Jong, Frits Jacob de (1918-1976)

 
English | Nederlands

JONG, Frits Jacob de (1918-1976)

Jong, Frits Jacob de, hoogleraar economie (Kediri, Oost-Java (Ned.-Indië) 7-5-1918 - Parijs (Frankrijk) 19-11-1976). Zoon van Cornelis Gijsbert Eliza de Jong, resident, en Jacoba Luberta Maartje de Jong. Gehuwd op 25-5-1944 met Martha Johanna Noordhoff. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren. afbeelding van Jong, Frits Jacob de

Na de lagere school op Java en een gymnasiale opleiding, in 1937 afgesloten met het eindexamen-B te Haarlem, volgde De Jong de studie economie aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool, later Nederlandsche Economische Hoogeschool te Rotterdam, waar hij in 1947 doctoraal aflegde. In de bezettingstijd en ook na zijn studie trad hij op als repetitor.

In 1949 volgde een benoeming tot lector in de economie, inzonderheid de leer van het geld- en bankwezen en de conjunctuurleer, aan de pas opgerichte economische faculteit van de Rijksuniversiteit te Groningen, aanvaard met de openbare les 'Over de betekenis van het begrip rationeel handelen in de economie', gepubliceerd in De Economist 97 (1949) 465-484. In 1951 promoveerde hij te Rotterdam bij prof. H.W. Lambers op Het systeem van de marktvormen (Leiden, 1951). In 1956 werd het lectoraat aan dezelfde Groninger faculteit omgezet in een tot aan zijn overlijden uitgeoefend gewoon hoogleraarschap.

De Jong bepaalde zich bijna uitsluitend tot wetenschappelijke arbeid en doceren. Hij toonde slechts bij uitzondering belangstelling voor empirische economie en voor economisch-politieke vraagstukken, maar was en bleef vooral een beoefenaar van de pure theorie. Overigens nam hij wel zijn deel in facultaire en universitaire bestuurstaken en zat hij van 1953 tot 1965 voor de Partij van de Arbeid in de Groningse gemeenteraad. Hij ontplooide een uitgebreide en langdurige publicistische werkzaamheid, die al in de studententijd aanving. Dit kreeg vorm in enkele boeken en in vele artikelen in De Economist, Economisch-Statistische Berichten en Maandschrift Economie - vooral het eerste tijdschrift - alsmede in buitenlandse periodieken. Als scherpzinnig analyticus en meester in het abstract redeneren verwierf hij zich onder de Nederlandse economen een vooraanstaande positie, die blijkens vele contacten met buitenlandse economen, deelneming aan congressen en veelvuldige buitenlandse gastvoordrachten, onder andere in België en Frankrijk, ook internationaal erkenning vond. In 1965 werd hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en in 1970 eredoctor aan de Gentse universiteit. In 1970/1971 was hij gasthoogleraar aan de Florida State University in de Verenigde Staten. Van belang was tevens zijn werk voor De Economist: sinds 1959 als redactielid en vanaf 1973 in de functie van redacteur-secretaris. Niet in de laatste plaats door zijn toedoen kreeg dit tijdschrift een internationale oriëntatie en werd het Engelstalig.

Als docent was hij toegewijd en secuur en vergde hij van de student een precisie die ook zijn eigen werk kenmerkte. Hij begeleidde weinig, maar wel goede promovendi tot de dissertatie. Onder hen vallen de latere Groningse hoogleraar S.K. Kuipers en W.F. Duisenberg, die president van De Nederlandsche Bank zou worden, op. Intussen vond De Jong ook nog tijd voor bijdragen voor het onderwijs in de economie, getuige het veel gebruikte en driemaal herziene leerboek De werking van een volkshuishouding. Een eerste inleiding tot het economisch denken (Leiden, 1953-1954. 2 dl.) en publikaties in het Tijdschrift voor het economisch onderwijs.

In wetenschappelijk opzicht ging zijn aandacht vooral uit naar de strenge, deductieve systematiek van conceptuele en taxonomische systemen - het formaliseren van begrippenstelsels - , waartoe hij met zijn analytische denkwijze bijzonder was toegerust. Deze belangstelling bleek al in de dissertatie. Daarin gaf hij een volledige classificatie, gegoten in de vorm van een gesloten systeem, van de marktvormen, waarvan hij er 81 onderscheidde. Hij ontwierp daartoe tevens een eigen nomenclatuur. In de jaren '50 verschoof zijn aandacht naar de macro-economie, en wel het geldtheoretische vraagstuk van het monetaire evenwicht. Hierbij gaat het om de kwestie van een zodanige geldvoorziening dat het economisch proces vanuit de geldzijde geen storing ondervindt. De theoretische voorwaarden van dat evenwicht vroegen om een nadere precisering, en daarop richtte De Jong zich. Hiertoe knoopte hij aan bij een klassieke publikatie uit 1933 van de hoogleraar J.G. Koopmans over het probleem van de neutraliteit van het geld en bij de naoorlogse monetaire dissertaties van M.W. Holtrop en J. Zijlstra. Tevens voerde hij in dit verband discussie met de internationaal bekende economen R.G. Hawtrey, D.H. Robertson en Don Patinkin. De voornaamste bijdragen van De Jong op dit terrein zijn gebundeld in Developments of monetary theory m the Netherlands ([Rotterdam], 1973), waarmee aan buitenlanders tevens een inzicht in het monetaire denken ten onzent wordt geboden.

De Jongs neiging tot volledige en fijnvertakte -overigens soms wel wat ver doorgevoerde - doordenking van vraagstukken schonk aan zijn bijdragen tot de theorie der marktvormen en die van het monetaire evenwicht een bijzondere waarde. Hij toonde zijn fort ook in een andere bijdrage van zijn hand, die tevens van internationale betekenis was, namelijk 'De dimensieanalyse in de economie', eerst in een speciaal nummer van De Economist 110 (1962) 1 - 206, en later in Dimensional analysisfor economists (Amsterdam, 1967). In deze analyse ontwikkelde De Jong een aan de natuurkundige en technische wetenschappen ontleende wiskundige methode om de dimensies waarmee in functionele vergelijkingen grootheden - zoals voorraden, stromen en snelheden - worden uitgedrukt, van onzuiverheden te ontdoen; aan zulke dimensies dient de eis van homogeniteit te worden gesteld.

Daarnaast heeft De Jong zich bemoeid met methodologische aangelegenheden, namelijk de afbakening tussen de wetenschap der economie enerzijds en anderzijds gebieden als sociologie en psychologie, alsook tussen economie en ethiek. De economie dient zich tot de specifieke economische data te beperken; zij is een wetenschap die zijns-, en geen waardeoordelen uitspreekt. Wel bewerkte De Jong een, mede op een collegedictaat van de Rotterdamse hoogleraar wijsbegeerte W. Leendertz gebaseerd, leerboek ethiek: Leendertz/ De Jong, Beknopte inleiding tot de ethiek (Deventer, [1974]).

De Jong overleed onverwacht tijdens een economenconferentie te Parijs. Als persoon kenmerkte hij zich door ijver en door een nauwgezetheid, die zich ook uitte in de stijl en vormgeving van zijn publikaties. Hij was gesteld op vaste regels en gewoonten en op stijl en decorum. Zonder onverdraagzaam te zijn toonde hij een zekere vasthoudendheid en rechtlijnigheid. In zijn persoonlijke overtuiging was hij een doorleefd christen, maar ook vrij metselaar. Zijn liefhebberij was muziek: hij speelde piano, dirigeerde en componeerde. Zijn culturele hobby combineerde hij met zijn vakkennis door in 1948 in de Economisch-Statistische Berichten over de financiële toestand van de symfonieorkesten te schrijven.

P: Bibliografie in onder L genoemd In memoriam... .

L: P. Hennipman, in De Economist 124 (1976) 387-393; J. Pen, in Jaarboek Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1976, 213-217; In memoriam professor Frits J. de Jong [door F. Hartog] (Leiden, 1977). Aanwezig in UB Groningen.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1976 (Amsterdam 1977) afbeelding tegenover pagina 213.

A.C.A.M. Bots


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013