Houten, Hendrik van (1892-1952)

 
English | Nederlands

HOUTEN, Hendrik van (1892-1952)

Houten, Hendrik van, journalist en politicus (Boxum, gem. Menaldumadeel 19-6-1892 - Groningen 22-7-1952). Zoon van Sjouke van Houten, landarbeider, en Grietje Wijngaarden. Gehuwd op 9-8-1917 met Maaike Bruinsma. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. Na haar overlijden (15-11-1927) gehuwd op 29-1-1929 met Maria Smallenbroek. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Houten, Hendrik van

Van Houtens ouderlijk gezin behoorde tot de gereformeerde 'kleine luyden'. Na zijn opleiding aan de christelijke Kweekschool te Leeuwarden werkte hij enige jaren als onderwijzer en was hij vervolgens als journalist verbonden aan enkele antirevolutionaire bladen, waaronder het Friesch Dagblad. In 1922 richtte Van Houten in Friesland een Bond van Landpachters op, met als voornaamste doel de totstandkoming van een pachtwet, die de pachtboeren een betere rechtspositie zou bieden. Als algemeen secretaris en redacteur van het blad De Landpachter werd Van Houten de centrale figuur in deze bond. Door ook in het Friesch Dagblad de belangen van de pachtboeren te bepleiten ontstonden echter voor hem moeilijkheden met de leiding van het blad. Van Houten stapte daarop over naar de verzekeringsbranche; in 1927 werd hij eigenaar-directeur van een assurantiekantoor te Assen. Daarmee was echter geen einde gekomen aan zijn publiek optreden, want hij bleef actief in de Bond van Landpachters én in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), waarvoor hij in 1927 in de gemeenteraad van Assen gekozen werd.

Van Houten kwam echter steeds scherper tegenover de leiding van de ARP te staan, vooral door de afwijzing van een tweetal pachtwetsontwerpen, omdat deze naar het oordeel van het grootste deel van de antirevolutionaire kamerfracties een te verregaande aantasting van het eigendomsrecht inhielden. De controverse over het pachtvraagstuk leidde tot felle polemieken tussen Van Houten en commentatoren in de antirevolutionaire pers. In april/ mei 1932 besloot hij de ARP te verlaten en zich bij de Christelijk-Democratische Unie (CDU) aan te sluiten. De eind 1926 opgerichte CDU had zich tot dan toe vooral als een antimilitairistische partij van protestantse signatuur gemanifesteerd, maar door Van Houtens aansluiting veranderde dit. Hoewel ook Van Houten het christelijk gefundeerde antimilitarisme ging uitdragen, lagen zijn belangstelling en bekendheid toch vooral op sociaal terrein. Toen de CDU hem tot lijsttrekker aanwees voor de kamerverkiezingen van 1933, werd hij mede door zijn pachtersaanhang tot kamerlid gekozen. In 1937 werd hij herkozen; doordat de CDU haar zeteltal verdubbelde, nam H. Posthuma naast hem zitting.

In de Kamer kwam Van Houten op voor groepen van de bevolking die in bijzondere mate het slachtoffer waren van de economische depressie: kleine boeren en landarbeiders, werklozen en ouden van dagen. Dit liet hij gepaard gaan met een scherpe bestrijding van de crisispolitiek van de kabinetten-Colijn. De door hem voorgestane politiek liep grotendeels parallel met die van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), maar hij wenste hieraan een eigen, bijbelse fundering te geven. Vooral de antirevolutionaire kamerleden en ministers waren niet bereid deze opstelling voetstoots te accepteren. In de zomer van 1938 verklaarde minister-president H. Colijn het niet langer zinvol te vinden met Van Houten te discussiëren, omdat deze zijn inzichten als de bij uitstek christelijke presenteerde, en die van de regering dat predikaat ontzegde.

Met zijn antimilitaristische standpunt was Van Houten in de Kamer steeds geïsoleerder komen te staan, doordat SDAP en Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) in de tweede helft van de jaren dertig de eenzijdige ontwapening losgelaten hadden. In de CDU kwam het pas vanaf oktober 1939 tot een discussie over het ontwapeningsstandpunt. Toen werd duidelijk dat Van Houten toch eigenlijk geen principiële ontwapenaar was. Hij pleitte er namelijk voor dat de CDU voor de duur van de oorlog haar ontwapeningsstandpunt zou begraven om op die wijze te voorkomen dat de regering maatregelen tegen de partij nam. Blijkt daaruit al een zeker opportunisme, nadat de Duitse bezetting een feit geworden was zou dit nog duidelijker aan de dag treden. Niet zozeer in zijn pleidooi voor samenwerking van de CDU met De Nederlandsche Unie op zichzelf, als wel in zijn uitspraak dat van een samenwerking met deze Unie de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) niet uitgesloten zou mogen worden; terwijl hij toch vóór 1940, optredend voor Eenheid door Democratie, een van de scherpste bestrijders van de NSB in het noorden des lands geweest was.

Toen de bezettingsautoriteiten de positie van de pachters wilden verbeteren zag Van Houten, van mening dat hij zijn landpachters niet in de steek moest laten, mogelijkheden voor samenwerking. Dit leidde ertoe dat hij begin 1942 de Bond van Landpachters op liet gaan in de Landstand, terwijl vrijwel alle andere landbouworganisaties aansluiting weigerden. Van Houten zelf werd leider van het Bureau Pacht van de Landstand. Door deze opstelling tijdens de bezettingstijd voelde men na de bevrijding in de CDU niets voor zijn eventuele heroptreden. Maar dat betekende niet het einde van zijn maatschappelijke activiteiten, want in de opnieuw opgerichte Bond van Landpachters wenste hij weer vooraan te staan. Niet ieder was het hiermee eens, waardoor zelfs een scheuring in de Bond ontstond. Deze werd pas in 1952 ongedaan gemaakt, na het vroegtijdig einde van Van Houtens werkzame leven.

De grootste betekenis heeft Van Houten gehad in de periode 1933- 1940, toen hij door middel van zijn kamerlidmaatschap landelijke bekendheid kon geven aan zijn ideeën. Die waren niet zeer oorspronkelijk, maar wel verstond Van Houten als bekwaam redenaar en scherp penvoerder de kunst op een groeiend deel van het electoraat indruk te maken. Stellig weerspiegelden zijn denkbeelden op maatschappelijk terrein een oprecht sociaal gevoel en wist hij zich tot spreekbuis te maken van groepen wier stem anders niet gehoord zou zijn; dit gold vooral voor de pachtboeren. Het antimilitarisme van de CDU heeft hij echter op de koop toe genomen. In zijn activiteit in de Landstand tijdens de oorlog komt zijn verknochtheid aan zijn eigenlijke levenswerk, de Bond van Landpachters, tot uiting.

A: Collectie-Van Houten in Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaesjesintrum.

P: Behalve Kent gij de C.D.U.? (Amsterdam, [ca. 1937]) zeer vele artikelen, onder andere in De Landpachter en in de CDU-periodieken De Strijder, De Christen-Democraat en Richtlijnen. Studieorgaan van de Christelijk-Democratische Unie.

L: G. Meijer, "Beroerders des volks". Praat en daad der C.D.U. (Groningen, 1937); extrarouwnummer van De Landpachter, augustus 1952; H.J. Langeveld, 'De Christelijk-Democratische Unie in Friesland: een electorale benadering', in Friesland en het interbellum. Onder red. van J. Frieswijk, Y. Kuiper, J. Rijpkema (Leeuwarden, 1983 [i.e. 1984]) 23 - 56; H.J. Langeveld, 'Horzels rond het antirevolutionaire paard. Progressieve dissidenten in de protestantse politiek tussen 1900 en 1940', in Een land nog niet in kaart gebracht, Aspecten van het protestants-christelijk leven in Nederland in de jaren 1880-1940. J. de Bruijn (red.) ([Franeker], 1987) 90-112.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 703.

H.J. Langeveld


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013