Hooijkaas, Isaac Petrus (1900-1971)

 
English | Nederlands

HOOIJKAAS, Isaac Petrus (1900-1971)

Hooijkaas, Isaac Petrus (voornaamswijziging in Johannes Petrus bij arrest Hof 's-Gravenhage op 3-2-1939; bekend onder de naam Hooykaas), jurist (Zutphen 14-11-1900 - 's-Gravenhage 17-7-1971). Zoon van Johannes Hooijkaas, leraar en conrector van een gymnasium, en Charlotta Alberta Jacoba van der Linden.

Hooykaas bezocht het gymnasium te Kampen en Arnhem en studeerde sinds 1918 rechten aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Na zijn afstuderen op 26 mei 1923 trad hij op 2 juni 1925 in dienst bij het ministerie van Justitie te 's-Gravenhage. Hij doorliep verschillende rangen totdat hij op 12 juli 1937 werd benoemd tot raadadviseur bij de Afdeling staats- en strafrecht.

Maar niet alleen op praktisch terrein was hij werkzaam. Hooykaas bewoog zich ook op het terrein van de strafrechtswetenschap. Als medewerker van het toenmalige Tijdschrift voor strafrecht kwam hij in contact met wetenschapsbeoefenaars als M.P. Vrij en J.M. van Bemmelen. Met hen was hij actief in de zg. Bond voor Strafrecht, die o.m. tot doel had ideeën omtrent de strafrechtspleging van Nederlandsen huize meer bekendheid in het buitenland te geven. Hooykaas liet zich toen kennen als een overtuigd voorstander van ombuiging van het strafrecht en strafprocesrecht in een richting waarbij gemeenschapsbelangen het zouden moeten winnen van belangen van het individu.

In zijn idealistische en corporatistische staatsvisie zou het Wetboek van strafrecht moeten worden aangevuld met bepalingen die handelen in strijd met het gemeenschapsbelang strafbaar moesten stellen. Ook het strafprocesrecht zou moeten worden herzien door de rechten van de verdachte om zich tegen maatregelen van de overheid te weer te stellen, te beperken. Deze gedachte heeft hij uitgewerkt in een preadvies opgesteld voor de jaarvergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging op 30 juli 1934, waar A.J. Marx als tweede preadviseur optrad. De vraagstelling op die vergadering luidde: 'Komt bij de bescherming van de individueele vrijheid in ons huidig strafrecht en strafprocesrecht de gemeenschap te kort?' en 'Zoo ja, welke wijzigingen dienen dan in onze wetgeving te worden aangebracht?' (Handelingen der Nederlandsche Juristen-Vereeniging I, 2e stuk, 160). De visie die Hooykaas ontwikkelde werd nagenoeg unaniem door de vergadering verworpen. Van Bemmelen als woordvoerder voorop. Met de problematiek van de verhouding staat en individu zou Hooykaas in de bezettingstijd ook praktisch te maken krijgen. Op 18 maart 1941 volgde hij de toenmalige secretaris-generaal, J.C. Tenkink, op, die ontslag genomen had omdat hij zich niet kon verenigen met door de Duitsers gewenste maatregelen. Hooykaas was weliswaar niet de eerste keus bij de secretarissen-generaal, maar Seyss-Inquart vond deze figuur, die als 'ietwat weltfremd' bekend stond, acceptabel, wellicht omdat Hooykaas als jurist de opvatting verdedigde dat de bezetter zich keurig aan het volkenrecht hield (De Jong, V, 118). Dit betekende overigens niet dat Hooykaas bereid was medewerking te verlenen aan de door de Duitsers gewenste nationaal-socialistische herordening. Dat bleek bijv. bij het Journalistenbesluit. Onder invloed van J. Donner en J.W. Berger van de Commissie van advies inzake de strafwetgeving weigerde hij ondertekening. Al spoedig werd hij als departementshoofd vervangen door prof. J.J. Schrieke, die op 1 juli 1941 benoemd werd. Hooykaas werd raadadviseur bij de Afdeling wetgeving. Nog eenmaal, van 5 tot 17 april 1945, zou hij het departement leiding geven, toen Schrieke zich teruggetrokken had en Hooykaas de opdracht had gegeven hem tijdens afwezigheid te vervangen. Hoewel formeel niet bevoegd nam Hooykaas zuiveringsmaatregelen. Op 19 april 1945 droeg hij de leiding van het departement over aan het Militair Gezag in de persoon van B.I.A.A. 'ter Veer in opdracht van minister-president Gerbrandy. Hooykaas werd op 22 mei 1945 benoemd tot raadadviseur in algemene dienst. In deze kwaliteit heeft hij o.a. een rol gespeeld bij de oplossing van de Hoge-Raadkwestie. Hij heeft meegewerkt aan het opstellen van richtlijnen voor de invrijheid- en buitenvervolgstelling van politieke delinquenten en was betrokken bij het concipiëren van een rapport dat richtlijnen bevatte voor het verlenen van gratie van de doodstraf.

Op 1 november 1946 verliet Hooykaas het ministerie en werd hij raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam. Op 2 november 1948 volgde een benoeming tot advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Ook in de naoorlogse periode bleek zijn belangstelling voor de problematiek van de verhouding staat en individu. In een referaat nam Hooykaas het standpunt in dat het individu onder omstandigheden zich tegenover de staat mag of zelfs moet opstellen, indien, objectief gezien, zijn geweten hem daartoe dwingt (zie 'Ethiek en Recht') in Handelingen van de Vereniging voor Wijsbegeerte des Rechts, 1949: 34, 1e gedeelte, 1 - 25). Deze visie legde hij ook neer in de conclusie die hij als advocaat-generaal nam bij het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 1950 (NJ 1951, nr. 348). In dat arrest kwam de vraag naar de toelaatbaarheid van gewetensbezwaren als een beroep op overmacht aan de orde. De Hoge Raad volgde de conclusie niet. De hoogleraar W.P.J. Pompe schreef een noot naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, waarin hij kritiek leverde op de opvatting van Hooykaas.

Ondertussen was Hooykaas op 4 november 1950 benoemd tot hoogleraar in het staats- en administratiefrecht te Utrecht. Zijn inaugurele rede, gehouden op 9 juni 1952, was getiteld: Problemen van administratief recht (Zwolle, 1952). Hooykaas kwam herhaaldelijk in de publiciteit door prikkelende uitspraken gedaan op zijn colleges. Dat gebeurde in 1963 met het uitspreken van zijn voorkeur voor een kiesstelsel zoals dat in West-Duitsland gold en in 1964 met zijn stellingen over de wijze waarop prinses Irene afstand van haar troonopvolgingsrechten zou kunnen doen. In het laatste geval was hij zeer gebelgd over het feit dat de discussie in de krant werd gevoerd, omdat hiermee, naar zijn opvatting, de vertrouwensrelatie hoogleraar-student werd geschonden (vgl. ook zijn 'Staatsrechtelijke vragen rondom prinses Irene' in MB 39 (1964) 421-430; 582-586). In 1968 ontstond er deining binnen en buiten de universitaire wereld naar aanleiding van een uitspraak van Hooykaas die hij tijdens een oriëntatiebijeenkomst voor eerstejaarsstudenten in de rechten te Ellecom op 9 oktober 1968 had gedaan. Hier had hij o.a. als zijn mening gegeven dat er een relatie bestond tussen sociale klasse, gezinsgrootte en intelligentieniveau. Deze opvatting bracht Hooykaas tot uitspraken die het faculteitsbestuur in het openbaar desavoueerde, waarop Hooykaas zelf zijn ontslag aanbood. Een en ander heeft nog tot het stellen van vragen in de Eerste Kamer geleid.

Hooykaas was een merkwaardig man, in wie idealistische en reactionair-autoritaire trekken door een zeer onafhankelijke wijze van denken werden verbonden. Wie hem beter leerde kennen ontmoette een man die uiterst hoffelijk en beminnelijk, maar onbekommerd om lof of blaam zijn overtuiging heeft uitgedragen (Langemeijer).

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties: 'De toekomst van het strafrecht', in het Tijdschrift voor Strafrecht 46 (1936) 405-416; 'De l'échange international des renseignements concernants les antécédents judicaires des inculpés', in Revue internationale du droit pénal 14 (1937) 119-124; samen met M.P. Vrij, 'Mededeelingen. Het vierde congres van de internationale strafrechtsvereeniging', in Tijdschrift voor Strafrecht 49 (1939) 95-116.

L: G.E. Langemeijer, in Nederlands Juristenblad 46 (1971) 885; Verslag houdende uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940- 1945 ('s-Gravenhage, 1955) 7c, 595 - 605; L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1974) V, passim; A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag (Assen, 1978) 154, 544.

S.A.M. Stolwijk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013