Koch, Daniël Marcellus George (1881-1960)

 
English | Nederlands

KOCH, Daniël Marcellus George (1881-1960)

Koch, Daniël Marcellus George, publicist (Woudsend 1-10-1881 - Zeist 25-2-1960). Zoon van Johan Anthon Koch, geneesheer, en Pietronella Helena Cornelia de Swart. Gehuwd op 15-5-1909 met Henriette Gezina Petronella Balkstra. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (10-9-1944) gehuwd op 12-4-1946 met Antje Weeder. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Koch, Daniël Marcellus George

Marcel Koch bracht zijn kinderjaren door in het Friese Woudsend, waar zijn vader een dokterspraktijk bezat en zich daarnaast een reputatie opbouwde als lenzenslijper. Naderhand verhuisde het gezin achtereenvolgens naar Lochern, waar Marcel de mulo bezocht, en Utrecht, waar hij het HBS-diploma behaalde. In 1901 liet hij zich inschrijven aan de Polytechnische School te Delft. Een civiel en bouwkundig ingenieur is hij echter niet geworden. Zijn aandacht ging meer uit naar maatschappelijke vraagstukken, die hij vanuit een marxistische invalshoek leerde bezien. Als student werd hij actief in de Sociaal-Democratische Propagandaclub, terwijl hij ten tijde van de spoorwegstakingen in 1903 voor de actieleiders enkele hand- en spandiensten verrichtte. In diezelfde jaren ontplooide hij zijn eerste journalistieke activiteiten. Een hoogtepunt daarin was voor hem dat een van zijn beschouwingen over het socialisme onder de titel 'Historisch-Materialisme' geplaatst werd als hoofdartikel in het weekblad De Kroniek van 17-3-1906, dat geredigeerd werd door de door hem zeer bewonderde P.L. Tak.

Met dit alles had de jonge Koch nu meer inzicht gekregen in zijn mogelijkheden en persoonlijke voorkeuren. Daaruit is evenwel nog niet verklaard wat hem ertoe heeft gebracht om in 1907 scheep te gaan naar Nederlands-Indië. Zelf spreekt hij in zijn memoires in dit verband wat cryptisch over 'decepties'. Dat klinkt zeker niet als een positieve keus voor een leven onder de tropenzon. Hoe dat ook zij, in Indië kon hij al dadelijk aan de slag als journalist bij Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, waar hij het evenwel slechts enkele maanden uithield. Dat vormde de opmaat tot een uiterst wisselvallige Indische loopbaan. Tussen 1907 en 1912 was hij achtereenvolgens werkzaam bij drie verschillende bladen in Batavia en Soerabaja en deed hij tot tweemaal toe een poging, zelfstandig een weekblad uit te geven. Bij twee van deze dienstbetrekkingen vloog hij eruit wegens onmin - of zelfs slaande ruzie - met zijn superieuren, terwijl in het derde geval de desbetreffende hoofdredacteur hem zijn congé gaf onder de mededeling, dat hij 'te ernstig en niet vluchtig genoeg' was voor de journalistiek. Diezelfde eigenschap maakte dat zijn beide weekbladen te weinig lezers trokken om levensvatbaar te zijn.

Meer succes had hij in de jaren tussen 1912 en 1922, waarin hij achtereenvolgens optrad als secretaris van de Handelsvereeniging te Semarang, als referendaris bij het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel te Buitenzorg, als hoofdredacteur van De Nieuwe Courant te Semarang en ten slotte weer als ambtenaar in Buitenzorg. Zijn ambtelijke betrekkingen boden hem volop gelegenheid tot een grondiger bestudering van tal van sociaal-economische vraagstukken. De door hem gevoelde behoefte aan een breder forum leidde, in 1916, tot de oprichting van de Indische vereeniging tot studie van koloniaal-maatschappelijke vraagstukken. Veruit de belangrijkste prestatie daarvan was de uitgifte van het tijdschrift Koloniale Studiën, waarin actuele vraagstukken op doorgaans degelijk wetenschappelijke wijze werden behandeld. Vanaf het eerste verschijnen in 1916 tot aan het einde in 1942 is Koch als secretaris-redacteur een van de drijvende krachten geweest achter dit belangrijke blad.

Intussen had Koch voldoende gepresteerd om het zich in 1919 te kunnen veroorloven, voor de dag te komen met een verzamelbundel van zijn eerder gepubliceerde opstellen over Indisch koloniale vraagstukken. In deze studies toonde hij zich uiterst kritisch ten aanzien van de koloniale verhouding, die z.i. een juiste behartiging van de belangen van de inheemse bevolking in de weg stond. Tegenover de stellingen van de voormannen van de suikerindustrie dat hun bedrijf meer geld onder de bevolking bracht dan zij zich op eigen kracht zou kunnen verwerven, hield hij staande dat hun aanwezigheid de Javanen juist belette creatieve initiatieven te ontwikkelen die pasten bij hun ontwikkelingsfase. Overigens was hij, als aanhanger van de marxistische ontwikkelingsleer, van mening dat alleen de opkomst van een inheems kapitalisme een einde kon (en mocht) maken aan de Westerse overheersing. Over de staatkundige vormen die dan zouden ontstaan, had hij zich nog geen voorstelling gevormd. Het door enkele voormannen van 'de Inlandsche beweging' toen voor het eerst naar voren gebrachte denkbeeld van een geheel Nederlands-Indië omvattende nationale staat werd in ieder geval door hem nog als een ijle hersenschim verworpen.

Met deze denkbeelden, waarin geen van de bestaande belangengroepen zich geheel konden vinden, nam Koch een eenzame positie in. Binnen de Indische Sociaal-Democratische Vereeniging, die sterk onder de invloed stond van radicalen als H.J.F.M. Sneevliet en A. Baars, moest men in ieder geval niet veel van hem hebben. Dat werd er niet beter op nadat hij als hoofdredacteur van De Nieuwe Courant een stakingsactie van het Indonesische personeel van deze krant met krachtige hand had onderdrukt. Toen hij kort daarop, in 1919, door de gouverneur-generaal J.P. van Limburg Stirum werd uitgenodigd om zitting te nemen in de zg. Indische Herzieningscommissie, werd hij dan ook prompt uit de partij gezet. Zijn voornaamste bijdrage aan het werk van deze commissie bestond uit het leveren van een mede door Ch.G. Cramer ondertekende minderheidsnota, die op de verdere gang van zaken geen invloed heeft uitgeoefend.

In 1922 maakte een aanbod de hoofdredactie op zich te nemen van de Oost-Javaeditie van De Indische Courant een einde aan Kochs Buitenzorgse periode. Dit dagblad was het orgaan van de vereniging van Europese geëmployeerden in de suikerindustrie. Koch vatte het vakverenigingswerk principieel op, zodat hij in 1923 een grote stakingsactie van de (Indonesische) Vereeniging van Spoor- en Tramweg Personeel in zijn courant ondersteunde. Dit bracht hem allereerst in conflict met de regering, die hij ervan beschuldigde de staking opzettelijk te hebben uitgelokt. Op den duur echter konden ook de suikeremployees, die zich geen 'arbeiders' voelden en die zeker niet over één kam wensten te worden geschoren met het Indonesische personeel, zijn redactioneel beleid maar matig waarderen, zodat hij in 1925 'na een hevig twistgesprek' ontslagen werd.

Een hierop aansluitende betrekking als hoofdredacteur van een nieuw weekblad, dat de eenheid tussen werknemers bij overheid en bedrijfsleven moest propageren, werd evenmin een succes. Na enkele jaren moest de uitgifte ervan wegens geldgebrek worden stopgezet. Een eveneens in 1925 verkregen aanstelling als secretaris van het federatieve Verbond van Vereenigingen van Landsdienaren (later Overheidsdienaren) heeft Koch tot aan het einde van de koloniale periode behouden. Dit bezorgde hem een inspannende, maar naar zijn gevoel weinig vruchtdragende werkkring, omdat de Indonesische vakorganisaties zich op een afstand hielden en de opeenvolgende regeringen vooral op bezuinigingen waren gefixeerd. Teneinde in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien aanvaardde Koch in 1929 een betrekking als hoofd van een departementale bibliotheek, waar hij tot aan zijn pensionering in 1938 werkzaam is geweest.

Intussen was dit bedrijf in Bandoeng, waarheen de Kochs in 1928 waren verhuisd, in publicistisch opzicht vruchtdragend genoeg. Regelmatig verschenen er publikaties van zijn hand in Koloniale Studiën en elders, terwijl hij betrokken raakte bij pogingen in Indië een afdeling op te richten van de antifascistische organisatie 'Eenheid door Democratie'. Dit leidde, in 1938, tot de oprichting van de Algemeen-Democratische Bond, die deelnam aan het werk in de Bandoengse gemeenteraad en, in de persoon van Koch, gelieerd was aan het blad Kritiek en Opbouw, dat eveneens op zijn initiatief tot stand kwam.

Op dit blad, dat met langdurige onderbrekingen tot aan 1950 is blijven verschijnen, heeft hij als geen ander zijn stempel gezet. Naast scherpe kritiek op de daden van de regering gaf hij in zijn vaste rubriek uiting aan zijn geloof dat de op den duur onvermijdelijke revolutie in de verhouding tussen Nederland en Indië geweldloos zou kunnen verlopen. Dit op voorwaarde dat de democratische norm gehandhaafd zou blijven en er in Nederland een socialistische regering aan de macht zou komen.

Na terugkeer uit de Japanse interneringskampen, waarin hij zijn eerste vrouw verloor, is Koch nog tot 1954 in Indonesië gebleven. Als vakbondsman en lid van de zg. 'Progressieve Groep' nam hij in 1946 deel aan de Pangkal Pinangconferentie, waar hij de belangen van de kleine Europeaan verdedigde. In zijn journalistieke arbeid, die hij nooit heeft opgegeven, kon hij wel waardering opbrengen voor de door W. Schermerhorn en H.J. van Mook gevolgde lijn. De tweede politiële actie wees hij echter al dadelijk af. Gedurende de laatste jaren van zijn verblijf in Indonesië was hij directeur van de Volksuniversiteit te Bandoeng, die hij met steun van de Sticusa nieuw leven inblies. In Nederland teruggekeerd sloot hij zich aan bij de Vereniging Nederland-Indonesië, die zich keerde tegen het Nieuw-Guineabeleid van de Nederlandse regering. Samen met Cramer, destijds de medeondertekenaar van zijn minderheidsnota voor de Indische Herzieningscommissie, aanvaardde hij in 1956 het erelidmaatschap van deze oppositionele organisatie.

A: Archief-D.M.G. Koch in Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISO) te Amsterdam.

P: Behalve bibliografisch overzicht van zijn artikelen etc. in de onder L genoemde publikatie van De Vries: Indisch-koloniale vraagstukken (Weltevreden, 1919); Herleving. Oorsprong, streven en geschiedenis der nationalistische beweging in Britsch-Indië (Weltevreden, [1923]); Om de vrijheid. De nationalistische beweging in Indonesië (Djakarta, 1950), ook in het Indonesisch vertaald; 'De toestand in Indonesië', in Socialisme en Democratie (1955) 129-142; Verantwoording. Een halve eeuw in Indonesië ('s-Gravenhage [etc.], 1956); 'Herinneringen uit een Indische gevangenis', in De Nieuwe Stem 11 (1956) 369-374; Batig Slot. Figuren uit het oude Indië (Amsterdam, 1960).

L: D. de Vries, D.M.G. Koch. Levensschets en bibliografie... [Bandoeng, 1951]. Aanwezig in bibliotheek IISG; De Nieuwsgier, 30-6-1954; Aan D.M.G. Koch op zijn vijfenzeventigste verjaardag van zijn vrienden. [Samengest. door F.E.A. Batten en D. de Vries] ('s-Gravenhage [etc.], 1956); W. Middendorp, 'De eerlijke verantwoording van Koch', in Socialisme en Democratie (1957) 604-611; J.H.W. Veenstra, 'D.M.G. Koch', in het onder P genoemde Batig Slot..., 195-211; E.B. Locher-Scholten, 'Kritiek en Opbouw (1938 - 1942). Een rode splinter', in Ethiek en fragmenten (Utrecht, 1981) 150-175; F. Tichelman. Socialisme in Indonesië. I De Indische Sociaal-Democratische Vereeniging, 1897-1917 (Dordrecht, 1985).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 823.

P.J. Drooglever


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013