Heemskerk Azn. (1818-1897) niet tot minister te benoemen. In 1874 bij het keren van het politieke getij was ook naar mening van Van Heeckeren de weg vrij voor een ministerschap van Heemskerk, op wie de Koning zeer gesteld was. Intussen hadden problemen tussen Van Heeckeren en Willem III in september 1873 geleid tot een ontslagverzoek van de directeur, dat echter niet ingewilligd werd. Wellicht lag hieraan het verlangen van kroonprins Willem in het huwelijk te treden met Anna Mathilde gravin Van Limburg Stirum (1854- 1932) ten grondslag. De Koning weigerde halsstarrig voor dit huwelijk toestemming te geven. Deze zaak zou zich tot de dood van de kroonprins in Parijs op 11 juni 1879 voortslepen en lag voor Van Heeckeren ook persoonlijk moeilijk, omdat zijn vrouw en Anna Mathilde verwant waren. Niettemin werd hij herhaaldelijk in deze aangelegenheid voor advies en overleg ingeschakeld tot het bittere einde toe.

Een tweede en derde ontslagaanvrage volgden in augustus en september 1877, toen de Koning onmiddellijk na de dood van zijn echtgenote, koningin Sophie, in het huwelijk wilde treden met de Franse operazangeres Eleonore d'Ambre, die van Willem III - buiten de ministers om - de titel comtesse d'Ambroise ontving en bovendien in het paleis de vertrekken van de zojuist overleden Sophie ten gebruike kreeg aangeboden. De ministers stelden zich collectief achter Van Heeckerens bezwaren tegen Willems optreden en voornemens. De Koning zwichtte en Van Heeckeren bleef directeur. Niet voor lang, want in oktober 1877 werd hij door I.D. Fransen van de Putte (1822-1902) en J. Kappeyne van de Coppello (1822-1895) overgehaald minister van Buitenlandse Zaken te worden in het op 3 november aantredende liberale kabinet-Kappeyne. Deze ministerspost (jaarwedde 12.000,-) kon alleen door gefortuneerden vervuld worden gezien de kostbare representatieve verplichtingen, die de jaarwedde te boven gingen. De Koning stemde in met deze functieverandering en verleende hem bij KB van 11 november 1877 ontslag als directeur. Opmerkelijk is dat dit ontslag ruim een week na zijn benoeming tot minister tot stand kwam. Aanvankelijk is er sprake van geweest hem beide functies tegelijk te laten vervullen. Dit was nl. reeds lang een wens van de liberalen om zodoende het directeurschap onder politieke controle te brengen. Willem III weigerde echter aan deze opzet medewerking te verlenen.

Tijdens zijn ministerschap lijkt zijn belangrijkste prestatie geweest te zijn - en wellicht lag dit ook in de bedoeling van de formateurs - de continuering van zijn adviseursrol ten opzichte van de Koning inzake familiale aangelegenheden. Ook Van Heeckeren heeft echter de impasse niet kunnen doorbreken in de verhouding van de Koning tot de kroonprins, die weigerde uit Frankrijk terug te keren zolang zijn vader geen toestemming gaf voor zijn voorgenomen huwelijk met Mattie van Limburg Stirum. Andere kwesties van het Oranjehuis vergden eveneens veel aandacht: het huwelijk van prins Hendrik, broer van Willem III, in augustus 1878, en dat van Willem III met Emma van Waldeck-Pyrmont in januari 1879, terwijl in dat zelfde jaar het overlijden zowel van prins Hendrik als van kroonprins Willem de erfelijke opvolging in gevaar bracht. Van Heeckerens beleid als minister van Buitenlandse Zaken bestond verder - geheel in de lijn van de liberale politiek van afzijdigheid - uit niet veel meer dan het passen op de winkel. Lopende zaken werden afgehandeld, conflicten gesust of omzeild, geen nieuwe zaken geëntameerd, noch nieuwe visies ontwikkeld. Zeer tegen de zin van de 'kerkelijke partijen' in bracht het kabinet een onderwijswet tot stand, die hogere kwaliteit van het lager onderwijs beoogde, met alle kostenverhoging van dien. Deze liberale wet was geïnspireerd door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, waarvan ook Van Heeckeren lid was.

In mei 1879 ontstond een kabinetscrisis, nadat minister J.P.R. Tak van Poortvliet (1839-1904) ontslag had aangeboden na de verwerping van artikel 1 van zijn ontwerp-kanalenwet in de Kamer. De leider van het ministerie - Kappeyne, volgde hem in dezen. Vier ministers, onder wie Van Heeckeren, adviseerden de Koning dringend Tak en Kappeyne geen ontslag te verlenen en in te stemmen met Kappeynes voorwaarde voor continuering van zijn ministerschap. Die verlangde namelijk een grondwetsherziening te mogen voorbereiden. De Koning weigerde echter deze adviezen op te volgen. Hierop boden alle ministers op 11 juli hun ontslag aan en verkregen dit. Het onverwachte einde van dit kabinet, dat op een ruime kamermeerderheid steunde, schokte vooral de liberalen zelf en bracht langdurige verdeeldheid in hun gelederen teweeg.

Van Heeckeren keerde terug naar zijn Gelderse landgoederen. In de verkiezingsstrijd van einde 1881 echter weerde hij zich als Kappeyniaans kandidaat tegen de volgelingen van J.G. Gleichman (1834-1906), de twee polen in de liberale broederstrijd, die overigens meer op persoonlijke tegenstellingen dan op ideologische verschillen berustte. Van Heeckeren veroverde in het district Zutphen een zetel in de Tweede Kamer, waar hij van januari 1882 tot november 1884 zitting had. Hier hield hij zich vooral bezig met provinciale en waterstaatkundige kwesties en met de begroting van Buitenlandse Zaken. In mei 1883 probeerden Gelderse liberalen, ook gesteund door Van Heeckeren, de verdeeldheid onder hun partijgenoten in den lande te overwinnen door alle liberale kopstukken, kamerleden, journalisten enz. voor beraad bijeen te roepen in Arnhem, maar door gebrek aan medewerking ging het plan niet door. In en buiten de Kamer bleven echter de Kappeynianen, waartoe Van Heeckeren gerekend kon worden, in de minderheid, ook toen Tak van Poortvliet de leiding van Kappeyne had overgenomen en de groep met de naam van Takkeanen werd gesierd. In 1884 verloor Van Heeckeren dan ook zijn zetel. Een nog lang durend leven bracht voor Van Heeckeren een meer teruggetrokken bestaan. Wel bleef hij van 1883 tot 1910 buitencommissaris van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij en besteedde hij nog dertig jaar lang aandacht en zorg aan zijn landgoederen Bingerden en Ruurlo. Als kamerheer i.b.d. diende deze Gelderse edelman na de koningen Willem I, II en III nog koningin Wilhelmina. Geboren een tiental dagen na de slag bij Waterloo, stierf hij enkele maanden voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

A: Papieren van W. baron Van Heeckeren tot Keil bevinden zich in de collectie Huisarchief Ruurlo in het Rijksarchief in Gelderland te Arnhem.

L: C.W. de Vries, Overgrootvader koning Willem III (Amsterdam, 1951) 123-126, 225-247, 269-270; E. van Raalte, Staatshoofd en ministers (Zwolle, 1971) 129-159; M.W. Jurriaanse, 'Mr. Willem baron van Heeckeren van Keil', in De Nederlandse ministers van buitenlandse zaken 1813-1900 (Den Haag, 1974) 273-288; J. Coppens, 'De daguerreotypen van Willem baron van Heeckeren c. 1840 - c. 1860', in Bijdragen en Mededelingen Gelre 69 (1976/1977) 217-234; J. Doorn, Nederland, Oranje en de doofpot: raadsels rond Oranje in de 19e eeuw (Zaltbommel, 1979) 272-286; G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland 1872 - 1901 (Den Haag, 1980); Maar Majesteit! Koning Willem en zijn tijd. De geheime dagboeken van minister A.W.P. Weitzel. Bew. en ingel. door P. van 't Veer.5e dr. (Amsterdam, 1980) 40-85; R.W.A.M. Cleverens, Het Huis Twickel en zijn bewoners (Oldenzaal [etc.], 1981); J.P. Duyverman, Uit de geheime dagboeken van Aeneas Mackay (Houten, 1987); R.W.A.M. Cleverens, Het geslacht Van Heeckeren... (Middelburg, 1988).

I: M.W. Jurriaanse, De Nederlandse Ministers van Buitenlandse Zaken 1813-1900 ('s-Gravenhage 1974) 272.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013