Hove, Bartholomeus Joannes van (1790-1880)

 
English | Nederlands

HOVE, Bartholomeus Joannes van (1790-1880)

Hove, Bartholomeus Joannes van (Johannes), kunstschilder en decorateur ('s-Gravenhage 28-10-1790 - 's-Gravenhage 8-11-1880). Zoon van Huijbertus (Hubertus) van Hove, lijstenmaker en vergulder, en Joanna Sophia Fris. Gehuwd op 27-10-1813 met Catharina Cornelia Metz. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (2-5-1823) gehuwd op 7-5-1824 met Catharina Maria Christina van den Braak. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. afbeelding van HOVE, Bartholomeus Joannes van

Van Hove begon, na drie jaar de lagere school bezocht te hebben, zijn loopbaan in de werkplaats van zijn vader, die hem de eerste beginselen van het tekenvak bijbracht. Na aanvankelijk werkzaam te zijn geweest bij een stempelgraveur en bij een banketbakker deed hij in 1808 zijn intrede in het atelier van de aan de Haagse Schouwburg verbonden decorateur en toneelschilder J.H.A.A. Breckenheymer. Dank zij diens stimulerende invloed ging Van Hove vanaf 1812 lessen volgen aan de Haagsche Teeken-Academie. Het zou echter nog tot 1819 duren voor hij voor het eerst meedeed aan de 'Tentoonstelling van Levende Meesters'. Zijn inzending bestond uit twee stadsgezichten en een Binnenplaats met figuren. Tot 1879 zou hij onafgebroken aan deze jaarlijkse tentoonstellingen mee blijven doen.

Wegens zijn pedagogische kwaliteiten werd hij in 1820 benoemd tot hoofdonderwijzer aan de Haagsche Teeken-Academie en vervulde hij lange tijd de functie van eerste directeur van de afdeling tekenen van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. In zijn hoedanigheid van hoofdonderwijzer aan de academie zou hij de leermeester worden van o.a. Johannes Bosboom, Wijnand Nuyen, Charles Leickert, Sam Verveer en Hendrik Weissenbruch. Al snel kreeg hij in bredere kring een zekere bekendheid en in 1823 maakte hij in opdracht van het ministerie van Oorlog een serie gewassen pentekeningen van de verschillende, in het Nederlandse leger gedragen uniformen.

Behalve kunstschilder werd Van Hove ook toneelschilder en decorateur, en in 1829 volgde hij zijn leermeester Breckenheymer op als toneelschilder bij de Haagse Schouwburg. Zijn verrichtingen in deze tak van de schilderkunst zouden hem gedurende zijn leven de meeste erkenning bezorgen. Zo werd het decor voor het treurspel De Schipbreuk van Medusa in 1840 onderscheiden met de zilveren medaille van de stad Den Haag. Zeven jaar later werd hij voor zijn decors bij de opera Le siège de Leyde door de koning Willem II benoemd tot ridder in de orde van de Eikenkroon. Ook door koning Willem III werd Van Hove hoog geschat. In 1851 besloot deze hem de, speciaal voor kunstenaars bestemde, Grote Medaille in Goud uit te reiken voor het ontwerpen en uitvoeren van een demonteerbaar toneel met toebehoren, dat bestemd was voor paleis Noordeinde. Als blijk van waardering voor zijn medewerking aan de restauratie van de toneelzaal van paleis Het Loo, volgde in 1869 zijn benoeming tot officier in de orde van de Eikenkroon, die door koning Willem II in 1841 was ingesteld en waarover door de Koning vrijelijk beschikt kon worden.

Behalve toneeldecors schilderde Van Hove voornamelijk stadsgezichten en kerkinterieurs in de trant van 17e- en 18e-eeuwse Hollandse meesters. Zijn vroege werken worden gekenmerkt door een fijne, gedetailleerde schilderstijl, die sterk contrasteert met de breed opgezette, veelkleurige toneeldecors. Zijn stadsgezichten en kerkinterieurs zijn veelal gestoffeerd met figuren, die in een aantal gevallen door zijn zoon Huib werden ingeschilderd. Zijn latere stadsgezichten zijn losser en vlotter en tonen een op grijs afgestemd coloriet.

In de Haagse schilderswereld van die tijd was Van Hove een bekende persoonlijkheid en in 1847 was hij een van de oprichters van Pulchri Studio. Tevens werd hij de eerste voorzitter van dit schilderkundig genootschap, een functie die hij tot 1851 bekleedde. Daarnaast was hij lid van het in Amsterdam gevestigde Arti et Amicitiae, waarvan hij in 1874 erevoorzitter werd.

Het belang van Van Hove moet vooral gezocht worden in zijn rol als pedagoog. Hij wist zijn grote vakmanschap over te brengen op een omvangrijke groep kunstenaars, van wie met name Bosboom en Weissenbruch tot grote hoogte zouden stijgen.

A: In een groot aantal Nederlandse musea en instellingen zijn werken van B.J. van Hove te vinden. Zie voor een overzicht hiervan P.A. Scheen, Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950 ('s-Gravenhage, 1969) 518-519.

L: J. Immerzeel jr., De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters (Amsterdam, 1842) 59-60; C. Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders... (Amsterdam, 1859) III, 760-761; 'Necrologium', in Nederlandsche Kunstbode 2 (1880) 46 (13 november) 367; C.V. [=Carel Vosmaer], in Nederlandsche Spectator (1880) 47 (20 november) 375-376; Algemeines Lexikon der Bildenden Künstler. Hrsg. von H. Vollmer (Leipzig, 1931) XVII, 575-576; Tuja van den Berg, Vorstelijk decor. Negentiende eeuwse achterdoeken van de Koninklijke Schouwburg (Amsterdam 1996).

I: Litho, uitg. Soetens & Zn. in Den Haag.

M.B.W. Broekema


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013