Hijmans, Abraham Albert (1869-1943)

 
English | Nederlands

HIJMANS, Abraham Albert (1869-1943)

Hijmans, Abraham Albert (bekend onder de naam Albert Abraham Hijmans van den Bergh), internist (Rotterdam 1-12-1869 - Utrecht 28-9-1943). Zoon van Benjamin Hijmans, koopman, en Berdina van den Bergh. Gehuwd op 31-5-1900 met Catharina Maria Hudig. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Hijmans, Abraham Albert

Zijn middelbare schoolopleiding volgde Hijmans te Rotterdam, eerst aan de 3-jarige HBS en daarna aan het Erasmiaansch Gymnasium, welke school hij vóór het eindexamen verliet. In 1888 volgde hij zijn ouders naar Antwerpen en liet hij zich inschrijven aan de natuurwetenschappelijke faculteit te Gent. In 1890 slaagde hij aldaar 'avec la plus grande distinction' voor het kandidaatsexamen. Direct daarna, 10 oktober 1890, begon hij te Leiden de studie in de geneeskunde; in juli 1891 deed hij alsnog eindexamen aan het Gymnasium Erasmianum, en op 8 maart 1895 behaalde hij het artsexamen.

Kort tevoren was hij te Leiden benoemd tot inwonend assistent van de hoogleraar inwendige geneeskunde W. Nolen. Hij bleef in die functie tot maart 1896. Twee maanden later, op 21 mei, promoveerde hij 'met lof' op een studie over De giftigheid der urine en de teer der auto-intoxicatie (Leiden, 1896), een experimenteel chemisch-toxicologisch onderzoek.

In 1896/ 1897 werkt Hijmans van den Bergh enige tijd in de kliniek van A. Epstein in Praag en bij A.A. Czerny in Breslau, om zich in april 1897 als huisarts te Rotterdam te vestigen. Behalve een voorkeur voor de klinische chemie, toonde Hijmans in deze jaren vooral belangstelling voor de kindergeneeskunde. Zijn verschillende publikaties uit deze periode betreffen alle de kindergeneeskunde, zoals de uitvoerige verhandeling Geneeskundige Bladen uit Kliniek en Laboratorium 5 (1898) 51-86.

Nadat hij op 11 december 1899 was benoemd tot uitwonend geneesheer van het Gemeenteziekenhuis te Rotterdam, begon een tweede fase in zijn carrière. Organisatorisch speelde hij een centrale rol in het Klinisch Genootschap en het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte. In deze Rotterdamse jaren legde Hijmans, in nauwe samenwerking met de patholoog R. de Josselin de Jong en de apothekeres A. Grutterink, de basis voor het klinisch chemisch onderzoek dat hem in zijn latere leven zou blijven bezighouden. In 1905 diagnostiseerde hij als eerste de oorzaak van een ernstige vorm van vergiftiging, waarbij zwavel zich verbindt met het bloedeiwit (hemoglobine). Hierdoor wordt de zuurstof uit het hemoglobine verdrongen. Getuige de vele publikaties is dit onderwerp hem blijven boeien. In 1933 zou zijn promovendus H.W. van Lier het desbetreffende onderzoek in een proefschrift samenvatten. Eveneens werd in een dissertatie, van F.L.J. Jordan in 1935, het onderwerp van nachtelijk verlies van bloedeiwit (hemoglobine) in de urine uitgewerkt. Hijmans internationale bekendheid dankt hij vooral aan het onderzoek over het bilirubine (een rode galkleurstof). In de jaren rond 1910 geraakte hij steeds meer overtuigd dat er feitelijk twee soorten galkleurstoffen bestaan: één die men vindt bij leveraandoeningen en één die men aantreft bij verhoogde bloedafbraak.

Eind 1911 werd Hijmans benoemd tot hoogleraar inwendige geneeskunde aan de Groningse universiteit als opvolger van K. Wenckebach. Deze functie aanvaardde hij op 20 januari 1912 met zijn veelgeroemde rede over Het denken in pathologie en kliniek (Groningen, 1912). In de daarop volgende jaren zette hij het onderzoek op de galkleurstoffen intensief voort. Samen met I. Snapper ontwikkelde hij in 1913 een bruikbare kwantitatieve methode voor de bepaling van bilirubine ('Die Farbstoffe des Blutserums', in Deutsches Archiv für klinische Medizin 110 (1913) 540-561). Samen met de chemicus P. Muller maakte hij in 1916 bekend dat de twee vormen van bilirubine konden worden onderscheiden: één die direct reageert op diazoniumzout en één die pas reageert als er alcohol wordt toegevoegd. Deze vormen corresponderen met de twee soorten geelzucht, de 'levervorm' en de 'bloedvorm'. Dit is de 'Van den Bergh-test' uit de Engelstalige literatuur, in Nederland bekend als de 'Reactie van Hijmans van den Bergh en Snapper'. In 1918 werd het thema door Hijmans, Snapper en J. Muller samengevat in het boek Der Gallenfarbstoff im Blut (Leiden [etc.], 1918), waarvan in 1925 een nieuwe editie verscheen. De resultaten van het onderzoek over de galkleurstoffen dat Hijmans tussen 1925 en 1935 uitvoerde, werden in 1935 samengevat in het proefschrift van zijn leerling H.A.P. Hartog.

Inmiddels was Hijmans in april 1918 te Utrecht benoemd op de leerstoel van S. Talma. Voor zijn inaugurele rede op 5 oktober 1918 koos hij opnieuw een meer algemeen, beschouwend medisch thema: Over het gestel. Het belangrijkste onderzoeksthema bleef ook in deze jaren de bloed- en galkleurstoffen. Hij kwam op het spoor van kleurstoffen in het bloed (zoals carotine, afkomstig van wortelen), die in vet oplosbaar waren, de lipochromen. Hij constateerde dat de concentratie van deze stoffen in het bloedserum afhankelijk was van het voedsel en hij wees op een verband met de werking van het vitamine A (met P. Muller en J. Broekmeyer, 'Het lipochrome pigment van bloedserum en organen. Xanthosis, Hyperlipochromaemie', in Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 64 (1920) II, 127-135), hetgeen later door anderen kon worden bevestigd. Een andere groep van kleurstoffen, die als afbraakprodukten van het bloed in de urine en de ontlasting kunnen worden aangetroffen, zijn de porphyrinen. Ook met dit onderdeel hield hij zich bezig. Hijmans van den Bergh beschreef als eerste een geval van aangeboren overvloedige porphyrine-uitscheiding, eveneens een afbraakprodukt van bloed, dat in ontlasting en urine kan worden aangetroffen. Samen met W. Grotepass ontwikkelde hij een methode om porphyrine kwantitatief in bloedlichaampjes te bepalen. Dit onderzoek was een belangrijke bijdrage aan de kennis van de biochemische processen in de lever.

Met de vermelding van deze onderzoeksthema's is het oeuvre van Hijmans, bestaande uit ruim 160 publikaties, slechts gedeeltelijk aangegeven. Zijn klinische studies bestrijken het gehele terrein van de inwendige geneeskunde. Samen met W. Nolen en J. Siegenbeek van Heukelom legde Hijmans in 1916 de basis voor de levensverzekeringsgeneeskunde met de uitgave van het lijvig handboek Levensverzekering-geneeskunde (Groningen, 1916), dat in 1925 ook in Duitse vertaling verscheen. Hetzelfde jaar (1925) publiceerde hij samen met Siegenbeek van Heukelom een boek over suikerziekte in Voordrachten over suikerziekte (Utrecht, 1925) - met medew. van R. de Josselin de Jong - , dat eveneens in Duitse vertaling verscheen en waarin vooral de nieuwe mogelijkheden van de insuline-therapie werden beschreven. Een samenvatting van zijn visie op de geneeskunde en de organisatie van de gezondheidszorg vindt men in de rede 'Balans der Geneeskunde', die in 1932 verscheen (in Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 76 (1932) III, 4333-4342.

In het voorjaar van 1938 dwong zijn gezondheid hem het hoogleraarschap neer te leggen. In zijn afscheidsrede op 30 mei 1938 behandelde hij tal van actuele thema's uit de gezondheidszorg en algemene geneeskunde; de rede verscheen in Vox Medicorum 38(1938) 138- 141. Twee jaar na zijn vertrek verraste hij de medische wereld met de uitgave van een monumentaal Leerboek der Inwendige Geneeskunde (Amsterdam, 1940-1941. 2 dl.), geschreven in samenwerking met C.D. de Langen, zijn leerling en opvolger te Utrecht, en met Snapper. Dit leerboek zou nog lang na de Tweede Wereldoorlog, in tal van edities, de opleiding van internisten meebepalen. Op 28 september 1943, na enige zeer moeilijke jaren, overleed hij ten huize van De Langen.

Als persoon werd Hijmans door zijn leerlingen altijd geroemd wegens zijn didactische gaven, zijn grote intelligentie en zijn kritische, ondogmatische wetenschappelijke houding. Franse literatuur en de opera hadden zijn liefde, terwijl hijzelf de zangkunst beoefende. Hoewel van joodse afkomst, was Hijmans evenmin als zijn ouders joods-religieus denkend of lid van een joods kerkgenootschap; later behoorde hij tot de remonstrantse kerk. Dank zij zijn zogenaamde 'gemengde huwelijk' kwam hij zijn laatste levensjaren tijdens de bezetting gelukkig niet in moeilijkheden.

Hijmans van den Bergh behoorde tot de eersten in Nederland die de betekenis van de biochemie en de daarbij behorende experimenten voor de geneeskunde inzagen. Het klinisch-chemisch laboratorium was voor hem niet, zoals voor de meesten van zijn tijdgenoten, uitsluitend bestemd voor routineonderzoek, maar hij gebruikte het ook als instrument voor klinische research. Een school heeft Hijmans niet gevormd. Zijn wetenschappelijke verdiensten vonden erkenning in een lidmaatschap van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (1919), verder in koninklijke onderscheidingen, eredoctoraten te Brussel (1934) en Athene (1937), en tal van erelidmaatschappen van binnen-en buitenlandse genootschappen. De Nederlandse Internisten Vereniging stelde in 1960 een Hijmans van den Bergh-medaille in.

P: Behalve de reeds genoemde: samen met P. Muller, 'Über eine direkte und indirekte Diazoreaktion auf Bilirubin', in Biochemische Zeitschrift 77 (1916) 90 - 103; 'Ein Fall von kongenitaler Porphyrinurie mit Koproporphyrin in Harn und Stuhl', in Archiv für Verdauungs-Krankheiten 42 (1928) 302 - 307; 'Ein bemerkenswerter Fall von Porphyrie', in Wiener klinische Wochenschrift 50(1937)830-831.

L: I. Snapper, '40-jarig artsjubileum prof. dr. A.A. Hijmans van den Bergh', in Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 79 (1935) 1150-1153; H.R. Kruyt, in Verslag van de openbare vergadering der afdeeling natuurkunde op 30 October 1943 van de Nederlandsche Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 52 (1943) 463-465; E. Gorter, in Jaarboek der Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1943 - 1944) 194-207; C.D. de Langen, in Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 89 (1945) 227-228.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 725.

M.J. van Lieburg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013