Knuttel, Gerhardus (1851-1932)

KNUTTEL, Gerhardus (1851-1932)

Knuttel, Gerhardus, scheikundig ingenieur en eerste personeelchef in Nederland (Oegstgeest 22-7-1851 - 's-Gravenhage 10-3-1932). Zoon van Daniël Knuttel, Ned. Herv. predikant, en Elisabeth Cornelia Fabius. Gehuwd op 21-4-1877 met Marie Therèse Anne Wilhelmine Adolphine Schagen van Leeuwen. Uit dit huwelijk werden, behalve één jong overleden dochter, 2 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Knuttel, Gerhardus

Knuttel volgde lager onderwijs te Maassluis en middelbaar aan de HBS te Delft. In 1870 werd hij student aan de Polytechnische School aldaar om in 1873 het diploma van technoloog te behalen. Hij sloot zich vervolgens aan bij de Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs en verwierf in dat zelfde jaar van de directeur van de in 1869 te Delft opgerichte Nederlandsche Gist- & Spiritusfabriek NV, J.C. van Marken, van wie Knuttel een zes jaar jongere achterneefwas, toestemming om als volontair in zijn bedrijf werkzaam te zijn. Hij kreeg daar de beschikking over een zeer bescheiden laboratorium. Door gesprekken met de toen 39 in vaste dienst zijnde personeelsleden kreeg Knuttel voor het eerst enig inzicht in het denken en gevoelen van de arbeidersbevolking, maar moest hij ook ontdekken dat Van Marken geen gemakkelijke chef was om mee samen te werken. Van de oprichting van de fabriek af streefde deze ernaar het personeelsbeleid een zelfde plaats in de onderneming toe te kennen als aan organisatie, financiering, produktie en verkoop. In de winter in 1879/ 1880 veroorzaakte de zeer strenge vorst noodtoestanden onder de Delftse burgerij. Toen uit deze laatste een Wintersnood-Commissie was opgericht en het uitvoerend comité werd gevormd, waarvan J.C. van Marken, A. Kerdijk en G. Knuttel deel uitmaakten, ontdekte de eerstgenoemde onvermoede kwaliteiten in zijn volontair. Hij nodigde daarop Knuttel uit hem in vaste dienst bij te staan in de opbouw en uitbreiding van het sociale beleid in de fabriek. Beginnend met een wekelijks spreekuur voor het personeel, groeiden Knuttels bemoeiingen al spoedig uit tot een volledige functie. In 1880 richtte Van Marken daarop een 'Afdeeling Belangen van het Personeel' op - de eerste in Nederland -, waarvan hij Knuttel aan het hoofd plaatste. Diens chemische werkzaamheden namen gelijktijdig een einde. In 1883 werd mejuffrouw Marie Kruseman hem aanvankelijk als administratieve kracht toegevoegd, doch al spoedig hield zij zich ook met allerlei maatschappelijk werk onder het personeel bezig.

Samen met Knuttel en mejuffrouw Kruseman bracht Van Marken zijn sociaal beleid van de grond. In een tijd waarin daarvan in Nederland nog geen sprake was en ook de overheid er nog niet aan dacht zich op het terrein van arbeids- en sociaal verzekeringsrecht te bewegen, schonk Van Marken al aandacht aan de verbetering van het basis- en het vakonderwijs, aan lonen en arbeidsduur, aan ongevallen- en ziektegeld, personeels-vertegenwoordiging, ouderdoms-, weduwen- en wezenvoorzieningen, veiligheid en hygiënische maatregelen, woningbouw, maar ook aan de besteding van het gezinsbudget, aan sparen en ontspanning. Toen Van Marken in 1883 de Nederlandsche Oliefabriek NV, in 1885 de Lijm- & Gelatinefabriek en in 1891 Van Markens Drukkerij Vennootschap oprichtte, voerde hij daar hetzelfde sociale beleid in en kreeg Knuttel ook in die bedrijven de leiding op dat gebied. Nadat Van Marken in 1906 was overleden zetten zijn opvolgers zijn beleid voort. Knuttel bleef tot 1920 in dezelfde functies werkzaam.

Ook buiten het fabriekshek was hij op vele terreinen actief: in de sociaal-economische geschiedenis van ons land van 1880 tot 1920 komt zijn naam herhaaldelijk naar voren. Knuttel heeft nog meegemaakt hoe zijn met Van Marken verrichte pioniersarbeid in Nederland gemeengoed is geworden. Daartoe droegen o.a. bij de van 1899 tot 1924 werkzame Vereeniging Centraal Bureau voor Sociale Adviezen te Amsterdam en de in 1920 door de Vereeniging van Nederlandsche Werkgevers opgerichte 'Sociale Kring', welke beide organisaties van Knuttels ervaring - ook na zijn pensionering - hebben geprofiteerd. Ook beleefde hij hoe de overheid al spoedig haar eerste schreden zette op het terrein van arbeids- en sociale verzekeringswetgeving. De belangstelling die de sociale instellingen van 'De Delftsche Nijverheid' ook over de grenzen trokken, maakte dat Knuttels naam daar eveneens een bekende klank had.

Door zijn karaktereigenschappen, zijn brede belangstelling, zijn mensen- en groeiende vakkennis, zijn organisatietalent en grote werkkracht heeft Knuttel gestalte gegeven aan de moeilijke positie van de personeelchef tussen werkgever en werknemers. In de in 1893 door Van Marken geschreven profielschets van de functie van 'Sociale ingenieurs' zijn de wezenstrekken van Knuttels arbeid terug te vinden. Knuttel was wel ter tale - al zal de opbouw, woordkeuze en voordracht van zijn toespraken menig hoorder eraan hebben herinnerd dat zijn wieg in een pastorie had gestaan. Overigens had Knuttels persoonlijke godsdienstige belangstelling zich geleidelijk aan beperkt tot een formeel lidmaatschap van de Remonstrantse Broederschap. Hij was niet alleen een goed verteller, maar ook een leesbaar schrijver. Talloos zijn de met 'Kn.' gesigneerde artikelen in het sedert 1882 verschijnende ondernemingsorgaan De Fabrieksbode. Zijn vele daarvan weliswaar als 'droog' te kwalificeren, geheel anders is dat met zijn in 1910, voor eigen verantwoordelijkheid gepubliceerde, in brochurevorm uitgegeven Herinneringen (Delft, 1910). Daarin komt zijn gevoel voor humor tot zijn recht en zijn vermogen om afstand te nemen van eigen persoon en werk. Zijn gave om te relativeren kwam hem goed van pas in zijn dagelijkse omgang met 19e-eeuwse industriële potentaten en omstandigheden. In zijn toespraken en artikelen maakt hij wel eens de indruk van onderdanig te zijn, maar juister is het hem te kenschetsen als een bescheiden man, die zijn plaats kende en de tact opbracht zijn medemens ruimte te gunnen en in waarde te laten. Gold deze instelling met betrekking tot zijn meerderen, niet anders was zij ten aanzien van zijn collega' s en het uitvoerend personeel. Hoezeer 'rooie Gerrit' - een kwalificatie die te maken had met zijn rosblonde haarkleur - of 'ome Gerrit', zoals zijn bijnamen in de fabriek luidden, werd gewaardeerd, blijkt uit de toespraken die uit alle rangen tot hem zijn gehouden ter gelegenheid van zijn dienstjubilea en afscheid. Na zeven jaren als volontair en 40 jaren in vaste dienst te zijn geweest bij de Delftse industrie nam Knuttel op 3 januari 1921 afscheid van zijn werkkring. Hij vestigde zich te 's-Gravenhage, waar hij ruim tien jaar later overleed.

A: Archief van de Nederlandsche Gist- & Spiritusfabriek NV te Delft; archief-dr. J.A.N. Knuttel (zoon van G. Knuttel): ms. 'Levensloop, autobiografie 1878-1958', in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Artikelen in De Fabrieksbode, 1882-1921, passim; 'J.C. van Marken †', in Concordia. Zeitschrift der Centralstelle für Arbeiterwohlfahrtsemrichtungen (1906) 15 (1 augustus) 209-213.

L: De Fabrieksbode, 1882-1932, passim; J. Post, Musterstätten persönlicher Fürsorge von Arbeitgebern für ihre Geschäftsangehörigen (Berlijn, 1889-1893. 2 dl.) passim; J.C. van Marken, 'Sociale ingenieurs', in Uit het fabrieksleven (Delft, [1909]) III, 312-329; G.F. Evelein, 'Industrial Welfare Work in Holland', in De Naamlooze Vennootschap 1 (1922-1923) 214-217; 243-246; [Red.], in De Ingenieur 46 (1931) A 287; W. de Vries Wzn., De totstandkoming van de Ongevallenwet 1901 (Deventer, 1970) passim.

I: De Ingenieur 46 (1931) A 287.

W. de Vries Wzn.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013