Immink, Petrus Wernérus Adam (1908-1965)

 
English | Nederlands

IMMINK, Petrus Wernérus Adam (1908-1965)

Immink, Petrus Wernérus Adam, rechtshistoricus (Stolwijk 4-1-1908 - Haren (Gr) 21-9-1965). Zoon van Johan Elisa Immink, burgemeester, en Klara Cornelia Gorter. Gehuwd op 11-6-1934 met Sara Sneijders de Vogel. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (2-8-1958) gehuwd op 19-8-1958 met Geertruida Blikkendaal. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Immink, Petrus Wernérus Adam

Immink bezocht de HBS in Gouda en legde vervolgens het staatsexamen gymnasium af. Hij studeerde rechten in Utrecht van 1926 tot 1931. In 1934 werd hij ambtenaar ter secretarie van de gemeente Utrecht, waar hij tot 1946 werkzaam was, uiteindelijk als hoofdcommies. Hij werkte in zijn vrije tijd veel op het Rijks- en het Gemeentearchief ter voorbereiding van de dissertatie waarmee hij op 25 november 1942 bij D.G. Rengers Hora Siccama promoveerde: De wording van staat en souvereiniteit in de middeleeuwen. Een rechtshistorische studie in het bijzonder met betrekking tot het Nedersticht. Eerste deel (een tweede deel is nimmer verschenen). Naast dit werk, waarin behalve een zeer gedegen bronnenkennis reeds een brede visie opvalt, deed hij nog in hetzelfde jaar, als bijdrage in de feestbundel voor zijn leermeester, een met een monografie gelijkstaand artikel over 'De stadsvrijheid van Utrecht' verschijnen. Het was dan ook geen wonder dat hij terstond na de oorlog naar de universiteit geroepen werd, eerst met een leeropdracht in het Oudnederlands recht en de Inleiding tot de rechtswetenschap (1945/1946) in Utrecht, daarna als hoogleraar in het oudvaderlands recht in Groningen. Deze leerstoel heeft hij tot zijn dood bekleed. Zijn onderwijs in Groningen heeft zich niet steeds tot het oudvaderlands recht beperkt: van 1953 tot 1956 gaf hij ook colleges in de Inleiding tot de rechtswetenschap. Hij vervulde in en buiten de universiteit vele functies die met zijn hoogleraarsambt of met zijn wetenschappelijke belangstelling samenhingen. Behalve meer algemeen georiënteerde activiteiten (met name op het gebied van het bibliotheekwezen; verder was hij o.a. voorzitter van de Vereniging voor terpenonderzoek en van het Groninger Universiteitsfonds) verdient vooral vermelding zijn lidmaatschap van het bestuur van de Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht (sinds 1946) en van de dagelijkse redactie van het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis (TvR) sinds 1956.

Imminks wetenschappelijk werk is vooral gekenmerkt door een sterke verwevenheid van historisch onderzoek met wijsgerige analyse; op dit punt heeft hij in grote mate de invloed van zijn leermeester Rengers Hora Siccama ondergaan. Dit komt in 't bijzonder naar voren in de tijdens zijn professoraat tot stand gekomen geschriften, waarvan de belangrijkste postuum verschenen zijn. Van zijn archiefstudies in Utrecht betreffende de late middeleeuwen vindt men alleen nog de neerslag in de na zijn dood gepubliceerde editie van het Registrum Guidonis..., een verzameling arbitrale uitspraken van de bisschop van Utrecht uit het begin van de 14e eeuw (1969, tekstuitgave door A. Johanna Maris, een gedeelte van de inleiding door Immink).

In zijn inaugurele rede. Recht en historie (1946), treft men reeds twee hoofdthema's van zijn later oeuvre aan: bestrijding van gangbare theorieën over de ontwikkeling van het eigendomsbegrip - vooral van de leer van de 'eigendomsverschuiving' - en van de opvatting dat voor het middeleeuwse recht geheel geen tegenstelling tussen publiek- en privaatrecht zou kunnen worden gemaakt. Deze rede draagt een sterk programmatisch karakter; hij kondigt aan, zijn stellingen later te zullen uitwerken en met bewijsplaatsen te staven.

De uitwerking heeft inderdaad in verschillende vormen plaatsgevonden; de staving met bronnenmateriaal in geringere mate. Veel van de tijdens zijn leven gepubliceerde studies (zowel een lezingencyclus in Oslo als een aantal artikelen en belangrijke recensies) besteden in de eerste plaats aandacht aan een zuivere begripsvorming, terwijl de bronnen en de literatuur een tamelijk ondergeschikte plaats innemen. Voor een goed begrip van deze studies is vooral van belang een fundamenteel artikel over de methodiek van de rechtsgeschiedenis ('La transformation des concepts en histoire' in TvR 24 (1956) 1 - 47); dit was oorspronkelijk als een onderdeel van zijn boek La liberté et la peine... bedoeld maar is, toen dit ten slotte postuum verscheen (in 1973), daarin niet opgenomen. De in dit artikel verkondigde opvattingen - in 't bijzonder het daar gemaakte onderscheid tussen 'concept formel' en 'concept matériel' van een rechtsinstelling - hebben veel aanleiding tot kritiek gegeven (zie vooral Van den Bergh). Deze kritiek treft uiteraard ook zijn op deze opvattingen steunende geschriften, die voor het grootste gedeelte aan de Oudgermaanse en de Frankische tijd gewijd zijn.

Zijn levenswerk is het postuum verschenen La liberté et la peine... (1973). Hij ziet in een omvorming van het oude Germaanse vrijheidsbegrip ten tijde van het Frankisch koningschap de oorsprong van het begrip straf; van straf kan volgens hem alleen sprake zijn als er een afhankelijkheidsrelatie ontstaat door de plicht om de eed van trouw aan de koning af te leggen. Vrijheid was bij de oorspronkelijke Germaanse stammen onafhankelijkheid van ieder menselijk gezag; in de Frankische tijd werd zij tot een vrijheid bij de gratie van de trouw aan de koning.

Niet alleen in zijn wetenschappelijke geschriften maar ook in zijn colleges (zoals wij die door een uitgegeven dictaat kennen) legde Immink de nadruk op de Oudgermaanse en de Frankische tijd. De door hem behandelde stof week daardoor sterk af van wat onder de naam 'oudvaderlands recht' aan de meeste andere universiteiten gedoceerd werd. Door zijn filosofische benadering en door zijn prikkelende kritiek wist hij zeker vele studenten te boeien. Voor het kandidaatsexamen stelde hij overigens tamelijk hoge eisen door van elke student een kleine scriptie te verlangen. Hierbij en bij doctoraal scripties liet hij evenwel grote vrijheid in de keuze van de onderwerpen (die dan ook veelal buiten het hoofdthema van zijn colleges lagen). Slechts enkele van zijn leerlingen zijn bij hem gepromoveerd; van de vorming van een 'school' of van verspreiding van zijn ideeën aan andere universiteiten kan men dan ook niet spreken.

In de omgang was Immink in alle opzichten een 'gentleman'. Hij had een zeer onafhankelijk oordeel over personen en zaken en vertoonde een sterke neiging het goede te zien in iets dat door de meesten verworpen werd; hij was echter steeds bereid zich met grote ruiterlijkheid bij de mening van een meerderheid neer te leggen wanneer er beslissingen moesten worden genomen.

Immink heeft weinig aan de weg getimmerd. Hoewel zijn belangrijkste geschriften ook voor buitenlanders toegankelijk zijn, is de verspreiding van zijn opvattingen minder groot dan men zou hebben kunnen verwachten. Niettemin heeft hij veel tot de Nederlandse wetenschap van de rechtsgeschiedenis bijgedragen; zijn veelal provocerende formulering van problemen heeft anderen menigmaal tot verder kritisch onderzoek geïnspireerd.

P: Een lijst van zijn publikaties is opgenomen in onder L genoemd TvR 34 (1966) 502-509, herdr. in zijn Verspreide geschriften [Uitg. door N.E. Algra] (Groningen, 1967) 17-22; De wording van staat en souvereiniteit in de middeleeuwen. Collegedictaat. Mededelingen van het Rechtshistorisch Instituut [van de] Rijksuniversiteit te Groningen: 3, 2e herz. en verm. dr. (Groningen, 1969): de 1e dr. - gestencild - is zeer gebrekkig; Vrijheid en recht. Mededelingen van het Rechtshistorisch Instituut [van de] Rijksuniversiteit te Groningen: 5 [Uitg. N.E. Algra. Groningen, 1967], gebrekkige uitgave; Registrum Guidonis. Het zogenaamde register van Guy van Avesnes, vorstbisschop van Utrecht (1301-1317). Met aansluitende stukken tot 1320. Uitg. door P.W.A. Immink en A. Johanna Maris ([Utrecht], 1969 [1970]). Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht. 3e reeks: 23; La liberté et la peine. Étude sur la transformation de la liberté et sur le développement du droit pénal public en Occident avant Ie XIIe siècle. Éd... par P. Sarolea (Assen, 1973); L'évolution de la liberté et de la peine dans les régions non féodalisées situées entre le Vlie et l'Ems [Éd. par S. Kalifa] (Ljouwert/ Leeuwarden, 1975). Fryske Akademy: 483.

L: R. Feenstra, in TvR 34 (1966) 491-509 (herdr. in Verspreide geschriften, 7-22), met bibliografie en vermelding van verdere herdenkingen (de oorspronkelijk alleen gestencilde voordracht van H.J. Scheltema thans in De wording... (2e dr.) XI - XIX; A.G. Jongkees, in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen (1966) 57 - 59; G. Hamaker, in Groninger Studentenalmanak (1966) 42; T.J. Veen, 'Vrijheid en recht, filosofie en geschiedenis. Over het wetenschappelijk werk van prof.mr. P.W.A. Immink (1908-1965)', in Vrijheid en recht. Opstellen aangeboden aan prof.mr. E.H. s'Jacob (Zwolle, 1975) 301-317; G.C.J.J. van den Bergh, 'Natural law and history of law. A note on Immink', in Maior viginti quinque annis. Essays in commemoration of the sixth lustrum of the Institute for legal history of the University of Utrecht. Ed. by J.E. Spruit (Assen, 1979) 30-44. Bijdragen van het Instituut voor Rechtsgeschiedenis der Rijksuniversiteit te Utrecht: 10 (zeer kritisch); T.J. Veen, 'Petrus Wernerus Adam Immink (1908- 1965)', in Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap. Onder red. van T.J. Veen en P.C. Kop, m.m.v. C.H.N. Kwanten (Zwolle, 1987) 403-407.

I: Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap. Onder red. van T.J. Veen en P.C. Kop (Zwolle 1987) 403.

R. Feenstra


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013