Ihle, Johan Egbert Willem (1879-1956)

 
English | Nederlands

IHLE, Johan Egbert Willem (1879-1956)

Ihle, Johan Egbert Willem, zoöloog en helmintholoog (wormdeskundige) (Amsterdam 7-8-1879 - Rotterdam 21-9-1956). Zoon van Charles Guillaume Ihle, apotheker, en Diederika Willemina van der Sleesen. Gehuwd op 31-3-1909 met Maria Elizabeth Landenberg. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Ihle ging na zijn middelbare opleiding aan het gymnasium te Amersfoort vanaf 1899 biologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam, onder leiding van Max Weber en C.Ph. Sluiter. De afronding van zijn studie vond plaats op 11 december 1906 met een promotie cum laude op het proefschrift Bijdragen tot de kennis van de morphologie en systematiek der Appendicularien, met als promotor C.Ph. Sluiter. Na korte tijd assistent te zijn geweest bij A.A.W. Hubrecht aan de Utrechtse Universiteit, keerde Ihle in 1907 terug naar Amsterdam als assistent van zijn vroegere leermeester Sluiter. Niet voor lange tijd echter, want in 1910 ging hij terug naar Utrecht, thans als leraar aan de Rijksveeartsenijschool en - nadat dit instituut was gereorganiseerd tot Veeartsenij kundige Hoogeschool - vanaf 1918 als hoogleraar. In deze functies was hij belast met het botanisch en zoölogisch onderwijs aan a.s. dierenartsen. Zijn wetenschappelijke belangstelling concentreerde zich op de studie van vooral op huisdieren parasiterende Nematoden, waarover tussen 1916 en 1930 tal van publikaties het licht zagen.

Op 26 oktober 1925 werd Ihle benoemd tot hoogleraar in de algemene zoölogie aan de Universiteit van Amsterdam als opvolger van Sluiter. In zijn inaugurele rede over De Nematoden en de hedendaagsche zoölogie sloot hij de Utrechtse tijd af en ontvouwde hij het programma voor de nu volgende periode (1925 - 1949) door tal van biologische vragen bij zijn wormenonderzoek te betrekken. Zijn wetenschappelijke aandacht verlegde hij naar de bewerking van de Brachyura (krabben) en vooral de Tunicaten, waarbij de pelagisch levende Appendiculariën (het onderwerp van zijn proefschrift) en de Salpen binnen zijn onderzoek vielen. Hij wist deze op zodanige wijze samen met zijn vrouw te ordenen en te systematiseren dat zij in erkende Duitse handboeken als die van Bronn en Kükenthal naar zijn gegevens werden opgenomen. Al zijn systematische werk berustte steeds op een degelijk vergelijkend-anatomische basis. In de lange reeks van publikaties over bovengenoemde diergroepen werd tevens veel materiaal verwerkt dat afkomstig was van de Siboga-expeditie (1899-1900). Deze expeditie had plaats onder commando van G.F. Tydeman aan boord van HM Siboga naar het oostelijk deel van de Oostindische zeeën om de bodemgesteldheid en de samenstelling van flora en fauna na te gaan onder leiding van prof. M. Weber. Buiten dit specialisme gaf Ihle colleges in de vergelijkende anatomie, die uitmuntten door degelijkheid, en werkte hij als redacteur en auteur mee aan menig Nederlands leerboek voor de dierkunde. Al trad Ihle officieel in 1949 af, hij bleef het onderwijs trouw tot zijn afscheidscollege op 28 september 1951.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties en artikelen in o.a. Tijdschrift voor veeartsenijkunde. Tijdschrift voor diergeneeskunde en samen met zijn vrouw sinds 1930 in Zoologischer Anzeiger. Bijdragen in: Siboga-expeditie. Uitkomsten op zoölogisch, botanisch, oceanographisch en geologisch gebied... Uitg. door Max Weber (Leiden, 1901- dl.) afl. 41: Die Appendicularien (1908); afl. 49: Die Thaliaceen (1910); afl. 71: Die Decapoda brachyura. I. Dromiacea (1913); afl. 78: Die Decapoda brachyura II. Oxystomata: Dorippidae (1916); afl. 85: Die Decapoda brachyura III. Oxystomata: Calappidae, Leucosiidae, Raninidae (1918).

Verder: medewerking aan leerboeken, Leerboek der vergelijkende ontleedkunde der Vertebraten. (Utrecht, 1924 2 dl.) versch. dr.; Leerboek der bijzondere dierkunde (Utrecht, 1928); Leerboek der algemeene dierkunde (Utrecht, 1929); De dierlijke parasieten van de mensch en van onze huisdieren 3e dr. (Amsterdam, 1921, 6e dr. 1954).

Voorts Tunicata. Salpae: I. Desmomyaria in Das Tierreich. Begr. und herausg. von F.E. Schulze (Berlin, 1912). Lfg. 32; 'The adult Strongylids (Solerostomes) inhabiting the large intestine of the horse', in Report of the commission appointed to inquire into the solerostomiasis in Holland (The Hague, 1922); Thaliacea, in Die Tierwelt der Nord- und Ostsee. Begr. von G. Grimpe und E. Wagler (Leipzig, 1927). Lfg. IX. Teil 12, 2; Tunicata... Desmomyaria... Bearb. von J.E.W. Ihle... in Handbuch der Zoologie. Gegr. von W. Kühenthal (Berlin [etc.], 1935). Bd. 5, zweite Hälfte. Lfg. 5; ... Salpidae..., in Klassen und Ordnungen des Tierreichs. Begr. von H.G. Bronn (Leipzig, 1937-1939). Bd. 3, Supplement Tunicata, Abt. II, Buch 2. Lfg. 2, 3.

L: B.S., in Veterinaire Studenten Almanak 39 (1925) 120-124; G. Barendrecht, in Bijdragen tot de dierkunde 28 (1949) 7-9 t.g.v. 70e verjaardag van Ihle; idem. Vakblad voor biologen 36 (1956) 245-246; C. Offringa, 's Rijksveeartsenijschool, Veeartsenij kundige hoogeschool (1821 - 1925) (Wageningen, 1972) 271-288; 342. Proefschrift Utrecht.

P. Smit


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013