Heemstra, Schelto baron van (1879-1960)

 
English | Nederlands

HEEMSTRA, Schelto baron van (1879-1960)

Heemstra, Schelto baron van, commissaris der Koningin (Hillegom 5-12-1879 - Arnhem 26-3-1960). Zoon van Schelto baron Van Heemstra, burgemeester en Tweede-Kamerlid, en Catharina Elisabet Louise barones Sloet tot Zwanenburg. Gehuwd op 21-12-1911 met Mathilde Jacoba van Oosterzee. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Heemstra, Schelto baron van

Van Heemstra, wiens vader als volgeling van Abraham Kuyper in politiek en kerkelijk opzicht een vooraanstaande plaats innam binnen het anti-revolutionaire milieu, bezocht het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam en studeerde vervolgens rechten aan de Vrije Universiteit. Zijn juridische vorming sloot hij af op 14 februari 1906 met een promotie op stellingen aan de Universiteit van Amsterdam.

Aanvankelijk maakte hij carrière in het Nederlands-Indische bedrijfsleven. Te Batavia en Singapore was hij in verschillende functies werkzaam bij de snel groeiende Koninklijke Paketvaart-Maatschappij (KPM). In 1918 verliet hij de KPM om firmant te worden van het gerenommeerde handelshuis en administratiekantoor Tiedeman & Van Kerchem. Vooral deze nieuwe werkkring bracht de zakelijke inslag die Van Heemstra altijd zou blijven kenmerken, tot volle ontplooiing. Nevenfuncties bekleedde hij onder meer als lid van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Batavia en als commissaris van de Javasche Bank. Bestuurlijk zeer actief was hij voorts binnen de Bataviase gereformeerde gemeenschap.

Van Heemstra repatrieerde begin 1924, en verbleef enige tijd in Zwitserland, alvorens hij het verzoek ontving, S. van Citters op te volgen als commissaris der Koningin in Gelderland. Dit verzoek wekte enige verwondering, aangezien Van Heemstra - afgezien van een kortstondig lidmaatschap van de Bataviase gemeenteraad (1919-1920) - geen politiek-bestuurlijke ervaring bezat. Zijn benoeming, met ingang van 16 april 1925, kan dan ook goeddeels worden toegeschreven aan erkenning van zijn zakelijke capaciteiten. Er lagen voorts partijpolitieke overwegingen aan ten grondslag: de antirevolutionairen dreigden met Van Citters hun enige commissaris te verliezen en diens mogelijke opvolging door een katholiek had in protestants Gelderland onrust veroorzaakt.

Van Heemstra verklaarde bij de aanvaarding van zijn ambt, in het voetspoor van zijn voorganger te willen treden, hetgeen hij, na een korte in-werkperiode, in een aantal opzichten ook deed: evenals Van Citters toonde hij belangstelling voor de provinciale waterstaat en wist hij als president-commissaris van de Provinciale Geldersche Electriciteitsmaatschappij (PGEM) (1925-1945) veel voor dit bedrijf te doen. Het was mede aan zijn inspanning te danken dat in 1935 het Instituut voor Keuring van Electrotechnische Materialen Arnhem (KEMA), ondanks plannen van de regering tot overplaatsing naar Delft, voor Arnhem behouden bleef en daar vervolgens een snelle groei doormaakte; van 1937 tot 1952 was hij, met een korte onderbreking, voorzitter van de raad van commissarissen van de KEMA. Bijzondere aandacht had hij verder voor de landbouw en voor het maatschappelijk werk.

Gedurende de bezettingsjaren bleef Van Heemstra in functie. Hij nam geen ontslag, ook niet toen na de invoering van het zogenaamde 'leidersbeginsel' in het binnenlands bestuur de pressie om af te treden vanuit het Politiek Convent en vanuit de illegale pers sterk toenam. Hij trok zich van het nieuwe beginsel eenvoudig weinig aan en liet zijn 'bestuursraden' (de gedeputeerden, die ook allen waren aangebleven) normaal hun stem uitbrengen.

Ervan overtuigd dat de eenmaal aangenomen bestuurlijke verantwoordelijkheid tegenover de bevolking juist in de oorlogsjaren gebood dat men als 'goede' Nederlander zijn post moest zien te behouden, trachtte hij het bestuurlijk apparaat in Gelderland zo 'zuiver' mogelijk te houden en een overneming van het lokaal bestuur door de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) zoveel mogelijk te verhinderen. Zijn eigen aanblijven werd overigens vergemakkelijkt door de vaak clemente houding van de sterk anti-NSB gezinde Beauftragte van Seyss-Inquart voor Gelderland, E. Schneider. Tegenover de bezetter bewaarde hij een uiterst gereserveerde houding.

Eerst na de slag om Arnhem, waarin ook zijn ambtswoning het moest ontgelden, dook Van Heemstra onder. Hij werd op 19 september 1944 in het nog bezette gebied vervangen door de NSB'er H. Hondius, terwijl in het bevrijde Nijmegen de gedeputeerde E.H.J. baron Van Voorst tot Voorst werd benoemd tot waarnemend commissaris der Koningin met ingang van 17 oktober.

Vanuit de illegaliteit was steeds kritiek geuit op zijn aanblijven, en die kritiek werd feller naarmate de bevrijding naderde. Dit maakte zijn aanblijven na de bevrijding te meer kwestieus aangezien hij als commissaris een belangrijke rol zou moeten spelen bij de ambtelijke zuivering. Op advies van het College van Vertrouwensmannen werd hij mede om die reden in februari 1945 'gestaakt' in de uitoefening van zijn functie. Onderzoek van zijn beleid door een speciale commissie leidde er evenwel toe dat hij in juli 1945 zijn functie kon hervatten - tot hem op eigen verzoek wegens het bereiken van de (nieuwe) pensioengerechtigde leeftijd per 1 januari 1946 eervol ontslag werd verleend. Zijn zuiveringsbeleid bracht hem in die laatste maanden in conflict met de oud-illegaliteit, althans voor zover deze een zuivering voorstond volgens radicale normen die, vanzelfsprekend, de zijne niet waren.

In 1948 werd Van Heemstra voorzitter van de Nederlandse Heidemaatschappij, waarvan hij al langer bestuurslid was; tot 1957 bleef hij in die functie betrokken bij cultuurtechniek en bosexploitatie. Dit werkterrein lag in het verlengde van wat hem wel het meest aan het hart lag: het (Gelders) natuurbeheer. In 1929 had hij samen met P.G. van Tienhoven de stoot gegeven tot oprichting van Het Geldersen Landschap. Later, in april 1940, kwam op zijn initiatief ook de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen tot stand. Beide stichtingen, waarvan hij lange tijd de dagelijkse leiding had - zij waren gedurende jaren ook te zijnen huize gevestigd -, wist hij door zijn 'koopmanstalent' en bestuurlijk vermogen tot grote bloei te brengen. Zijn aandacht gold daarbij wellicht in eerste instantie het landschap, waarin hij historische gebouwen eerder als ornament dan als zelfstandige eenheid waardeerde. Ook in andere instellingen op het terrein van natuurbeheer en monumentenzorg participeerde Van Heemstra als bestuurder. In verband met zijn zeer actieve inzet op kerkelijk terrein zij ten slotte nog gewezen op zijn bestuurslidmaatschap van de Vereniging tot Christelijke verzorging van Geestes- en Zenuwzieken en van haar ziekenhuis te Wolfheze (1951 -1959).

Van Heemstra wist in zijn drukke leven veel te bereiken dank zij zijn zakelijk talent en zijn sterke, vertrouwenwekkende persoonlijkheid, die hem een zeker overwicht verschafte. Als bestuurder was hij eer een man van grote lijnen dan een detaillist; groot vertrouwen stelde hij in het particulier initiatief. Hoewel hem tijdens de bezetting en daarna door delen van de illegaliteit beginselloosheid werd verweten, prezen zijn medewerkers en geestverwanten in deze zeer godsdienstige man juist zijn beginselvastheid en moed, waardoor hij, geholpen ook door zijn relativeringsvermogen en zijn droge humor, althans voor hen een betrouwbaar en bemoedigend adviseur kon zijn.

Een belangwekkende plaats in de Gelderse geschiedenis neemt Van Heemstra zeker in. Van blijvende betekenis voor de provincie zijn wel vooral zijn bemoeienissen op het gebied van de (natuur)-monumentenzorg geweest.

P: 'De peripherie van 'Natuurmonumenten', in Vijftig jaar natuurbescherming in Nederland. Gedenkboek uitgegeven bij het Gouden Jubileum van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland (Amsterdam, 1956) 81-85.

L: H.W. Sandberg, Witboek over de geschiedenis van het georganiseerd verzet voor en na de bevrijding (Amsterdam, 1950); C.A. Weersma-van Duin, 'Mr. S. baron van Heemstra. Commissaris der Koningin in de provincie Gelderland, 1925 -1945', in Gelders Jaarboek 1 (1951) 65-66; C.G.C. Quarles van Ufford, in De drie kwartieren. Tijdschrift voor Gelderland (1960) I, 3-5; idem, in Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij (1960) 106-108; D.J.G. Buurman, 25 Jaren Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen 1940-1965 (Arnhem, 1965); J.J.G. Boot, Burgemeester in bezettingstijd (Apeldoorn, [1967]); Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954). Uitg. door Joh. de Vries (Groningen, 1970) II, 899; D.Th. Kuiper, De voormannen. Een sociaal-wetenschappelijke studie over ideologie, konflikt en kerngroepvorming binnen de gereformeerde wereld in Nederland tussen 1820 en 1930 (Kampen, 1972). Proefschrift VU; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1974 en 1982) V, 256; Xb, 1039, 1155; P.R.A. van Iddekinge, Arnhem 44/ 45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem, 1981); P. Romijn, 'Herbeleving en herinterpretatie: recente literatuur over Nederland en de Tweede Wereldoorlog', in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (102 (1987) 211-228.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 623.

R.E.C. van der Pluym


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013