Jong van Beek en Donk, jhr. Johan Jan Fran├žois de (1834-1890)

 
English | Nederlands

JONG VAN BEEK EN DONK, jhr. Johan Jan François de (1834-1890)

Jong van Beek en Donk, jhr. Johan Jan François de, jurist (Stratum, gem. Eindhoven 6-7-1834 - Hintham, gem. Rosmalen 29-6-1890). Zoon van jhr. Jan Olphert de Jong van Beek en Donk, jurist en politicus, en Wilhelmina Josephine Eleonore d'Aumerie. Gehuwd op 6-3-1863 met Anna Cecile Wilhelmine Jeannette Jacqueline Nahuijs. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

De Jong stamde uit een Oostbrabants geslacht van protestantse bestuursambtenaren, die zich sedert het midden van de achttiende eeuw Heer van Beek en Donk en Frisselstein mochten noemen. In 1831 werd grootvader Johannes, erf secretaris van Veghel en Erp en lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, in de adelstand verheven. Het bouwvallige kasteel Frisselstein te Veghel was in 1810 gesloopt; het Huis te Beek en Donk werd tot 1886 bewoond door Johans vader, oud-president van het Provinciaal Gerechtshof te Utrecht en lid van de Tweede Kamer; in 1895 zou Johans zoon er zijn intrek nemen.

Zelf bewoonde De Jong vanuit 1878 tot zijn dood de Annastate te Hintham. Toen hij zich in 1852 als rechtenstudent liet inschrijven aan de hogeschool van zijn woonplaats Utrecht, werd hij weldra kind aan huis bij de hoogleraar G.W. Vreede, die hem aanzette tot bestudering van de geschiedenis van het gewest waarmee zijn familie zulke nauwe banden had gehad. Op 4 juli 1857 verdedigde hij bij hem zijn proefschrift, getiteld: Bijdrage tot de geschiedenis van den raad en leenhove van Brabant en landen van Overmaze (1591 -1795) (Utrecht, 1857). Deze knap en helder geschreven verhandeling is de enige van De Jongs publikaties die niet in de vergetelheid is geraakt. Bij het schrijven ervan heeft hij rijkelijk kunnen putten uit Vreedes bibliotheek, maar ook uit het eigen familiearchief, dat thans berust in het Rijksarchief te Noord-Brabant. Ten gevolge van zijn plotselinge dood zijn Johans eigen bescheiden niet in het archief terechtgekomen. Hoezeer de gemeenschappelijke belangstelling voor Brabants verleden hem ook aan zijn leermeester bond, verflauwden toch spoedig de contacten wegens verschil van inzicht aangaande de actuele controverse tussen katholieken en protestanten. Vreede had al een rol gespeeld in het Groot-protestants verzet tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853); De Jong daarentegen, die in zijn proefschrift al voorzichtig kritiek had geuit op het Generaliteitsbewind, waarover de Brabanders nog steeds verbitterd waren, stond, evenals zijn vader, op het standpunt dat de beginselen van 1848 onverkort op de katholieken moesten worden toegepast. Zijn liberale overtuiging bleek onomwonden in een artikel over militair recht dat in 1860 in het juristentijdschrift Themis verscheen.

Na zijn promotie werd De Jong substituut-griffier aan de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch. In 1861 werd hij substituut-officier te Alkmaar, in 1866 officier van justitie te Brielle, in 1869 advocaat-generaal te Zwolle en in 1878 procureur-generaal aan het Provinciaal Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als jurist genoot hij een zekere faam. Het Tijdschrift voor Strafrecht publiceerde zijn rede, in september 1886 ter gelegenheid van de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht voor het Bossche Hof gehouden, waarin hij een lans brak voor de eigen Nederlandse rechtsgeleerde traditie en waarschuwde tegen kritiekloos aanleunen bij de Duitse strafrechtspleging. Bekendheid kreeg hij ook door zijn pleidooi, in hetzelfde jaar, voor het verstrekken van vuurwapens aan gemeentelijke politiefunctionarissen.

Niet op rechtshistorisch of juridisch gebied echter ligt de voornaamste activiteit van De Jong, waarvoor hij eigenlijk een blijvende plaats in de Nederlandse geschiedenis verdient. Naast zijn werkzaamheden in de magistratuur heeft hij, vooral in de periode 1863 - 1880, tijdens discussiebijeenkomsten, als spreker op congressen, door het schrijven van een aantal brochures maar vooral als initiatiefnemer tot enige comités, het arbeidersvraagstuk onder de aandacht gebracht van de liberale intellectuelen. Verheffing van de werkman door beter en vakgericht onderwijs, bestrijding van misstanden op het gebied van huisvesting en werkklimaat, opvoeding van de arbeidersjeugd door het instellen van leerplicht en verbod op kinderarbeid waren de programmapunten, die hij ten dele ontleende aan geschriften van de Duitse kathedersocialisten en voor een deel in de omringende landen, vooral België, in praktijk had zien brengen. Om zijn doel te bereiken heeft De Jong bewust gekozen voor buitenparlementaire samenwerkingsverbanden tussen notabelen en werklieden. In politiek opzicht stond hij tussen progressief-liberalen en radicalen, maar liefst hield hij zich verre van strikt staatkundige kwesties. Als paternalist met een eenvoudige levensstijl wilde hij een gids zijn voor de voormannen van de vakverenigingen en hij heeft aanwijsbaar invloed gehad op de kaders van het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV), al zou hij zich blijvend tegen de invoering van algemeen kiesrecht verzetten.

In 1863 werd hij lid van de Vereeniging van de Statistiek in Nederland. Nadat een eerdere poging in 1864 was mislukt, kreeg hij tijdens een discussiebijeenkomst van de Vereeniging in april 1866 te Amsterdam gedaan dat een commissie werd ingesteld die door middel van enquêtes bouwstoffen zou verzamelen om de toestand van de arbeidende klasse te kenschetsen. In zijn brochure Zijn wij practische Philanthropen? (Utrecht, 1869) klaagde hij dat die commissie nog steeds geen cijfers op tafel had kunnen brengen. Opnieuw drong hij aan op enquêtes, ditmaal vooral toegespitst op verbetering van het nijverheidsonderwijs. Hij had geen goed woord over voor de toen gehouden kamerdebatten over het onderwijs; in plaats van zweverige debatten over neutrale scholen wilde hij praktische oplossingen. Inmiddels had hij in 1868 in Brielle een afdeling opgericht van het Anti-Dagbladzegel Verbond, dat steun verdiende om de zelfontplooiing van de arbeiders te bevorderen. De oprichting van de Eerste Internationale in 1869 was voor hem aanleiding tot nieuwe actie. Op 26 mei 1870 nam hij het initiatief tot oprichting van een 'Comité ter bespreking van de sociale kwestie', maar zijn idee om ook werklieden daarin op te nemen stuitte aanvankelijk op verzet. Pas op 30 oktober van dat jaar kwam het Comité van de grond, met De Jong als voorzitter van de toenmalige Zutphense HBS-leraar B.H. Pekelharing als secretaris. Er werden tweemaal per jaar discussiebijeenkomsten georganiseerd over onderwerpen als kinderarbeid, algemene leerplicht en algemeen stemrecht. De vergaderingen werden goed bezocht, vooral door werklieden, en ze gaven de aanzet tot de eerste prille sociale wetgeving in Nederland. Hoe sterk hij zich van de oude liberale beginselen had gedistantieerd, toonde De Jong in zijn geschrift De val der Julij-monarchie. Sociaal-politische schets (Utrecht, 1874). De revolutie van 1848 schreef hij toe aan het falen van zijn 'leermeester' Guizot, die de kloof tussen bourgeoisie en volk had vergroot en onnodig voedsel had gegeven aan ongeloof, socialistische en communistische ideeën. Toen echter in april 1879 een meerderheid van de vergadering zich schaarde achter het voorstel van Pekelharing over te gaan tot oprichting van het Comité voor Algemeen Kiesrecht haakte hij af en verdween van het toneel. Zijn Comité werd in juni 1880 formeel opgeheven.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken: 'Iets over ons Militair Regt', in Themis. Regtskundig Tijdschrift. 2e verz. 7e dl. (1860) 470-486; 'Een opwekking tot zelfstandige uitlegging van ons nieuw Wetboek van Strafregt', in Tijdschrift voor Strafrecht 1 (1886-1887) 129-138.

L: Weekblad van het Recht 52 (1890) nr. 5887.4; B.H. Pekelharing, 'Herinneringen aan een tweetal comités', in Vragen des Tijds 21 (1895) II, 354-381; C.W. de Vries en R.A. Gorter, 'Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche sociale wetgeving (1840- 1874)', in De Economist (1919) 325-334; I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw 1813 -1870 8e dr. (Utrecht [etc., 1971]); Th. van Tijn, 'De tweede fase van de economische groei, 1868-1875', in Algemene Geschiedenis der Nederlanden (Haarlem, 1977) XII, 154-166; G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872 - 1901 (Den Haag, 1980).

A.W.F.M. van de Sande


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013