Ingerman, Helena Anthonia Maria Elisabeth (1888-1962)

 
English | Nederlands

INGERMAN, Helena Anthonia Maria Elisabeth (1888-1962)

Ingerman, Helena Anthonia Maria Elisabeth (bekend onder de naam Maria Dermoût), schrijfster (nabij Pekalongan (Ned.-Indië) 15-6-1888 - 's-Gravenhage 27-6-1962). Dochter van Frederik Ingerman, werkzaam in de suikerfabricage op Java, en Anna Sophia Halverhout. Gehuwd op 6-6-1907 met Isaac Johannes Dermout, rechterlijk ambtenaar, ten slotte president van het Hooggerechtshof te Batavia. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Ingerman, Helena Anthonia Maria Elisabeth

Marietje Ingerman stamt van vaderszijde uit een familie die al enkele generaties in Indië woonde en werkte. Enig Indisch bloed is in de familie onmiskenbaar. Toen Maria nog geen halfjaar was, stierf haar moeder. Vóór haar zesde jaar werd zij al twee keer in Nederland ondergebracht, maar toen haar vader in 1894 hertrouwde, vestigde het gezin zich op een suikerplantage, Redjosari, in Ngandjoek op Java. Maria's stiefmoeder, Auguste Helena Lohman, onderwijzeres, trad op als haar gouvernante, totdat Maria in 1900 korte tijd op kostschool in Soerabaja geplaatst werd, waarna zij dat zelfde jaar, omwille van haar scholing, naar Nederland verhuisde. In Haarlem was ze in de kost in het gezin van ds. H. de Lang. Zij bezocht één jaar de Meisjes-Burgerschool voor Middelbaar Onderwijs om vervolgens in de 2de klas van het Stedelijk Gymnasium aan het Prinsenhof te komen. Daar werd zij getypeerd als een 'haastige en slordige leerling', die 'het best kan als ze maar wil'. Op school leerde ze de latere geoloog H.A. Brouwer kennen, met wie zij haar hele leven bijzonder bevriend gebleven is. Haar dochter zei over deze relatie dat een levensbeschrijving van haar moeder zonder vermelding van de onvervulde, maar nooit aflatende gevoelens (t.a.v. Brouwer) 'een verdraaide' zou zijn. In 1906, toen Maria in de 4de klas zat, vertrok zij met haar vader, die enige tijd met ziekteverlof in Nederland geweest was, weer naar Indië, waar ze zich nog dat zelfde jaar verloofde met Isaac Johan Dermout. Het jaar daarop trouwden zij.

Vanaf 1907 tot in 1933 woonde het echtpaar in veel verschillende plaatsen in het oude Nederlands-Indië, voornamelijk op Java en de Molukken. Haar mans gestage carrière bij de rechterlijke macht mondde in 1930 uit in het presidentschap van het Hooggerechtshof in Batavia, maar slechts drie jaar later liet zijn gezondheidstoestand verblijf in de tropen niet langer toe. In 1933 keerden ze voorgoed naar Nederland terug, vestigden zich in Den Haag, daarna in Noordwijk aan Zee. Van 1940 tot in 1956 woonde Maria in Arnhem, soms bij het gezin van haar dochter. In 1952 stierf haar man. Vanaf 1957 woonde ze weer in Noordwijk, maar ze verbleef geregeld maanden in Zwitserland of Italië. Al sinds lang kampend met een slechte gezondheid, stierf zij op 27 juni 1962 in het ziekenhuis Westeinde te 's-Gravenhage. In Noordwijk ligt ze begraven.

Maria Dermout is gekenschetst als een rijzige, innemende vrouw met donkere ogen en prachtige, slanke handen. Wanneer ze in de 70 is, beoefent zij nog yoga om haar geheugen te trainen. Haar toegewijde biograaf, Johan van der Woude, noemt het echtpaar Dermout 'stroef in de omgang', Maria 'enigszins hautain', maar 'ongelooflijk charmant'. Opmerkelijk is dat zij meende dat het Ambonese volk haar vijandig gezind was. Politiek was ze, volgens eigen zeggen, slecht geschoold. Ze begreep wel dat de oude koloniale verhoudingen aan het veranderen waren, maar belangstelling kon ze daar niet voor opbrengen, wel voor de verhalen die ze hoort. '... ik heb het grote voorrecht gehad, dat er altijd levende vertellers, vertelsters in mijn leven waren.' (Singel 262 (1954) 24.) Typerend is ook de uitspraak: 'of er veel geschreven is over het verschil tussen oosterlingen en westerlingen weet ik niet. Maar er is ongetwijfeld een groot, diepgaand verschil, tussen de mens levende in het Westen en diezelfde mens levende in het Oosten' (Haagse Post, 26-11-1955).

Dermoûts leven is niet spectaculair geweest. Zowel in Indië als in Nederland heeft het gestaan in het teken van haar gezin. Buiten haar huishouden heeft ze nooit een baan vervuld. Nadat zij in 1908 in het Weekblad voor Indië twee heel korte stukjes geschreven heeft, en in 1915, tijdens een verlof in Nederland, vier Molukse impressies in Het Vaderland, debuteert zij als 63-jarige met de korte roman Nog pas gisteren (1951). In het kleine meisje Riek, de hoofdpersoon, is de schrijfster zelf te herkennen. In de tien levensjaren die haar, na haar romandebuut, nog resten, blijft ze consciëntieus bezig haar aantekeningen en herinneringen, stammend uit haar Indische, vooral Molukse tijd, tot verhalen te ciseleren. Let wel: 20 tot 30 jaar na haar verblijf aldaar. In 1955 verschijnt De tienduizend dingen, als roman gepresenteerd. Eigenlijk zijn de verbindingsdraden tussen de verhalen te los om van een roman te spreken. Dermoût is ook geen romancière; zij is een vertelster van futiele gebeurtenissen, maar de sfeer die ze oproept, heeft iets etherisch. Er heerst verstild, versteend leven: ze schildert minutieus tableaux vivants. De verhalen van Dermout zijn soms ook luguber, soms sterk symbolisch, zelden vrolijk, altijd geladen met geheimzinnigheid. Er wordt geen boodschap uitgedragen. De mensen in haar vertellingen zijn 'geen probleemfiguren' en ook geen mensen van 'vlees en bloed' (Rob Nieuwenhuis, 465); ze zijn gestalten die zich in een decor bewegen. Een enkele figuur is wel naar het leven getekend: haar huisnaaister Louisa op Ambon, en Johanna Louisa van Aart, die als Mevrouw van Kleyntjes optreedt in De tienduizend dingen. Telkenmale duikt in Dermoûts boeken G.E. Rumphius op, de 17e-eeuwse 'Indische Plinius', de 'blinde ziener' die de natuurlijke historie van Ambon vrijwel volledig beschreven heeft.

Dat zovelen, ook buiten Nederland, onder de bekoring van haar boeken gekomen zijn, in de jaren vijftig en zestig, is te opmerkelijker omdat, behalve de compositie, ook de stijl heel stuntelig is. Rob Nieuwenhuis schreef: 'Het veelvuldige gebruik van verkleinwoordjes, van herhalinkjes, van weglatingen en inversies, van gedachtestreepjes en puntjes, puntjes, puntjes wijzen op een te grote esthetische bekommernis, die haar toch al wat ijle talent schaadt en die een enkele keer zelfs de indruk van steriliteit wekt - ten onrechte wellicht.' (Het Parool, 30-11-1956.) Maar een jaar na het verschijnen van Nog pas gisteren krijgt Maria Dermoût een 'extra prijs' van de Jan Campertstichting, in 1956 de Culturele Prijs van Arnhem, in 1958 de Tollensprijs. Haar boeken worden in vele talen vertaald; het Amerikaanse blad Time bestempelt De tienduizend dingen tot een van de tien beste boeken van 1958. Hoewel ze slecht kritiek verdroeg, besefte ze zelf de beperktheid van haar talent: 'Sommige mensen verwijten me, wat misschien ook wel waar is, dat ik gekunsteld schrijf. Dat komt natuurlijk omdat ik het schrijven niet werkelijk beheers.' (Van der Woude, 75.) In technisch opzicht is dat laatste zeker juist, maar hoewel ze nu weinig meer gelezen wordt, heeft ze velen weten te boeien met haar vertellingen in het trage, sfeervolle decor van de tropen.

A: Brieven van en aan haar, en aantekeningen zijn in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag.

P: Verzameld Werk (Amsterdam, 1970; 3e dr. 1982). Met bio- en bibliografie, tevens bibliografie in onder L genoemd Kritisch lexicon...

L: Rob Nieuwenhuis, Oost-Indische Spiegel (Amsterdam, 1972. 3e dr. 1978) 463-477; Johan van der Woude, Maria Dermoût. De vrouw en de schrijfster ('s-Gravenhage [etc.], 1973); Elma Drayer met biografie en kritische beschouwing, alsmede publikaties over Dermoût in Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur na 1945 (Alphen aan den Rijn [etc.], 1980) B-1 -B-2.

I: Johan van der Woude, Maria Dermoût. De vrouw en de schrijfster ('s-Gravenhage [etc.], 1973) afbeelding tegenover pagina 33 [Maria Dermoût in 1914].

P.E. van der Heijden-Rogier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013