Helsdingen, Willem Henri van (1888-1985)

 
English | Nederlands

HELSDINGEN, Willem Henri van (1888-1985)

Helsdingen, Willem Henri van, koloniaal ambtenaar (Ambon (Ned.-Indië) 4-3-1888 - 's-Gravenhage 3-11-1985). Zoon van Carel Christiaan van Helsdingen, onderwijzer, en Susanna Henriette Jellesma. Gehuwd op 5-10-1929 met Anna Maria Eerdmans. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (19-2-1935) gehuwd op 20-1-1962 met Johanna Philippina Boelmans ter Spill. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Al zeer vroeg in zijn lange leven verloor Van Helsdingen, de jongste in een gezin van acht kinderen, zijn moeder. Hij werd vanaf zijn derde levensjaar door zijn grootmoeder in Nederland opgevoed; de vader keerde terug naar Indië. Te Amersfoort bezocht hij de lagere school en de HBS. Hoewel hij nog het staatsexamen moest afleggen - waarvoor hij in 1907 zou slagen - liet Van Helsdingen zich reeds op achttienjarige leeftijd te Leiden als student inschrijven. Zijn rechtenstudie werd op 14 februari 1912 met het doctoraal examen afgesloten, waarna op 19 december 1912 een promotie (op stellingen) volgde. In het voetspoor van twee van zijn broers - de een bracht het tot gouverneur van Soerakarta, de ander was lange jaren (1924- 1942) lid van de Volksraad als leider van de Christelijk Staatkundige Partij (CSP) - besloot hij zijn carrière in Indië te maken. In 1914, nadat hij een aanvullende Indologische studie te Leiden met goed gevolg had afgesloten, werd hij aangesteld bij de griffie van de Raad van Justitie te Batavia. In 1916 ging hij over naar het departement van Onderwijs en Eredienst als commies-redacteur. Weer twee jaar later volgde zijn benoeming tot referendaris bij de zojuist in het leven geroepen Volksraad, en nog eens twee jaar daarna werd hij benoemd tot adjunct-secretaris bij dit Indische protoparlement.

Bij de Volksraad bleef Van Helsdingen van 1918 tot 1932 werkzaam, vanaf 16 mei 1927 als secretaris; een tijdvak dat twee keer - in 1921/1922 en 1929/1930 - door Europees verlof onderbroken werd. Scherpzinnig en tactvol jurist die hij was, verwierf Van Helsdingen zich in deze jaren een grote kennis van het Indisch staatsrecht; dit maakte hem in de raciaal zo gemêleerde kring van Volksraadleden tot een zeer gewaardeerd medewerker. Toch moet het besluit van gouverneur-generaal jhr. B.C. de Jonge hem als outsider in november 1932 te benoemen tot burgemeester van Soerabaja voor velen een verrassing zijn geweest, omdat Van Helsdingen, gevormd in de ambtelijke bureaus, niet zonder meer voorbestemd leek om leiding te geven aan Indiës grootste havenstad. Een onverdeeld succes was zijn burgemeesterschap in die moeilijke crisistijd niet; zo kwam hij in de Soerabajase gemeenteraad in botsing met het Indo-Europeesch Verbond. Zijn benoeming tot voorzitter van de Volksraad bij KB van 18-5-1935 (tot 19-4-1939) bracht Van Helsdingen ten slotte op de zetel die een van zijn voorgangers (J. W. Meyer Ranneft) hem reeds in 1932 had toegedacht. Laatdunkerder toonde zich de bekende journalist H.C. Zentgraaff, die meende dat de geringheid van 'het praatcollege in het Hertogspark' met een voorzitter als Van Helsdingen alleen maar beter als zodanig tot haar recht kwam. Nog in 1935 kwam de nieuwe voorzitter in aanvaring met gouverneur-generaal De Jonge, toen hij op uitvoering van een Volksraadmotie aandrong waarin de heffing van een uitvoerrecht op aardolie werd voorgesteld. Het uitvoerrecht - een al dertig jaren slepende kwestie - is er overigens nooit gekomen. Een andere kwestie die sterk de aandacht trok was de behandeling van de petitie-Soetardjo in de Volksraadzitting van 1936, waarbij beoogd werd een conferentie van vertegenwoordigers van Nederland en Ned.-Indië bijeen te roepen om langs de weg der geleidelijke hervorming Ned.-Indië in de toekomst zelfstandigheid te verlenen binnen het Rijksverband. Van Helsdingen verklaarde zich een tegenstander. De petitie, die aan het opperbestuur was gericht, werd door de Kroon formeel afgewezen.

Nadat Van Helsdingen in 1939 met pensioen was gegaan en zich in Nederland had gevestigd, ontpopte hij zich als publicist over allerlei Indische zaken. Zo gaf hij te zamen met H. Hoogenberk de bundel Daar werd wat groots verricht... Nederlandsch-Indië in de XXste eeuw (Amsterdam, 1941) uit, gevolgd door een Engelse vertaling Mission interrupted (Amsterdam [etc.], 1945), en in 1946 een vervolgbundel Hecht verbonden in lief en leed (Amsterdam [etc.], 1946). De titels van deze boeken geven duidelijk aan hoe Van Helsdingen de verhouding Nederland-Indonesië zag. Politiek was hij in de eerste oorlogsjaren actief in de Christelijk-Historische Unie (CHU) en in De Nederlandsche Unie. Enkele maanden van het laatste oorlogsjaar bracht hij door in het concentratiekamp Amersfoort.

Op 30 augustus 1945 werd Van Helsdingen voorzitter van een door de minister van Overzeesche Gebiedsdelen, J.H.A. Logemann, ingestelde commissie die, ter voorbereiding van de in de rede van 7 december 1942 door koningin Wilhelmina aangekondigde Rijksconferentie, onderzoek moest doen naar de opvattingen in Nederland omtrent de plaats van de overzeese gebiedsdelen in het Koninkrijk; soortgelijke commissies gingen ook in Suriname en de Nederlandse Antillen aan het werk. Tegelijkertijd werd Van Helsdingen als raadadviseur aan het ministerie van Overzeese Gebiedsdelen verbonden, een functie die hij pas op zeventigjarige leeftijd heeft neergelegd. Het verslag van de commissie bleek echter al bij de publikatie in het najaar van 1946 (twee bundels bijlagen verschenen in 1947) achterhaald door de ontwikkeling van de gebeurtenissen in Indië. Nog even leek het alsof Van Helsdingen zelf op de loop van die gebeurtenissen invloed zou kunnen uitoefenen, toen kabinetsformateur L.J.M. Beel hem in juni 1946 uitnodigde in het nieuwe kabinet de plaats van Logemann in te nemen. Van Helsdingen, die eerder dat jaar uit de CHU was getreden, omdat hij deze partij te behoudend achtte, ging echter op dit aanbod niet in; hij vreesde als politiek onafhankelijke figuur te geïsoleerd te zullen staan.

Nadien had hij een belangrijk aandeel in de voorbereiding van een nieuwe rechtsorde met 'de West'. Zo was hij plaatsvervangend voorzitter van de conferentie Nederland-Suriname-Curaçao die in 1948 in Den Haag werd gehouden en tevens betrokken bij de Grondwetsherziening van dat jaar als lid van de door minister-president Beel voorgezeten staatscommissie. Ook nam hij deel aan de Ronde Tafel Conferentie met Indonesië. Vervolgens werd hij in 1951 benoemd tot gemachtigde voor Nederland ten behoeve van een nieuwe conferentie met de beide Rijksdelen in de West. Aan de daarop in 1952 bijeengeroepen conferentie die het in 1954 afgekondigde Statuut voor het Koninkrijk opstelde, was Van Helsdingen wederom als adviseur verbonden. Zijn laatste ambtelijke jaren sleet hij met het schrijven van uitvoerige commentaren op het Statuut en op de Staatsregelingen van Suriname en de Nederlandse Antillen, regelingen op wier totstandkoming en vormgeving hijzelf zo'n grote invloed had uitgeoefend. Zijn weloverwogen adviezen, die gepaard gingen aan een aimabele manier van optreden, werden steeds op prijs gesteld.

A: Een collectie-Van Helsdingen is aanwezig op het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst vermelde geschriften: Colijn contra den Volksraad [Batavia, 1928]; Tien jaar Volksraad arbeid 1918-1928 ([Batavia], 1928): Tien jaar Volksraad arbeid 1928-1938 (Batavia, 1938); De plaats van Nederlandsch-Indië in het Koninkrijk. Stemmen van overzee (Leiden, 1946. 2 dl.); Op weg naar een Nederlandsch-Indonesische Unie. Stemmen van hier en ginds ('s-Gravenhage, 1947; deel II alleen in gestencilde vorm); De eilandenregeling Nederlandse Antillen met toelichting ['s-Gravenhage, 1951]; De Staatsregeling van de Nederlandse Antillen van 1955 ('s-Gravenhage, 1956); De Staatsregeling van Suriname van 1955 ('s-Gravenhage, 1956); Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden ('s-Gravenhage, 1957); 'De staatkundige ontwikkeling', in H. Baudet en I.J. Brugmans, Balans van beleid. Terugblik op de laatste halve eeuw van Nederlandsch-Indië (Assen, 1961) 187-207.

L: De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Een bronnenpublikatie. Tweede Stuk 1927-1942. Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1965); Herinneringen van jhr.mr. B.C. de Jonge. Uitg. door S.L. van der Wal (Utrecht, 1968); B.H. Adam, in Nederlands Juristenblad 60 (1985) 1401 - 1402.

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013