Heydenryck, Christianus Joannes Antonius (1832-1911)

 
English | Nederlands

HEYDENRYCK, Christianus Joannes Antonius (1832-1911)

Heydenryck, Christianus Joannes Antonius (bekend onder de naam Heydenrijck), publicist en politicus (Amsterdam 13-1-1832 - Vught 6-9-1911). Zoon van Antoni Bernardus Jacobus Heydenryck, medisch doctor, en Elisabeth Francisca Riepenhoff. Gehuwd op 17-5-1865 met Cornelia Alida Hermina Verhoef. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Heydenryck, Christianus Joannes Antonius

Christiaan stamde af van de fel antipapistische, Maastrichtse predikant ds. Menso Heidenrijk (1644 - 1724), wiens zoon Johannes Antonius echter door zijn huwelijk met de rijke Groenlose Johanna Catharina Cunera Volbier Christiaans betovergrootouders - de stamvader werd van de katholieke tak. Na het overlijden van zijn vader in 1833 werd Christiaan door zijn moeder opgevoed, gesteund door zijn grootvader de Amsterdamse apotheker A.B.J. Heydenrijck, tot zij hertrouwde op 12 september 1838 met de Amsterdamse effectenmakelaar Hermanus Franciscus Koedijk. Met deze stiefvader kreeg Christiaan een zeer goede relatie. Hij volgde de gymnasiale opleiding aan het jezuïetencollege te Katwijk (1842- 1849), waarna hij een jaar filosofie studeerde aan het Collège Notre Dame de la Paix van de jezuïeten in Namen. In 1850 begon hij de rechtenstudie aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam om, na nog een maand het noviciaat bij de jezuïeten in Ravenstein geprobeerd te hebben, de studie voort te zetten in Leiden. Daar promoveerde hij in september 1855 tot doctor in de beide rechten op een proefschrift over de rechten en plichten van de staat inzake het onderwijs: De civitatis nostrae erga juventutis institutionem officiis secundum art. 194 Leg. Fund. (Amsterdam, 1855). In dit proefschrift verdedigde hij het principe dat het bijzonder onderwijs regel en het openbaar onderwijs slechts aanvulling diende te zijn.

Na zijn promotie zou Heydenrijck tot de redactie van De Tijd toetreden, maar mede door tegenstand van redacteur J.W. Cramer sprong dit, volgens J.H.J.M. Witlox, af. In plaats daarvan richtte hij in 1857, met Martinus W. van der Aa, het onbeduidende maandblad De Toeschouwer op dat gevuld werd met uit de moderne talen vertaalde verhalen over verre landen en tijden, badinerende vertellingen van Van der Aa en enkele gedichten en historische opstellen over Daniel O'Connell en Robert Peel van de hand van Heydenrijck. Na een jaar verdween dit tijdschrift voor 'het katholiek publiek' in de vergetelheid. Inmiddels had hij zich als advocaat in Nijmegen gevestigd, waar hij zich in de kerkelijke en wereldlijke politiek stortte. Hij verdedigde het gezag van de bisschoppen inzake armenzorg tegenover het door Nijmeegse katholieke leken geleide armbestuur in een rechtszaak en in geschrifte (zie zijn brochure De regeling van het armbestuur in Nederland (Amsterdam, 1860 en 2e herz. dr. Den Haag, 1869). Tussendoor publiceerde hij een dichtbundel: Maat en rijm (Nijmegen, 1860) en een zangbundel: Het oude Nijmegen... (Nijmegen, 1861).

Bij een tussentijdse vacature door overlijden werd Heydenrijck in juli 1862 in het district Nijmegen tot lid van de Tweede Kamer gekozen, waar hij een belangrijk woordvoerder werd o.a. voor het bijzonder onderwijs en tegen de achterstelling van katholieken bij benoemingen. Aanvankelijk liberaal gezind, matigde hij op aandrang van minister E.J.H. Borret zijn oppositie tegen het kabinet-Heemskerk-Van Zuylen (1866- 1868), maar na de dood van Borret (november 1867) schaarde ook Heydenrijck zich onder de tegenstanders. Tot pijnlijke verrassing van de ministers zou zijn stem op 28 april 1868 beslissend worden voor de val van het ministerie, toen met 37 tegen 35 stemmen de begroting van Buitenlandse Zaken verworpen werd. In zijn brochure Twee redevoeringen over de onderwijsquaestie... (Den Haag, 1868) verdedigde hij zijn oppositioneel gedrag: het ministerie was zonder levenskracht en reddeloos verloren; bovendien scholen verharde verdedigers van de in zijn ogen verwerpelijke Schoolwet in het ministeriële kamp. Heydenrijcks optreden en wijze van spreken, die steeds meer een zelfingenomen en pedante indruk maakten, wekten bij velen - blijkens perscommentaren en sneeren in de Kamer - een toenemende wrevel op, behalve bij zijn Nijmeegse kiezers, die hem trouw herkozen. Hun belangen verdedigde hij met verve. In 1866 pleitte hij in zijn vlugschrift Het tractaat met Pruissen tot wering van den sluikhandel (Nijmegen, 1866) voor vrijhandel en opzegging van het 'sluiktractaat' ten gunste van een opbloei van grensoverschrijdend verkeer en handel. Het jaar daarop publiceerde hij een pamflet Nijmegen als vesting of bruggenhoofd. Uitbreiding der stad ('s-Gravenhage, 1867), waarin hij o.a. een aanval deed op het gemeentebestuur, dat te laks optrad voor de opheffing van de vestingstatus en de dan mogelijke expansie van de stad. Zijn geschriften verschenen meestal ter voorbereiding van of aansluitend op een kamerdebat inzake de onderhavige kwesties.

Tussen 1870 en 1875 zochten Herman Schaepman en Willem Nuyens hem aan als politiek medewerker voor hun maandblad, eerst De Wachter, later Onze Wachter geheten. Bij één - later overschatte - bijdrage van zijn hand 'De katholieke fractie der Tweede Kamer' (De Wachter 2 (1872) II, 8 - 25) is het echter gebleven. Hij constateerde daarin dat katholieken door anderen altijd als katholiek gestigmatiseerd werden en maakte duidelijk dat katholieke kamerleden over zaken het geloof rakende, regelmatig overleg pleegden. Een pleidooi voor confessionele partij vorming, zoals later gesuggereerd, is het niet. In de jaren zeventig ontwikkelde hij zich met vele andere katholieke kamerleden tot een conservatief, wiens ideaal het was dat 'de katholieken, zonder als eigenlijke katholieke partij op te treden, kern van een conservatieve partij moeten zijn'. Strijd tegen uitbreiding van het kiesrecht, tegen invoering van algemene dienstplicht, tegen de uitvoering van de onderwijswetten en voor herinvoering van de doodstraf vormden bijzondere zorgen voor Heydenrijck en zijn katholieke collega's in de Kamer. Na de komst van Schaepman in 1880 in de Kamer werden de katholieke leden in korte tijd overvleugeld en in de schaduw gesteld door de massieve orator, die, wars van liberalisme en conservatisme, een vernieuwingsgezinde groep katholieken rond zich wilde opbouwen. Schaepman ontzag zich niet om door felle, vaak zeer persoonlijke aanvallen binnen en buiten de Kamer de katholieke conservatieven uit te schakelen. In september 1882 probeerde de kiesvereniging "Noord-Brabant" op een landelijke samenkomst in Den Bosch de katholieke politici op één lijn te brengen. Heydenrijck werkte er als een van de belangrijkste woordvoerders metterdaad aan mee, maar eenheid bleek niet mogelijk. Hij trok er de consequentie uit, verliet in mei 1883 de Kamer en werd benoemd tot lid van de Raad van State, een door velen benijde positie met een inkomen van 5000,- per jaar. Een aanmerkelijke verbetering, want een kamerlid ontving 2000,- per jaar. Toen Schaepman een jaar na de bijeenkomst in Den Bosch als tegenzet en zonder overleg met zijn collega's zijn beschouwing 'Een katholieke partij. Proeve van een program' (Onze Wachter (1883) I, 209-306) publiceerde, betuigde Heydenrijck meteen zijn instemming met de aanval erop van Julius Verwer, advocaat en grondbezitter te Diever. Verwer pleitte in twee geschriften tegen Schaepmans Proeve in voor de oprichting van een niet-exclusivistisch-katholieke, conservatieve partij.

Ondanks zijn benoeming in de Raad van State werd Heydenrijck nu weer politiek actief: in 1884 als kandidaat voor een kamerzetel in het district Zevenbergen, welke strijd hij verloor, en in 1885/ 1886 in het district Leiden als propagandist voor de anti-Schaepmanniaanse kandidaat J.P. Smeele, die een kamerzetel veroverde. In 1886/ 1887 probeerde hij samen met B.M. Bahlmann Schaepman de voet dwars te zetten door, tegen Schaepmans nationale bond in, een Noord- en Zuid-Hollandse bond van katholieke kiesverenigingen op te richten, van welke bond hij de ere voorzitter werd. Veel politieke betekenis had hij echter niet meer. Op maatschappelijk gebied zette hij zich nu in voor verenigingen als de RK Militairenvereeniging, de St.-Jozefsgezellenvereeniging, de Nederlandse Zouavenbond e.d., die hij vanuit zijn kapitaalkrachtige positie steunde en waar hij graag op vergaderingen het woord voerde.

In de Raad van State vertegenwoordigde hij met anderen het conservatieve element. Zo werd bijvoorbeeld het ontwerp van de kieswet-Tak in 1893 door de derde afdeling, waarin hij zitting had, negatief beoordeeld. In 1899 gaf hij zelfs zijn in het Latijn gestelde proefschrift in vertaling en bewerking tot tweemaal toe uit: Een akademisch proefschrift van 1855 over de rechten en plichten van onzen Staat, opzichtens het onderwijs der jeugd ('s-Gravenhage, [1899]), om zijn liberale collega-staatsraad P.F. Hubrecht in diens onderwijsopvattingen te bestrijden en zijn eigen weerzin tegen de leerplicht te uiten. In 1897 werd hij benoemd in de voogdijraad voor prinses Wilhelmina, welke functie hij slechts tot haar achttiende verjaardag in 1898 hoefde uit te oefenen.

Heydenrijcks geestelijke krachten namen inmiddels snel af. Na de plotselinge dood van zijn enige zoon in 1903 en het overlijden van zijn vrouw in 1905 stortte hij geestelijk volledig in. Hij nam ontslag uit de Raad van State, waar hij opgevolgd werd door oud-minister J.W. Bergansius, en werd opgenomen in de inrichting Voorburg te Vught, waar hij nog zes jaar verpleegd werd. Een tragisch einde van een man die in de dertig jaar tussen 1855 en 1885 een exponent is geweest van de ontwikkeling van zovele katholieken van gematigd liberaal tot - wat L.J. Rogier genoemd heeft - een steriel conservatisme.

A: Familiepapieren, waaronder enige brieven van en aan Ch.J.A. bevinden zich in het archief van de Jezuïeten in Nijmegen.

P: Behalve de reeds genoemde geschriften publiceerde hij: Het ministerie Heemskerk-Hasselman (Den Haag, 1867); De eedsquaestie in de Tweede Kamer. Interpellatie van den heer Heydenrijck (Den Haag, 1881); Leo XIII (Den Haag, 1887); De vredesconferentie en het jubeljaar der kerk (Den Haag, [1899]).

L: Castoretpollux, In de Tweede Kamer. Portretten (Sneek, 1881) 59 - 63; J.W. van Nispen tot Sevenaer, 'Een katholiek veteraan', in Eigen Haard 28 (1902) 396-397; necrologieën in De Tijd, 7-9-1911 en in De Katholieke Illustratie 45 (1911) 814; F.J.H. Banning, Het geslacht Weijn. Genealogie en aantekeningen (Groenlo, 1937); J.H.J.M. Witlox, Schaepman als staatsman (Amsterdam, 1960. 3 dl.); idem. De staatkundige emancipatie van Nederlandse katholieken 1848 - 1870 (Bussum, 1969); J.A. Bornewasser, 'De katholieken en het ontstaan van hun politieke partijorganisatie', in Vaderlands verleden in veelvoud. Deel II: l9e-20e eeuw (Den Haag, 1980) 188-208.

I: Website Parlementair Documentatie Centrum: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [29-4-2008].

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013