Japikse, Nicolas (1872-1944)

 
English | Nederlands

JAPIKSE, Nicolas (1872-1944)

Japikse, Nicolas, historicus (Joure, gem. Haskerland 29-11-1872 - 's-Gravenhage 13-3-1944). Zoon van Jacobus Japikse, hoofd Franse school, en Berber (Geerts) Cath. Gehuwd op 26-7-1900 met Cornelia Japikse. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Japikse, Nicolas

Japikse studeerde, na HBS en gymnasium gevolgd te hebben, vanaf 1893 in Leiden, waar hij het geschiedenisonderwijs volgde van R.J. Fruin, P.L. Muller en P.J. Blok. Bij de laatste promoveerde hij in 1900 op De verwikkelingen tusschen de Republiek en Engeland van 1660-1665. Tot 1910 voorzag hij in zijn levensonderhoud als leraar aan verschillende scholen, eerst in Den Haag, vervolgens in Rotterdam en daarna opnieuw in Den Haag. Wetenschappelijk werk bleef hem echter bezighouden, zodat hij in 1910 aangesteld werd als onderdirecteur van het Bureau van de Commissie voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën (RGP), dat op dat moment onder leiding van H.T. Colenbrander stond. Bij diens benoeming in Leiden in 1918 promoveerde Japikse tot directeur, wat hij tot zijn pensionering in 1937 bleef en welke functie hij vanaf 1928 combineerde met de leiding van het Koninklijk Huisarchief. Daarnaast heeft hij o.a. korte tijd aan de archiefschool gedoceerd, terwijl hij bovendien van 1921 tot 1937 belast was met het afnemen van examens MO-geschiedenis. Vanaf 1912 trad hij samen met Blok en later geheel alleen op als redacteur van de Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO).

Zo was Japikses leven hoofdzakelijk gevuld met onderzoeken en publiceren. Hij is daarin buitengewoon vruchtbaar geweest. Vier categorieën zou men kunnen onderscheiden. Allereerst zijn te noemen de werken over de tijd van Johan de Witt en de stadhouder-koning: de dissertatie; vijf van de in totaal zes delen omvattende correspondentie van De Witt, uitgegeven aan de hand van excerpten uit Fruins nalatenschap (1909-1922); de vijf delen correspondentie van Willem III en H.W. Bentinck (1927-1937); en ten slotte een groot aantal artikelen en boeken over deze periode, waaronder vooral de biografieën van De Witt en Willem III opvallen. De aanstelling bij het Bureau RGP bracht een tweede specialisatie met zich, namelijk de laatste decennia van de 16e eeuw. Hier is vooral te wijzen op de indrukwekkende reeks Resolutiën der Staten Generaal, vanaf hun eerste bijeenkomst in 1576 tot 1609, een van de belangrijkste initiatieven uit de beginfase van de RGP. Japikse is in staat geweest elf delen te verzorgen (1915-1941) en bracht de onderneming daarmee tot het jaar 1601.

In zijn eigen bijdragen aan de geschiedschrijving over de vaderlandse geschiedenis van de 16e en 17e eeuw doet Japikse zich kennen als een typisch vertegenwoordiger van de Leidse school en een echte leerling van Blok. De toon van zijn werk is nationalistisch, zijn object zoekt hij bij voorkeur in grote persoonlijkheden. Zo kan hij met evenveel sympathie over Johan de Witt als over diens tegenstander Willem III schrijven. Naarmate de jaren vorderen, gaat het orangisme de boventoon voeren. In het maatschappelijk leven lopen zijn optreden als leraar van prinses Juliana, zijn aanstelling aan het Koninklijk Huisarchief en zijn contacten in hofkringen hiermee parallel. Zijn regelmatig optreden als spreker voor leger-, vloot-, officieren en onderofficierenverenigingen en zijn verbinding met de Vereeniging voor Nationale Veiligheid, die zich in de jaren dertig de versterking van de defensie ten doel stelde, getuigen van dezelfde nationaal-conservatieve houding. Bovendien betrekt Japikse in zijn geschiedschrijving bijna uitsluitend het politieke niveau, waarbij hij de invloed van de internationale verhoudingen op de binnenlandse politiek sterk benadrukt. Zijn afwijzing van de Groot-Nederlandse opvattingen van P.C.A. Geyl zijn al even tekenend voor de Leidse traditie.

Globaal gesproken gaan deze kenmerken eveneens op voor een derde groep publikaties, een aantal voor het onderwijs geschreven leerboeken. Zo publiceerde Japikse voor het middelbaar onderwijs overzichten van de algemene en Nederlandse geschiedenis. Met A.S. de Blécourt stelde hij een bronnenboek samen, waarin een vijftigtal ordonnantiën en plakkaten uit de 14e tot 18e eeuw waren opgenomen. Bovenal dankt hij zijn bekendheid op dit punt echter aan zijn aandeel in het Handboek tot de staatkundige geschiedenis van Nederland, dat hij samen met I.H. Gosses schreef en waarin hij de geschiedenis van 1568 tot in de 20e eeuw behandelde. Het boek werd zowel aan de universiteiten als daarbuiten intensief gebruikt.

Op betrekkelijk nieuw gebied waagde Japikse zich door het beoefenen van de contemporaine geschiedenis; hierin waren zijn Leidse leraren hem niet voorgegaan. Het waren vooral de schok van het uitbreken van de wereldoorlog in 1914 en zijn ongeloof aan de Duitse 'Alleinschuld' die hem tot dit specialisme en daarmee tot heel wat publikaties over de nieuwste Nederlandse en algemene geschiedenis brachten. Zo liet hij in de reeks van het Nederlandsch Comité tot onderzoek van de oorzaken van den wereldoorlog (1924 - 1937), dat onder zijn leiding stond, monografieën verschijnen over de internationale verhoudingen in de tijd van Bismarck en over de julicrisis 1914. Bijzondere openheid en aandacht voor het Duitse standpunt in het historiografisch debat over de 'Kriegsschuldfrage' waren kenmerkend voor zijn benadering. Deze soms enigszins pro-Duits geachte benadering rechtvaardigt echter over het algemeen niet de beschuldiging van partijdigheid aan het adres van Japikse en het Comité, zoals o.a. door Jan Romein enkele malen geuit. Waarschijnlijk speelde hierin een rol dat o.a. in enkele recensies in de BVGO in bezettingstijd gebleken was dat Japikse aanvankelijk een zekere voorzichtige welwillendheid ten opzichte van Duitse publikaties had doen blijken die een nationaal-socialistische inslag hadden, en bijzonder fel had uitgepakt tegen Johan Brouwers fictieve historische publikatie Philips Willem (Zutphen, 1940), die hij aanvankelijk als een historisch-wetenschappelijke studie had gelezen. Dat Japikse overigens spoedig van zijn aanvankelijke welwillendheid genas - een schoonzoon kwam tijdens de bezetting om - werd daarbij na de bevrijding wel eens vergeten.

Als persoon moet Japikse niet steeds even gemakkelijk in de omgang geweest zijn. Evenmin was hij in staat de werkverhoudingen in zijn omgeving steeds ten goede te beïnvloeden. Het duidelijkst bleek dit in de gênante ruzies, die decennia-lang om de RGP-editie van de papieren van Groen van Prinsterer woedden en die in 1936 tot een tijdelijke opheffing leidden van de Commissie, onder wier toezicht het RGP-Bureau werkte. Tegen de onscrupuleuze drijver F.C. Gerretson was Japikse niet opgewassen. Voor een deel is de verklaring voor de vele fricties wel te zoeken in Japikses teleurstelling over onvervuld gebleven ambities. Vooral de omstandigheid dat niet hij, maar Colenbrander in 1925 de opvolger van Blok in Leiden werd, heeft hem bitter gestemd. Ondanks dit alles kan vastgesteld worden dat Japikse in zijn tijd gold als een vooraanstaand vertegenwoordiger van de Leidse school. Als een van de weinige Nederlandse historici was hij in de jaren twintig in Duitsland goed bekend; verschillende artikelen en boeken verschenen oorspronkelijk of in vertaling in het Duits. Zijn betekenis voor de ontwikkeling van de geschiedschrijving in Nederland lijkt thans echter minder te liggen in de door hemzelf geschreven monografieën en handboeken op het terrein van de vaderlandse geschiedenis als wel in de reeks omvangrijke bronnenedities, die blijvend van zijn toewijding en eruditie getuigen. Daarnaast heeft hij met succes de mogelijkheden en beperkingen van een wetenschappelijke beoefening van de contemporaine geschiedenis geëxploreerd.

A: Collectie-Japikse (correspondentie, lezingen) in de Koninklijke Bibliotheek (KB) te 's-Gravenhage. Kleine archiefdelen bij de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis en in het Algemeen Rijksarchief, eveneens te 's-Gravenhage.

P: Vrijwel volledige bibliografie, samengest. door N.M. Japikse, berust in de vorm van een typoscript in de onder A genoemde collectie in de KB. Sterk geselecteerde bibliografie opgenomen achter het Levensbericht door Van Schelven, zie L.

L: 'Nicolaas Japikse', in Die Geschichtswissenschaft der Gegenwart in Selbstdarstellungen. Hrsg. von S. Steinberg (Leipzig, 1926) II, 133-167 (autobiografie); A. Goslinga, 'Dr. Japikse's indeeling onzer geschiedenis sinds 1568', in BVGO 6e reeks. Deel VIII (1929) 101-114; A.A. van Schelven, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1943-1945, 128-137; G.H.J.M. Olthof, 'Contemporaine geschiedbeoefening in Nederland tijdens het interbellum. Het 'Nederlandsch Comité tot onderzoek van de oorzaken van den wereldoorlog' (1924-1937)', in Theoretische Geschiedenis 10 (1983) 356-382; K. Kooijmans en J.P. de Valk, 'Eene dienende onderneming. De Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis en haar Bureau 1902 - 1968', in Bron en publikatie [red. K. Kooijmans et al.] ('s-Gravenhage, 1985) 203-283, vooral 233-252.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 745.

P. Luykx


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013