Hoek, Petrus van (1865-1926)

 
English | Nederlands

HOEK, Petrus van (1865-1926)

Hoek, Petrus van, directeur-generaal van den Landbouw (Ulrum 18-1-1865 - 's-Gravenhage 3-3-1926). Zoon van Jacob van Hoek, landarbeider, en Martje Harenberg. Gehuwd op 10-6-1892 met Menje Borgman. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Piet van Hoek doorliep reeds op achtjarige leeftijd de hoogste klas van de lagere school en werkte daarna op een boerderij als 'schoapvint' (jongste knechtje). Op zijn veertiende jaar ging hij studeren aan de Normaalschool in Warffum, waar in 1884 de onderwijzersakte kon worden behaald. Vervolgens kreeg hij een onderwijzersbaan te Westernieland. Vier jaar later was hij in het bezit van de hoofdakte. Specialisatie in de landbouwkundige richting was een verdere stap: in 1889 leverde die de akte LO-Landbouwkunde te Wageningen op.

In 1890 werd Van Hoek landbouwconsulent in dienst van de Noord-Brabantsche Maatschappij van Landbouw en in het daaropvolgende jaar rijkslandbouwleraar in Noord-Brabant. Tijdens de honderden voordrachten die hij in deze functie heeft gehouden deed hij zich kennen als een geboren docent, die moeilijke vraagstukken helder en eenvoudig kon uitleggen. Mede door zijn kennis van de landbouwpraktijk stelden de Brabantse boeren weldra een onbeperkt vertrouwen in 'de predikheer', zoals ze hem noemden. Zijn adviezen werden algemeen gevolgd, vooral toen hij op de vele proef velden die door hem werden aangelegd, kon aantonen dat zijn moderne landbouwmethoden veel grotere opbrengsten gaven. Hij propageerde het gebruik van beter zaaizaad en kunstmest, groenbemesting, rationele veevoedering, de oprichting van zuivelfabrieken, landbouwcoöperaties en fok- en controleverenigingen. Naast al deze werkzaamheden zag hij nog kans een scheikundig leerboek te schrijven (1897), dat tot ver in de jaren dertig werd herdrukt. Zijn aandeel in de vooruitgang van de Brabantse landbouw in deze jaren is zeer groot geweest, en hij beschouwde deze periode als de mooiste van zijn loopbaan ('Mijn plezierigste brood heb ik in Brabant geëten').

In 1901 werd Van Hoek benoemd tot inspecteur van het landbouwonderwijs te 's-Gravenhage. Samen met zijn chef, de directeur-generaal van den Landbouw H.J. Lovink, bracht hij verschillende reorganisaties van de Rijkslandbouwschool te Wageningen en van de Rijksveeartsenijschool te Utrecht tot stand, die ten slotte beide instellingen tot de status van hoger onderwijs hebben gebracht. Voor het zo ver was, bevond hij zich volgens zijn eigen woorden voortdurend in een wespennest, onder meer omdat Groningen, Utrecht en Wageningen zich opwierpen als vestigingsplaats voor de toekomstige Landbouwhoogeschool. Van Hoek geraakte daardoor in een pijnlijk conflict met de Groningse Vereeniging voor Hooger Landbouwonderwijs. Ook moesten Van Hoek en minister A.S. Talma, die de hoogste landbouwopleiding bij de Utrechtse universiteit wilden onderbrengen, ten slotte zwichten voor de argumenten die Lovink ten gunste van Wageningen produceerde. De Wageningse en Utrechtse eredoctoraten die Van Hoek na de inwerkingtreding (1918) van de Wet tot regeling van het hooger landbouw- en hooger veeartsenij kundig onderwijs ontving, zullen het leed echter vergoed hebben.

In 1910 volgde Van Hoek Lovink op als directeur-generaal. In die functie heeft hij vele agrarische wetten ontworpen, zoals de Paardenwet, Veewet, Kaasmerkenwet, Ruilverkavelingswet, Landarbeiderswet, Boswet en Jachtwet. Verder zette hij zich in voor de reorganisatie van paarden- en rundveestamboeken, de rijkslandbouwproef stations en de buitenlandse landbouwvoorlichtingsdienst. Na het uitbreken van de wereldoorlog veranderde zijn werk van karakter. Hij moest nu voortdurend op korte termijn ingrijpende beslissingen nemen, waarbij geen tijd was voor rustige studie en overweging, die zijn werkwijze kenmerkten. Hij miste de allure van Lovink en bemoeide zich te veel met details. De zorgen namen in deze jaren dan ook de overhand boven de voldoening die hard werken hem gaf. Ook de naoorlogse bezuinigingen, waarbij zelfs zijn eigen functie op het spel kwam te staan, hebben een schaduw geworpen over de laatste levensjaren van deze van nature opgewekte, eerlijke en goedwillende topambtenaar. In 1925 nam hij, gedwongen door een ernstige ziekte, ontslag. Een half jaar later overleed hij.

P: Beknopt leerboek der scheikunde (Groningen, 1897 - 1900. 2 dl.) vele herdr.; Hooger landbouwonderwijs ('s-Gravenhage, 1906); Hooger landbouwonderwijs ('s-Gravenhage, 1917).

L: 'Dr. P. van Hoek', in De veldbode, 25-7-1925; H. van Haastert, 'Dr. Van Hoek en Pater van den Eisen', in Vragen van den Dag 41 (1926) spec. 241-262; H.M. Kroon, in Tijdschrift voor Diergeneeskunde 53 (1926) 241-243; NRC, 4-3-1926 ocht.; Algemeen Handelsblad 4 (av.) en 7-3-1926 ocht.; Tijdschrift voor economische geographie 17 (1926) 112; L.N. Dekkers, in Katholiek sociaal weekblad 2 (1926) 150-151; F.B.L[öh-nis], in Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij 38 (1926) 97-98; K.H.M. v.d. Zande, Boerenjaarboek (1927) 41-43; L.S. Meihuizen, 'J. Heidema l. ir. 1870-1940', in Handelingen van de Groninger Maatschappij van Landbouw (1969) spec. 28-41; G. Veenstra, De twaalf inspecteurs van het land- en tuinbouwonderwijs tussen 1863 en 1978 ['s-Gravenhage, 1980] 19-22.

J.M.G. van der Poel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013