Hoogveld, Johannes Hendrikus Everardus Jacobus (1878-1942)

 
English | Nederlands

HOOGVELD, Johannes Hendrikus Everardus Jacobus (1878-1942)

Hoogveld, Johannes Hendrikus Everardus Jacobus, filosoof en pedagoog (Elden, gem. Elst 25-7-1878 - Nijmegen 23-7-1942). Zoon van Richardus Hendrikus Romanus Hoogveld, landbouwer, en Catharina Constantia Schouten. afbeelding van Hoogveld, Johannes Hendrikus Everardus Jacobus

Hoogveld, oudste kind uit een groot gezin van welgestelde landbouwers, ontving zijn eerste opleiding aan het Nijmeegse Dominicuscollege. Daarna bezocht hij de seminaries van het aartsbisdom Utrecht te Culemborg en Rijsenburg. Na de priesterwijding (1902) volgde de wetenschappelijke vorming aan het Angelicum te Rome, afgesloten door een promotie in de wijsbegeerte en godgeleerdheid (1904). Terug in Nederland werd de jonge priester al spoedig benoemd tot docent in de wijsbegeerte en de empirische zielkunde aan het Culemborgse seminarie (1906-1921); tevens aanvaardde hij in 1915 het hem gedane verzoek, aan de zojuist opgerichte RK Leergangen te 's-Hertogenbosch (later: Tilburg) onderwijs in de pedagogiek te geven. De overweging 'dat alleen de studie hiervan [se. van wijsbegeerte en empirische zielkunde] de paedagogiek, die te veel weg had van een receptenleer en die te sterk opging in onderwijs-methodiek-regels, op behoorlijk peil kon brengen', deed hem zijn aanvankelijke aarzeling overwinnen (zie zijn 'Ter inleiding', XII op de Keur uit de werken...). Tot 1932 doceerde hij aan de Leergangen de opvoedkunde, waarbij de meer 'praktische' delen van het vak, zoals de didactiek, steeds buiten het onmiddellijk terrein van zijn werkzaamheden bleven. De hem in 1923 als deel van zijn leeropdracht aan de Katholieke Universiteit toegewezen 'algemene paedagogiek' zou dezelfde stof omvatten als die waartoe Hoogveld zich te Tilburg beperkte. Van huis uit was hij filosoof; zijn wending tot de opvoedkunde voltrok zich via de wijsgerige anthropologie in de jaren rond 1920, de periode van zijn redacteurschap van het mede door hem opgerichte tijdschrift De Beiaard. Dit zijn Hoogvelds vruchtbaarste jaren (1916- 1925), voor zijn werk in stilistisch opzicht de beste. Vanaf 1918 schreef hij tevens menig opstel als redacteur van het Tijdschrift voor zielkunde en opvoedingsleer, een uitgaaf van het Psychologisch- en Paedagogisch Instituut der RK Leergangen. Deze bijdragen waren bedoeld als voorbereidingen voor enige delen van een breed opgezet 'Handboek der paedagogiek', door Hoogveld te verzorgen, delen die nimmer verschenen.

In 1920 werd Hoogveld tijdelijk van zijn functie in het onderwijs ontheven om te zamen met de Utrechtse hoogleraar Jos. Schrijnen de eerste voorbereidende werkzaamheden voor de stichting van de RK Universiteit ter hand te nemen. In dit moeizame werk, dat in 1923 tot een goed einde werd gebracht, had hij een belangrijk aandeel, hoewel de samenwerking met de elf jaar oudere, prikkelbare en rusteloze Schrijnen door pijnlijke wrijvingen ontsierd werd. Beiden kregen een benoeming tot hoogleraar aan de nieuwe instelling. Hoogvelds leeropdracht omvatte in de literaire faculteit de inleiding tot de wijsbegeerte, logica, critica, zielkunde, algemene metafysica, algemene ethiek en algemene pedagogiek, daarbij in de juridische faculteit de wijsbegeerte van het recht. Ofschoon behalve de meeste van zijn pedagogische geschriften ook zijn Inleiding tot de wijsbegeerte (1939 - 1941. 3 dl.) en zijn Hoofdlijnen van de algemene rechtsfilosofie... (1935) uit de periode van zijn professoraat dateren (1923- 1942), zijn deze jaren minder vruchtbaar geweest dan men mocht verwachten. Zijn collega en generatiegenoot Gerard Brom merkte in 1955 op dat Hoogveld zich door actie liet absorberen, wellicht daar onbewust in vluchtte, en daardoor 'tenslotte aan een soort psychische verstopping' leed (Dies natalis..., 70). Indirect werd hij een slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog: de Gestapo arresteerde hem 18 juni 1940, verdacht van verstandhouding met de uitgeweken Duitse jezuïet F. Muckermann. Een half jaar werd hij zonder opgaaf van redenen in Arnhem en Emmerik gevangen gehouden. Daarmee waren zijn krachten gebroken: na lang kwakkelen overleed hij op 23 juli 1942 in zijn woonplaats.

Hoogveld, naar zijn gave verschijning eens 'de Griekse jongeling' genoemd, was voornaam in optreden en voorkomen, plechtstatig in gebaar en gedrag, handhaafde nauwlettend het klerikale decorum. Achter deze ongerimpelde façade schuilde een verlegen, zwaarmoedig man, zonder veel zelfvertrouwen of vastberadenheid, zodat het wellicht voor hem en het aartsbisdom Utrecht een geluk was dat zijn voorgenomen benoeming tot opvolger van de in november 1929 overleden aartsbisschop H. van de Wetering op het laatste moment verijdeld werd, naar het heet door ingrijpen van de Belgische kardinaal D.J. Mercier.

Als filosoof was Hoogveld een aanhanger van de thomistische wijsbegeerte en de neoscholastiek. Hij onderging in sterke mate de invloed van Mercier en de School van Leuven, later van Jacq. Maritain: zelfstandige betekenis als wijsgeer heeft hij nauwelijks gehad, wel bracht hij de Nederlanders in kennis met buitenlandse ontwikkelingen en denkbeelden. Dat de thomistische wijsbegeerte in ons land in de 20e eeuw een zelfstandige wetenschap is geworden en rekening is gaan houden met de problemen, door het moderne denken opgeworpen, is na J.V. de Groot (1848-1922) en J.Th. Beysens (1864 - 1945) voor een groot deel aan hem te danken. Met de constructie van een pedagogische wetenschap voor de Nederlandse katholieken moest hij vrijwel van de grondvesten af beginnen. Tot een groot samenvattend werk kwam hij niet, doch zijn talrijke fundamentele artikelen op dit gebied hebben de richtlijnen getrokken volgens welke een opvoedkunde naar katholieke beginselen geleidelijk zou kunnen worden opgebouwd. Dit is echter niet geschied. Zijn pedagogiek heeft amper school gemaakt: de moderne fenomenologische methode sloeg een geheel andere weg in. Toch verscheen er een dissertatie aan de Vrije Universiteit van J.W. van Hulst, De beginselleer van Hoogvelds pedagogiek (Amsterdam, 1962). Leerlingen in de eigenlijke zin des woords heeft hij in zijn langdurig professoraat weinig gevormd, twee proefschriften slechts kwamen onder zijn leiding tot stand. Hoogveld ontving hoge kerkelijke en wereldlijke onderscheidingen. Naar hem werd in 1947 het toen te Nijmegen gestichte Mgr. Hoogveld Instituut genoemd, een centrum voor de wetenschappelijke bestudering in katholieke zin van de problemen rond de opvoeding van jongeren en adolescenten.

A: Archief-Hoogveld in het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.

P: Bibliografie in onder L genoemd werk: Keur..., 317-333.

L: Ferd. Sassen, in Keur uit de werken van prof.dr. J. Hoogveld 2e dr. (Groningen [etc.] 1951) V-X; J.J. Gielen, in Katholieke Encyclopaedie voor opvoeding en onderwijs ('s-Gravenhage, 1951 - 1954. 3 dl.) II, 270-271; Gerard Brom, in Dies natalis. De stichting van de Katholieke Universiteit (Nijmegen [etc.], 1955) passim; Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1973. Met een terugblik door L.J. Rogier †. Onder red. van A.F. Manning [et al.] (Bilthoven, 1974) passim; G.Th.M. Verhaak, Pedagogiek tussen dood en leven (Nijmegen, 1986) passim.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 7 (Verbeterblad).

P.L. Nève


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013